Het is hoog tijd om ons recht op stilte terug te eisen – Sander van Walsum

We maken met zijn allen steeds meer lawaai. Veel daarvan is zinloos, het bijproduct van onze vrijheid. Sander van Walsum roept op om elkaar er toch maar weer eens op aan te spreken.

Sommige dingen meen je zeker te weten. Dat we elkaar blootstellen aan steeds meer lawaai bijvoorbeeld. Zeker als het land in zomerse genoegens wordt gedompeld. Motorrijders trekken er in kuddeverband op uit met helse machines die veel harder knetteren dan nodig is. Stadse buitenmensen installeren hun kookeilanden, loungehoeken en geluidsapparatuur in de tuin of op het dakterras zodra de thermometer de 15 graden Celsius overschrijdt. Een uitdijende schare hobbyisten verricht met boor- en schuurmachines achterstallig onderhoud aan huis en tuin. De kinderen van mijn overburen schreeuwen veel harder dan ik mij van vorig jaar herinner. Hun schelle stemmen dringen, als er weer een twist ontstaat bij de trampoline, via geopende balkondeuren tot alle omwonenden door. En hun ouders denken dat dit er nu eenmaal bij hoort, bij kinderen hebben.

Het circuit van Zandvoort is bij aanlandige wind op grote afstand hoorbaar. Prins Bernhard, aan wiens naam sinds kort niet meer ‘junior’ wordt toegevoegd, wil daar ook nog eens formule 1-races laten verrijden. Als inwoner van Haarlem moet ik daar niet aan denken: nu al wordt de lucht boven het Kennemer land enkele weekenden per jaar verscheurd door de herrie waaraan autoliefhebbers zich tegen betaling blootstellen. En dan zijn er nog de achthonderd muziekfestivals die elk jaar in Nederland worden gehouden. De bladblazers. De toeristen met hun rolkoffers. De doffe dreun die opklinkt vanuit passerende auto’s. Uitgaand publiek dat passanten schreeuwend deelgenoot maakt van het eigen vertier. En sinds zeer kort is daar nog een nieuwe bron van lawaai aan toegevoegd, horend bij een nieuwe liefhebberij: het gezoem – het akoestisch equivalent van enkele forse muggen in je oorschelp – van drones die in parken, op het strand en op open plekken in het bos worden opgelaten. Soms vliegt zo’n drone gezellig een stukje met de passerende wandelaar mee.

Consumeren

Waar mensen zijn, is lawaai. En het aantal inwoners van Nederland is sinds 1938 verdubbeld – tot ruim 17 miljoen. Al die mensen zijn enthousiast aan het consumeren geslagen. Veel van hun consumptieartikelen produceren lawaai. Zinloos lawaai. Geen lawaai dat de industriële samenleving nu eenmaal vergezelt – het geluid van de bouwnijverheid, van vrachtwagens en sneltreinen – maar lawaai dat uitdrukking geeft aan een bepaalde leefwijze, die vaak voor levenskúnst wordt gehouden.

Het zijn relatief nieuwe geluiden. En ze horen bij een samenleving die de sociale controle min of meer heeft afgeschaft. Veroorzakers van akoestische vervuiling worden dus zelden op hun gedrag aangesproken (wat in het geval van motorrijders ook praktisch ondoenlijk is). En wie hinder ondervindt van akoestische vervuiling, huivert vaak om daar uiting aan te geven. Wie zich bij een buurtgenoot beklaagt over een middernachtelijk tuinfeest, voelt zich toch een beetje een lul. Een fatsoensrakker – zoals in de jaren zestig een categorie burgers werd omschreven waar niemand bij wilde horen. Iemand die anderen hun feestje wil ontzeggen. Ikzelf heb het enkele maanden geleden toch een keer geprobeerd, nadat een feest bij een van de achterburen zich van binnen naar buiten had verplaatst. Mijn interventie, in ochtendjas, resulteerde in een vruchteloze discussie over de vraag of in het weekend andere geluidsnormen golden dan door de week, en of 1 uur ’s nachts een geschikt tijdstip was voor een onaangekondigd tuinfeest. Zij vonden van wel. Ik vond van niet.

Wat zinloos lawaai voor de een is, is plezier en vrijheid voor de ander. De akoestische ruimte is openbare ruimte waarin belangen en opvattingen vaak botsen. Over het gebruik van die ruimte zijn ook moeilijk afspraken te maken omdat lawaai tot op zekere hoogte een subjectieve grootheid is. De een ervaart het gebeier van kerkklokken op de vroege zondagochtend als akoestisch onderdeel van een dorp of provinciestad. Voor anderen is het een onwelkome en ongevraagde resonantie uit de tijd waarin de kerk het nog voor het zeggen had.

Toch is het niet gezegd dat het lawaai dat in Nederland wordt geproduceerd in dezelfde mate is gegroeid als de bevolking. Een paar jaren geleden was in Amsterdam een tentoonstelling ingericht over het geluid van de grote stad – vroeger en nu. Onderdeel van die tentoonstelling was een simulatie van het lawaai dat in 1935 hoorbaar moet zijn geweest. Wat bleek: destijds was veel meer sprake van harde, naast elkaar staande geluiden: piepende trams, toeterende auto’s met ontploffingsmotors en rammelende carrosserieën, schreeuwende marktkooplieden, het geluid van werkplaatsen die toen nog in de stad waren gevestigd. Het geluid van toen was volgens Karin Bijsterveld, hoogleraar Wetenschap, Technologie en Moderne Cultuur aan de Universiteit Maastricht, chaotischer, nerveuzer en – mogelijk – meer belastend dan de permanente ruis van de hedendaagse stad.

Het karakter van sommige geluiden is bovendien veranderd. Neem de auto. Het aantal auto’s op de Nederlandse wegen was in 1935 weliswaar veel kleiner dan nu, maar ze produceerden destijds wel meer lawaai. De ontploffingsmotor deed zijn naam nog eer aan. Zijn lawaai was onderdeel van het statussymbool dat de auto was, toen nog meer dan nu. En het toeteren werd lange tijd door de overheid aangemoedigd. Omwille van de verkeersveiligheid. Aan die herrie viel destijds wel makkelijker te ontkomen dan aan het alomtegenwoordige geruis van nu. Vroeger trad buiten de bebouwde kom de stilte in. Nu moet de Randstedeling daarvoor de koffers pakken. En dan nog is het de vraag of hij in Vierhouten of de Achterhoek niet op een rally van oldtimers wordt getrakteerd.

De geluiden van de nieuwe tijd bleven overigens niet onweersproken. Zo werden in het holst van de jaren dertig, de economische crisis en het opkomend fascisme ten spijt, stilteacties gehouden tegen noviteiten als de autoradio. De antilawaai-activisten – beschavingsmissionarissen, in hun eigen ogen – zagen hun inzet vaak met succes beloond. Het genot van de autoradio, en later van de transistorradio en de gettoblaster, werd vergaand ‘geprivatiseerd’. De ‘hamerende beroepen’ – smederijen, blikslagerijen en slotenmakers – verdwenen uit de binnensteden, voor zover ze al niet door de tijd waren ingehaald. En zo zal ook de rolkoffer zoals wij die kennen uit de toeristencentra worden geweerd en zal het geluidsniveau van muziekfestivals worden begrensd. In verschillende Amerikaanse staten is de bladblazer al in de ban gedaan. Ooit behoorde het recht om in een stille straat te wonen tot de arbeidsvoorwaarden van hoogleraren. Nu komt het iedereen toe.

Recht op vertier

Maar in een overvol land als het onze staat het recht op stilte van de een al snel op gespannen voet met het veronderstelde recht op vertier van de ander. In 1967, toen het ‘nieuwe Schiphol’ in gebruik werd genomen, deden ruim drie miljoen vertrekkende, aankomende en overstappende passagiers de nationale luchthaven aan. Nu komen er elk jaar ongeveer zoveel passagiers bij, tot ruim 63 miljoen in 2016 – 21 maal meer dan in 1967 en tweemaal meer dan in 1997. Maar nog steeds wordt het recht op grenzeloze mobiliteit – een gekoesterde verworvenheid – niet ter discussie gesteld. We willen anderen hun feestje niet ontzeggen. We willen onszelf ons feestje niet ontzeggen. We willen de vrijheid van de consument niet beknotten. Dus volstaan we met de bestrijding van de groeisymptomen. De vliegtuigen worden stiller. Luchthaven Lelystad voldoet toch aan de geluidsnormen. Airbnb wordt aan banden gelegd. En de rolkoffers krijgen zacht rubberen wieltjes. Maar het recht van de toerist om voor een paar tientjes naar Barcelona te vliegen, blijft onaangetast. Met alle gevolgen van dien voor steeds meer omwonenden van Schiphol en – straks – van Lelystad.

Lawaai is tenslotte het bijproduct van vrijheid. En vrijheid, daar kom je niet aan. Wie in vrijheid wil leven, moet enig lawaai verdragen. Mensen die een dictatuur hebben meegemaakt, herinneren zich onder andere de stilte. De stilte van de avondklok, van het gereglementeerde openbare leven, en van de angst om de aandacht op zichzelf te vestigen. Stilte roept al gauw een gevoel van beklemming op. De bevrijding van de opgelegde stilte gaat gepaard met vreugdevuren en lawaai. Lawaai vergezelt de ontketening.

Er wordt dus veel lawaai gemaakt in Nederland. De indringendste bron van herrie is die van de motorrijders die deze dagen collectief de nieuwe zomer vieren. De luidste motoren zijn zo aanstootgevend omdat het lawaai essentieel is voor het particuliere genoegen van de berijder. Die eist eenzijdig een grote hap van de openbare ruimte voor zichzelf op. Elke zonnige dag opnieuw. En niemand die zijn recht om lawaai te maken ter discussie stelt. De wetgever niet, mogelijk uit beduchtheid voor de electorale consequenties. De politie niet, omdat die wel wat beters heeft te doen. En de medeburger niet, omdat die zichzelf in lijdzaamheid heeft geoefend. Zinloos lawaai? Het hoort er nu eenmaal bij.

Liever sluit hij zich op in zijn eigen akoestische cocon. Met koptelefoons en, meer recent, individuele geluidszones kunnen meerdere mensen in één ruimte gelijktijdig naar hun eigen muziek luisteren. Lawaai of stilte als individuele opties; mensen die hun eigen weg gaan – de een in een wolk van volmaakte stilte, de ander in een wolk van, al dan niet te luide, muziek. Om de een of andere reden klinkt het niet erg aantrekkelijk. De openbare akoestische ruimte verwordt tot een niemandsland waarvoor niemand zich nog verantwoordelijk voelt.

Het lawaai moet niet worden gemaskeerd of ingekapseld, het moet zo veel mogelijk worden uitgebannen. Door het aantal luchtreizen per burger te rantsoeneren. Door lawaaiige voertuigen van de wegen te weren. En door de sociale controle over de openbare ruimte te herstellen. Spreek de buren toch maar aan over die eeuwig blaffende hond of over een onaangekondigd tuinfeest – op het gevaar af voor fatsoensrakker te worden gehouden. Zo kom je nog eens in gesprek met mensen die je anders alleen maar zou horen.

Er is geen ontkomen meer aan: „ik ben dus ziek.” – Floor van Liemt

Het stormt vandaag. Op het station lopen mensen met stevige pas in alle richtingen. Een vrouw rent met een treurig boeket in haar hand, de meeste bloemen hebben hun blaadjes moeten afstaan aan de wind. Voor het scherm met vertrektijden staat een menigte met verwarde blik te turen. Het is nat, koud en chaotisch.

Ik heb maar een klein stuk moeten rennen en toch arriveer ik uitgeput op spoor 5. De trein zit bomvol, het is de enige die nog gaat. Met moeite wurm ik me tussen de mensen die als sardientjes in een blik in het treinstel staan. Rechts van me een meisje van mijn leeftijd met een enorme rugtas die in mijn gezicht drukt, links een neuroot die met iedereen een praatje probeert te maken. Achter me probeert een Italiaanse jongen zijn vriendin te kalmeren, wier gezicht wel heel erg wit ziet. Dit lijkt mij in verband te staan met de enorme wietlucht die om haar heen hangt, maar bezorgd buigen omstanders zich over haar heen.

Alsof zíj degene is die ziek is.

Met mijn neus sta ik tegen het beslagen raam van de deur. Ik ben erg benauwd en word overvallen door een vlaag van paniek. Ik leg mijn hand op mijn buik en probeer me te concentreren op de ademhalingsoefeningen die ik van mijn yoga-lerares geleerd heb. Af en toe doe ik mijn ogen dicht. Zo weet ik mezelf af te sluiten van alle rumoer om me heen.

Ik voel me kwaad. Kwaad dat het rotweer is en dat ik in deze rottrein sta. Ik word nog bozer als we aankomen op Schiphol in plaats van op Amsterdam Centraal, en overstappen ook niet meer mogelijk blijkt. Heb ik met die kanker niet al genoeg pech gehad? Het voelt alsof iemand mij ongelooflijk zit te treiteren, maar ik weet niet wie. Ik weet niet op wie ik boos moet zijn.

Buiten sta ik in een rij met schreeuwerige toeristen te wachten op een taxi. Ik ben opgelucht als ik eindelijk in een auto zit. De chauffeur merkt op dat ik wel erg veel zucht. Dat is een gevolg van de benauwdheid. „Ja, ik heb een beetje stress”, antwoord ik, gevolgd door een kuchje. „Het heerst hè, beterschap”, zegt de man met een buitenlands accent dat ik niet kan plaatsen.

Hij moest eens weten, denk ik, maar ik dank hem en laat het daarbij. „Studeer je in Amsterdam?” vraagt hij geïnteresseerd. „Nee, in Utrecht.” „Oh, ga je dan bij iemand op bezoek?” „Nee, ik woon hier nu net.” „Is dat niet onhandig, als je in Utrecht studeert?” „Ik studeer nu even niet, want…” Er is geen ontkomen meer aan: „ik ben dus ziek.”

Door de spiegel kijken zijn lieve bruine ogen mij indringend aan. Voorzichtig vraagt hij wat ik dan heb. „Kanker. In de longen. Gek hè?” Ik probeer de boodschap niet te hard te laten klinken. De man schiet vol. „Ach, sorry dat ik emotioneel word hoor. Mijn zusje is eraan overleden.” Dan voel ik zelf ook een traan over mijn wang lopen.

We rijden door het drukke verkeer, de schitterende lichten en de hoge gebouwen. Buiten klettert de regen agressief op de grond. Maar binnen in de auto is het kalm. Ondanks de stilte voel ik me even heel erg verbonden met deze vreemdeling.

Als we bij mijn huis aankomen, zegt hij: „Ik zie dat jij heel sterk bent. Je ziet er niks van. Laat je niet gek maken.” Ik hoef niet te betalen. Als ik de taxi uitstap is de magie van verbondenheid weer verbroken. Onze wegen scheiden en beiden lossen we weer op in de grote stad. Ik voel me dankbaar.

Kinderverjaardag – Marcel van Roosmalen

De jongste dochter werd 1, ze had nu al meer vrienden dan ik. Veel meer vrienden dan we verwacht hadden ook. Wij kwamen nooit op kinderverjaardagen en hadden er een beetje op gerekend dat we met gelijke munt terug zouden worden betaald, maar dat was niet zo. Er kwamen zelfs mensen uit het dorp, de door ons zelf gebakken appeltaart viel van schrik uit elkaar. Op de grond krioelden vijf of zes kinderen over en door de jarige heen.

Ik probeerde wanhopig te communiceren met de volwassenen, wat niet ging omdat ze allemaal wel een kind hadden waar ze op moesten focussen. Alleen met mijn moeder had ik contact. Ze had de jarige een pratend paasei gegeven dat je kon verstoppen en dat dan uit zichzelf ‘ik ben verstopt hoor’ zou roepen, maar het cadeau zweeg nadat ze het had verstopt en dat lag niet aan haar gehoorapparaat.

Ik werd aangeroepen, de oudste werd in mijn richting geduwd. „Ruik jij effe of ze een volle luier heeft.”

Dat aan elkaars gat ruiken in gezelschap vind ik nog steeds moeilijk, maar om me heen keken ze er niet van op dat ik haar tot boven mijn gezicht tilde en nadrukkelijk snoof.

„En?” Ik: „Ja, ik denk wel dat er iets in zit.”

Met een tegenstribbelend kind naar boven, achtervolgd door twee kinderen waarvan ik de namen niet wist en waarvan ik hoopte dat ze niet achterwaarts de trap af zouden vallen. Op het verschoningskussen bleek dat er niet gepoept was.

Groot onrecht, dikke tranen.

Weer beneden genoot ik van de oudste die al de cadeaus uit de handen van haar zusje griste. Ik zag onder andere een plastic piano waaruit dierengeluiden kwamen, een auto met zwaailicht en geluidendoos voorbijkomen, daar gingen we nog veel plezier aan beleven.

Daarna het gevecht om aandacht.

Nadat de eerste gewonde was gevallen – hoofdje tegen een tafelrand – viel de oudste om de zoveel tijd om, waarna ze getroost moest worden. Ik was goed in troosten.

Zo goed, dat ze allemaal door mij getroost moesten worden, want ze begonnen allemaal om te vallen. Het grapje dat ik alleen mijn eigen kinderen troostte werd niet door iedereen begrepen.

Ik roerde door de koffie.

Ik leerde: als je even niets weet te zeggen doet de opmerking dat je nog steeds gestopt met roken het altijd goed.

Moe, maar tevreden in bed, dachten we kort dat er indringers in huis waren. Ik werd erop uitgestuurd. Op de gang lag een plastic paasei dat de hele dag had gezwegen maar nu niet meer kon stoppen met zeggen dat het gevonden wilde worden.

Fooidwang – Thomas van Luyn

Gooi desnoods de prijzen 15 procent omhoog, maar stop de fooidwang. Verbied het

Het toetje is genuttigd, de koffie genoten, de rekening gebracht. Terwijl mijn gezelschap vrolijk kakelt, buig ik mij over de cijfertjes, met de knoop in de maag die veroorzaakt wordt door het kwaad dat geen regering ter wereld durft aan te pakken, de misstand die geen journalist aan de kaak durft te stellen, het onrecht waar geen burger zich tegen durft te verzetten. Het aankaarten ervan alleen al zal mij op boze mailtjes en mogelijk doodsbedreigingen komen te staan. Maar hier sta ik, ik kan niet anders: fooi.

Fooi moet verboden worden, fooi moet dood. Fooi omzeilt alle normen en afspraken waaraan we de afgelopen eeuwen hebben gebouwd. Regeringen zijn gekozen en gevallen op loonafspraken, minimumloon en sociale lasten. En ineens zeilt daar een ongemakkelijke en onnodige transactie doorheen, eentje waarbij je als klant gedwongen wordt tot een soort indirect functioneringsgesprek: meneer de ober, ik vond u aardig, maar ook té kletserig naar mijn smaak. U was erg alert op het bijvullen van onze glazen, maar dat wou ik juist niet, want ik probeer minder te drinken. U legde vriendelijk uit wat er op ons bord lag, maar u sprak ‘entrecôte’ verkeerd uit, en daardoor vind ik u een eikel. Ik vond u dan ook geen extra beloning waard. Echter: ik durf dat niet te zeggen, dus ik geef u, namens het hele gezelschap, geheel tegen mijn zin in een bonus van 17 euro, omdat ik bang bent dat u anders boos op mij zult zijn.

Dit is de ultieme overwinning van passieve agressie: zonder onvertogen woord mij het gevoel geven dat ik tekortschiet. Ik zou ook schijt kunnen hebben aan wat de bediening van me vindt, maar goedbeschouwd is fooi een belasting op behaagziekte, en daar heb ik nou eenmaal nogal veel van.

Fooi is overgewaaid uit Amerika, op dezelfde boot waar ook obesitas en halloween verstekeling waren

En het hoeft niet, mensen, vroeger deden we er ook niet aan. Mijn vader verzekert mij dat er in zijn tijd nooit fooi werd gegeven en hij kan het weten, want hij leefde toen. Fooi is overgewaaid uit Amerika, op dezelfde boot waar ook obesitas en halloween verstekeling waren. We zagen het niet aankomen, we waren machteloos toen taxichauffeurs ons met vragende ogen begonnen aan te kijken bij het afrekenen, en daarna obers, en nu kappers. That’s right: kappers! Ineens, zonder overleg, zonder enig denkwerk of planning of onderzoek naar de invloed ervan op het koopkrachtplaatje, is het betaalmoment er eentje geworden waarin de kapper je net net iets te lang aankijkt nadat hij het bedrag heeft genoemd, waarin het ineens erg ingewikkeld blijkt gepast wisselgeld te vinden of het juiste bedrag in te toetsen in de pinautomaat. Ik zou het graag aankaarten, maar naar dat gesprek kijk ik niet uit.

‘Verwacht u fooi?’

‘Tja, dat is aan u, maar…’

‘In dat geval krijgt u niks. Ik wil geknipt worden godverdomme, niet aanschuiven bij de loononderhandelingen.’

Dat zal ik nooit zeggen, dus rekenen we zwijgend af, beiden bezorgd over het oordeel van de ander.

En dit onkruid breidt zich uit. In koffiezaken, bij fietsenmakers, bij pedicures: overal verschijnen schoteltjes, potjes en vragende blikken. Ik zeg: wees helder, gooi desnoods de prijzen met 15 procent omhoog. Maar stop de fooidwang. Leuk weetje: als u een fooienpot ziet staan, mag u die legen in uw jaszak, Geen wet die dat verbiedt.

Kersttruien – Marcel van Roosmalen

Het nieuwe huis stond naast de dorpsschool. Ik keek iedere dag naar het gedoe. Het halen en brengen, het lamlendige wachten op je kind achter dat hekje.

Op een ochtend werden we verrast door de aankomst van Sinterklaas. Deze keer kwam hij aan met een tractor.

Wij naar buiten.

Een vrouw met een kastanjekleurig kapsel, die het simultaan zwaaien met zaklampjes coördineerde, kwam van het schoolplein naar ons toegebeend. ‘Op hoge poten’, zou je kunnen schrijven, maar dat zou de werkelijkheid geweld aan doen.

De sint kwam van rechts, hadden we een brief over gehad, dus of we in verband met de zichtlijnen vanaf het schoolplein niet in ons voortuintje wilden blijven staan.

Ik dacht nog even dat ik met het hoofd van de school van doen had, maar ze was een hulpmoeder.

Gisteren was ze weer actief.

Ze vuurde in een groene kersttrui (dat doet niet ter zake, maar ik zeg het er graag even bij) een ploegje andere hulpmoeders aan. Vrouwen in gewatteerde jassen bij wie de zware decembermaand al begon te tekenen op de gezichten. Ze sjouwden statafels vanuit de school naar buiten.

„Kerstviering”, hijgde een hulpmoeder. „Alle ouders hebben iets gekookt en vanavond komt iedereen!”

Ze strekte haar arm en schetste een vergezicht.

„Daar en daar komen ook nog vuurkorven …”

De statafels waren bedoeld voor de rokende ouders- verzorgers. Dat waren er nogal wat, wist ik inmiddels, zodat die ook een leuke avond zouden hebben.

’s Avonds zag ik ze uit alle hoeken en gaten naar de school komen. Als mieren, het zelfbereide voedsel nog net niet boven het hoofd.

O, afschrikwekkend voorland.

Ik zag ons al, met baksels in zilverfolie, of nog in een pan in een rode plastic tas van de Vomar.

Alles uitstallen op aan elkaar geschakelde tafeltjes in het klaslokaal van de oudste dochter en daarna met een plastic bordje aanschuiven in de rij.

Gesprekken met hulpmoeders in kersttruien die maar blijven zeggen dat het er allemaal heerlijk uitziet, dat ze niet kunnen kiezen wat ze gaan eten en dat het altijd dezelfden zijn die alles moeten voorbereiden.

Buiten was inmiddels ook kerstmuziek.

De eerste ouders stonden al met een glühwein in de hand rondom een vuurkorf op het schoolplein. Zwijgen en in het vuur staren. Als je ertussen moest staan zou je kunnen denken: echt zo’n moment om weer te beginnen met roken.

Fabrikanten zijn dol op cijfers, maar dat is niet per se een succes – Teun van de Keuken

Cijfers zijn lekker. Je kunt anderen ermee overtroeven en het bos insturen. Je kunt er status aan ontlenen én je kunt er de indruk mee wekken heel exact te zijn. Geen wonder dat politici er dol op zijn.

Ook fabrikanten zijn niet wars van een klinkend getal op hun verpakking. Daarover straks meer, maar eerst een paar woorden over Herodotus, die in zijn Historiën geschiedkundig onderzoek afwisselt met een persoonlijk verslag van zijn verre reizen. Heeft hij de plaatsen die hij beschrijft werkelijk bezocht? Waarschijnlijk niet allemaal. Toch wekt hij de indruk van wel. Hiervoor gebruikte hij onder andere de truc van de onnauwkeurigheid. Door niet te zeggen dat er ergens precies drieëndertig mannen stonden, maar eerder te spreken over ‘een man of dertig, vijfendertig’, komt hij betrouwbaar over. Zo niet exact zijn ooggetuigen immers! Heel slim.

Jumbo doet ook zoiets. Op zijn pak bitterkoekjes staat ‘circa 23 stuks’. Wat voor een historicus werkt, is niet per se succesvol is in de supermarkt. Je vraagt je nu vooral af of de fabrikant wel weet hoeveel koekjes hij in zijn pakjes stopt. Doet hij er nu eens meer, dan weer minder in?

Fabrikanten zijn dol op percentages. Om aan te geven dat ergens minder van in zit: ‘Ribbelchips, met 55 procent minder vet’. Of juist meer: Douwe Egberts heeft koffie met ’40 procent meer aroma’ en Kneipp douchegel belooft ’25 procent meer genieten’. Maar meer of minder dan wat? Hoe meet je überhaupt het genietpercentage? En is dat wel voor iedere klant gelijk?

Het populairst op verpakkingen is de volle 100 procent. Glorix belooft ‘100 procent hygiëne’, Croky chips zijn ‘100 procent ok’ en Peijnenburg zero heeft 100 procent smaak. Nogal wiedes zou je zeggen. Probeer maar eens voedsel te maken met 75 procent smaak. Voor een kwart smaakt het helemaal nergens naar. Knap lastig.

Cheesepop, een wonderlijke gepofte kaassnack is ‘100 procent kaas, zonder toevoegingen’. Wat zijn de kleurstoffen E160b, E160a en het conserveermiddel E251 dan? Unox knaks is ‘bereid met 100 procent puur kwaliteitsvlees’. Klinkt goed, wat is het? 80 procent varkensvlees waarvan 33 procent separatorvlees. De één zijn kwaliteit, is de ander zijn rommel.

Triest is de Pritt-stift, die niet verder weet te komen dan ’90 procent natural ingredients’ en de belofte van Maandverband Always ultra is nietszeggend en enigszins zorgwekkend: ‘Up to 100 procent protection’. Dat kun je overal wel opzetten. Maar kom bij doorlekken niet klagen, want we hebben je gewaarschuwd!

Die koekenbakkers van Australian hebben twee percentages domweg bij elkaar opgeteld!

Kent u die types die zich voor duizend procent zullen inzetten? Ik zou ze nooit inhuren. Ze zijn dom of ze denken dat ik dom ben. Op een etalage in de buurt staat ‘101 procent Xenos ‘. Nét dat procentje meer. Leuk geprobeerd, toch gefaald.

En dan de chocoladerepen van het (niet Australische) Australian. Die bevatten 110 procent cacao. Wat blijkt? In een verpakking zitten twee reepjes met beide een cacaopercentage van 55 procent. Die koekenbakkers hebben die percentages domweg bij elkaar opgeteld! Zijn zij nu zo dom of denken ze dat ik gek ben? En als je die repen nu doormidden breekt? Heb je dan opeens 220 procent cacao? Laat de NVWA daar eens naar kijken.

Nick Cave – Marcel van Roosmalen

Nick Cave and the Bad Seeds deden de Ziggo Dome in Amsterdam. Op de dag van het concert belde de vrouw met wie ik in een ander leven samenwoonde in een kamer van twintig vierkante meter in het centrum van Nijmegen. Met haar twee katten, waarvan de oudste een darmprobleem had. Ik kon me weinig activiteit herinneren, behalve dat we zo vaak naar de cd The Good Son luisterden, dat ik me met terugwerkende kracht kan voorstellen waarom de andere bewoners van dat pand er gek van werden.

Ze had kaarten.

„We gaan”, zei ze beslist, alsof het weer 1990 was en we ieder moment naar kelder café Gonzo konden vertrekken. Volgens mij smeerden we toen zeep in onze haren.

Ze kwam in haar Volkswagen.

Ik had om in de sfeer te blijven maar iets met veel groenten gekookt, de maaltijden hingen toen van preitaarten en bietenschotels aan elkaar. De Vriendin parkeerde de jongste op haar schoot, een gesprek voeren ging niet met twee kleine kinderen erbij. Op de fiets van mijn huis naar de Ziggo Dome. Mijn idee: ik zei dat dat het meest praktisch was.

Het regende, ik kreeg een klapband. Dat was dan nog wel steeds hetzelfde, merkte ze iets te terloops op, dat al mijn goede ideeën altijd eindigden in chaos. Ze had zich vooraf veel van de avond voorgesteld, maar niet dat we ergens tussen de weilanden bij Duivendrecht in de stromende regen met een kapotte fiets zouden staan.

Bij de ingang vonden ze haar handtas te groot, toen de woede daarover gezakt was vonden we onszelf terug op de eerste ring, tussen zeventienduizend andere ANWB-leden op stoeltjes met kussentjes. We moesten alle twee een bril op omdat we het podium anders niet konden zien.

Eigenlijk was alleen Nick Cave niet ouder geworden.

Zij moest vier keer naar de wc.

Bier kostte anderhalf muntje.

Tijdens de laatste nummers werd het podium ingenomen door oudere jongeren, die hun leeftijd van zich af probeerden te dansen. Na afloop tussen mensen die het net als wij intens en schitterend hadden gevonden. Bijna iedereen was gestopt met roken.

De volgende dag meldde ze dat pas ze om twee uur ’s nachts haar auto in de vinexwijk parkeerde, vroeger begon het toen. Ze was geen muziek meer gaan luisteren, uit respect voor man en kinderen.

Het was fijn dat we gegaan waren, vooral omdat we anders spijt hadden gehad.

Wendy – Sylvia Witteman

Wendy, een zoektocht naar geluk heet het tijdschrift. Dat klinkt als een keukenmeidenroman, en ziet er ook een beetje zo uit: op de voorkant staat, in een pastelroze kadertje, het knappe hoofd van Humberto Tan met naast hem een blonde vrouw. Dat moet Wendy zijn.

Ik kende haar niet. Ik kijk zelden televisie, niet omdat ik daar boven sta, maar juist erónder: ik breng al mijn vrije tijd op internet door. En dat die zogeheten ‘filterbubbel’ echt bestaat, werd dus maar weer eens pijnlijk duidelijk: ook op internet was ik Wendy nooit bewust tegengekomen.

Na het eerste uur van afkickverschijnselen begon ik het echt leuk te vinden om te communiceren

Nog pijnlijker voor mij was het thema van dit Wendynummer, namelijk ‘Unplugged’ met als ondertitel ‘En nu de stekker eruit…LEKKER OFFLINE’. Oei, daar had Wendy me lelijk te pakken. In haar editorial las ik dat Wendy haar telefoon ‘voor de zoveelste keer in de plee liet vallen’ en toen ‘volledig in paniek’ raakte. Maar toen ‘gebeurde er iets. Ik keek om me heen en ging gesprekken aan. Tikte mensen op hun schouder en vroeg hoe het met ze ging. (…) Na het eerste uur van afkickverschijnselen begon ik het echt leuk te vinden om te communiceren’.

Een uur! Dat is nog te doen, eigenlijk.

Wendy begreep natuurlijk wél dat het moeilijk was om niet ‘in oude gewoontes te vervallen’. Daarom liet ze een ‘leuk dobbelspel maken, voor de hele familie. Dus scherm weg en speel mee! Ik daag je uit…’

Dat spel zat inderdaad bij het blad. 5 dobbelstenen en een boekje met instructies waar ik, ook na lang nadenken, niets van begreep. ‘Stel dat een speler 3 dobbelstenen gooit met dezelfde waarde, dan mag de speler kiezen voor een verdubbelaar. In dat geval gooit de speler 1X met de UNPLUG dobbelsteen. De letter die gegooid is mag op de scorekaart omcirkelt (sic!) worden.’

Eenmaal thuis verloor ik mijn duurbetaalde levenslessen als te kleine fietssleutels zonder sleutelhanger

Nee, dat spel ging mijn gezin niet achter de schermpjes vandaan rukken, vreesde ik. Daarna bladerde ik langs een heleboel foto’s van Humberto waarop hij zijn overhemd half uit of helemáál uit heeft, foto’s van een stralende Wendy in een bootje met een oude hoorn-grammofoon, Wendy in bed met de kop ‘Slapen is gezond’, handige offline-tips als ‘Trakteer jezelf op een legpuzzel’, een column van Halina Reijn: ‘Vroeger sloot ik mezelf elke zomer op in een luxe kuuroord in Thailand (…), maar eenmaal thuis verloor ik mijn duurbetaalde levenslessen als te kleine fietssleutels zonder sleutelhanger.’ Laten we hopen dat ze inmiddels grotere fietssleutels heeft gevonden.

Verder ontzettend veel interviews met zogeheten BN’ners, van wie ik vrijwel niemand kende. In de rubriek ‘Het ochtendritueel’ meldt ene Pip Pellens: ‘Een goede douche is mijn redding om écht wakker te worden. Ik poets mijn tanden, even een deo’tje.’ Goed zo Pip! In de rubriek ‘Het verhaal achter de tattoo’ ene Gaby Blaaser die ‘papa’ en ‘mama’ op haar arm heeft laten tatoeëren. Ze had er ‘heel lang over nagedacht’, dát wel.

Een test ‘Hoe unplugged ben jij?’ met vragen als ‘Thuisbezorgd.nl of Chinees halen?’ ‘Tomatenvlek googlen of je moeder bellen?’ En dan was er nog Douwe Bob, die ‘soms even helemaal niks wil’, en ene ‘Miljuschka’ die ons, voor het betere unpluggen, aanraadt naar Vietnam af te reizen.

Meer dan ooit besefte ik hoe gezegend wij allen zijn dat er internet bestaat

Ik legde het blad weg en klapte mijn laptop open. Meer dan ooit besefte ik hoe gezegend wij allen zijn dat er internet bestaat. Daardoor zullen we, zelfs in opperste verveling, nooit onze toevlucht hoeven zoeken tot dit tijdschrift. Dank je, Wendy!

Het misverstand – Ellen Deckwitz

Afgelopen weekend stond in de Volkskrant het artikel Het misverstand drank, over wat volgens auteur Ianthe Sahadat de lievelingsverslaving van Nederland is: drinken. De strekking was dat alcohol veel schadelijker is dan men al dacht en dat zoiets als verantwoordelijk drinken gewoon niet bestaat. Ik vond het een moedig stuk. Die ene keer wanneer ik iets schrijf over alcoholmisbruik, krijg ik stapels boze reacties: dat ik het over de problemen in de wereld moet hebben, in plaats van over niets.

„Ik snap drinkers wel”, zegt mijn zus, psycholoog en net als ik al bijna haar hele leven geheelonthouder. „Het is een dagelijkse ontsnapping aan jezelf. We zitten in een tijd waarin het bestaan gewoon te zwaar is: te veel prikkels, te veel stress, te veel druk. Natuurlijk gaan sommigen dan drinken. En worden ze boos als je daar iets van zegt.”

Toen ik als jongere verdrietig en overwerkt was, schreef de dokter me oxazepam voor. Daardoor ontdekte ik opeens hoe het leven kon zijn als je niet constant angstig en gespannen was. Ik vond het ontzettend moeilijk om weer met die medicatie te stoppen: het voelde alsof ik een vrijplaats moest opgeven. Iets waar je naar uit kon zien als je een rotdag had, een garantie dat je aan de sfeer of stemming waarin je zat opgesloten, even kon ontsnappen. Wat voor mij oxazepam was, is voor anderen alcohol. Ik ken genoeg mensen die zeggen dat ze drank niet eens lekker vinden, maar dat het, om het met Spinvis te zeggen, het randje van de dag haalt. Zoiets valt lastig te bestrijden.

Jaren geleden stond ik met mijn zus voor een café. Binnen begon een opstootje: een dronken mevrouw zocht met iedereen ruzie. Op een gegeven moment werd ze de kroeg uitgezet. Herhaaldelijk probeerde ze binnen te komen (op het laatst zelfs via het schuifraam) maar ze werd er steeds weer uitgegooid, waarop ze maar tegen ons begon te roepen. Mijn zus bromde dat die mevrouw in plaats van ons lastig te vallen, ook gewoon minder kon drinken. Dan mocht ze de kroeg wel in. De mevrouw keek mijn zus lang aan (mijn zus dacht echt even dat ze haar ging slaan) en zei toen:

„Wie ben jij om mijn troost te veroordelen?”

Die woorden spoken door mijn hoofd als ik lees hoe goed het zou zijn als iedereen gewoon stopte met drinken. Ik zou het geweldig vinden als niemand meer dronk, maar het lijkt me onhaalbaar. De wereld waarin we leven wordt door sommigen slechts volgehouden als ze de druk kunnen verdunnen met alcohol. Zij zullen drank niet zonder slag of stoot opgeven, ook al worden ze ochtend na ochtend wakker met barstende koppijn van de troost.

Alcohol free – Jan Heemskerk

Ruim een jaar geleden besloot Jan Heemskerk te stoppen met drinken. Er kwamen inzichten. Leuke, en minder leuke.

Stoppen met drinken was eigenlijk een spontaan idee, ingegeven door een stevige kater, de ochtend van 3 september 2016. De avond ervoor waren we op dubbele verjaarsvisite mét lichtgevende discodansvloer bij vrienden in Vlijmen. We kenden er, behalve onze vrienden, niemand, reden voor – zoals we dat gekscherend plachten te noemen – een stukje ‘probleemdrinken’: wat liquid courage tanken om een praatje aan te durven knopen met een onbekende of een dansje te wagen op voornoemde dansvloer.

We hadden een kamer in een B&B om de hoek, het kon dus geen kwaad, het viel ook best nog mee met de ‘intake’ en we vonden het nét welletjes, toen de helft van de feestgangers collectief besloot te vertrekken, duidelijk tot ontzetting van de gastheer en -vrouw, die nog niet eens de dure hapjes hadden uitgeserveerd.

Nou. Ze kunnen veel van ons zeggen, maar niet dat we geen goede vrienden zijn in een feestcrisis! We zetten ons dus schrap, namen er nog een, dansten the night away en namen er nog een. En nog een.

De volgende ochtend, die van 3 september dus, stonden we al vroeg op de golfbaan van Vlijmen, want dat had ons leuk geleken, nu we toch in de buurt waren. Al bij hole 3 waren we kapót. En niet voor het eerst sprak ik de dramatische woorden: ‘Ach moeder, ik drink nóóit weer’. Wel voor het eerst dacht ik er stilletjes bij: ‘Misschien méén ik dit wel.’

De rest is geschiedenis en tot de dag van vandaag, pak ‘m beet een jaar later, heb ik geen alcohol meer aangeraakt. Kwam dat nou alleen door de kater van die 24 bier in Vlijmen? Natuurlijk niet. Dat was de beroemde druppel die de emmer deed overlopen. Het laatste bewijs dat je op mijn leeftijd niet meer ongestraft te veel kunt drinken. Dat je twee dagen van de leg bent als je een keertje stevig doorpakt. En dat zulks best zonde is van je kostbare tijd.

Tel daarbij op dat ik een onmatige persoonlijkheidsstructuur bezit en dus niet zo goed ben in een verstandig regime van één glaasje per dag, en je snapt dat er weinig anders op zat dan radicaal stoppen. Voor onbepaalde tijd. Met alle mitsen, maren en uitvluchten. Want het is geen aangenomen werk. En als ik weer wil beginnen, doe ik dat gewoon. Hoor.

Enfin: zo zijn we inmiddels een jaar verder en dat jaar is niet onopgemerkt voorbijgegaan. Mijn omgeving, die me kent als een trouwe klant aan de bar of bij een proeverij, moest ernstig wennen. En ik ook wel. Er kwamen inzichten. Leuke en minder leuke. Die inzichten wil ik met jullie delen. Ter inspiratie. Of juist niet.

1. Van mij hoef je niet.

Jan Heemskerk stopte vorig jaar met drinken. Dit zijn de inzichten die hij kreeg
© Anna Maria Kiosse

Een bekend fenomeen: zodra je ergens aan ‘meedoet’, zie je overal berichten die jouw keuzes en gedrag bevestigen. Had ik vroeger een scherp oog voor nieuwtjes als ‘Rode Wijn Probaat Middel Tegen Hartkwaal’, nu lees ik overal de verschrikkelijkste verhalen over de verwoestende werking van alcohol op het menselijk lichaam. Zo veel zelfs, dat het bijna geen toeval meer kan wezen. En inderdaad: zoals ook deze editie van Volkskrant Magazine bewijst, is alcohol hard op weg het nieuwe roken te worden en is er een fanatieke lobby in opkomst die het liefst zou zien dat ons biertje net zo verboden wordt als coke en heroïne.

Ik wil graag opmerken dat ik deze ontwikkeling betreur. Ik rook al jaren niet meer, maar mag nog altijd graag bij de dappere verschoppelingen in de achtertuin staan; ik drink – ‘momenteel’, zeg ik er telkens bij – niet meer, maar ik kom emotioneel in opstand tegen de gedachte dat ons alweer een genotmiddel wordt ‘ontnomen’. Ik gun niemand een dubbele levercirrose of een set teerlongen, maar voor je het weet eten we allemaal sla, moeten we verplicht elke ochtend veertig baantjes trekken in een kil sportfondsenbad, enkel seks hebben ten bate van de voortplanting en stipt om 10 uur ’s avonds naar bed.

Ik kan het niet bewijzen, maar volgens mij is het goed voor je om af en toe iets te doen wat slecht voor je is. Dus zolang de baten nog opwegen tegen de kosten, zou ik zeggen: lekker doorzuipen.

2. Zonder alcohol heb je meer remmingen

Meestal zeggen ze het andersom – mét alcohol heb je minder remmingen. Ik kan dan ook terugkijken op een indrukwekkende lijst aan ongeremde dingen die ik onder invloed van alcohol heb ondernomen. Verreweg de meeste in de categorie ‘eindelijk tegen vrouwen durven zeggen hoe ik me voel en hopen dat zij er – al dan niet eveneens ongeremd vanwege de alcohol – hetzelfde over denken, zodat we op enig moment de liefde kunnen gaan bedrijven’.

Ik durf wel zo ver te gaan dat 80 procent van mijn liefdesleven nooit zou hebben plaatsgegrepen als er geen alcohol zou hebben bestaan. Is dat sneu? Dat zal best. Maar we zijn niet allemaal gezegend met het talent of het uiterlijk om bij aantrekkelijke vrouwen vanzelf en onbevreesd de juiste snaar te raken. Verder wil ik opmerken dat ik nooit of te nimmer een agressieve, opdringerige of onbeleefde dronk heb gehad – dat soort ongeremdheid is te allen tijde ongewenst. Ik word juist lief en extreem knuffelig. En net iets te eerlijk.

Drink je niet, is het heel wat moeilijker de sprong te wagen en een mooie vrouw de waarheid te vertellen. Alles wat je wilt zeggen, stokt al in je keel vanwege corny of te direct. In het kille licht van de nuchterheid lijkt het bovendien kraakhelder dat niemand zit te wachten op een oude man met een bril en eigenlijk is de situatie dus al uitzichtloos voor je goed en wel bent begonnen. Gelukkig ben ik al gelukkig getrouwd en hebben we Netflix en kruidenthee.

Hoe dan ook: het is wel even zoeken hoe je een gesprek optuigt zonder de alcohol die alles meteen zoveel leuker en interessanter maakt. Een laatste opmerking over dit onderwerp, speciaal voor vrouwen: over het algemeen is een nuchtere man – ook al was-ie de hele avond wat stilletjes – aan het eind van de avond heel wat beter in staat behoorlijke seks met je te hebben dan eentje die zes flessen Spätburgunder door zijn bloedbaan heeft suizen. Ik geef het maar ter overweging mee.

3. Dronken mensen lullen behoorlijk slap

Jan Heemskerk stopte vorig jaar met drinken. Dit zijn de inzichten die hij kreeg
© Anna Maria Kiosse

In retrospect kan ik me diep schamen voor de onzin die ik in aangeschoten staat moet hebben uitgebraakt op feestjes, als de hele-late-avondconversatie van mijn lieve vrienden maatgevend mag zijn voor mijn niveau van toen ik nog alcohol dronk. Kennelijk vertellen we – als we in de lorum zijn – zonder enig spoor van gêne drie keer per avond hetzelfde verhaal aan dezelfde persoon, alleen steeds luider en onverstaanbaarder. En kennelijk hindert ons dat als eveneens bezopen toehoorder op geen enkele manier, wat dan wel weer lief en praktisch is. De nuchtere feestganger, echter, is aanvankelijk verbaasd (wat staat die gast daar vreemd te zwaaien op zijn poten), dan geamuseerd (tering, die gast komt écht niet meer uit zijn woorden) en ten slotte eenzaam. Want terwijl de rest van het gezelschap gelijk opgaand wegzweeft naar hogere sferen, blijf jij achter met beide benen op de grond en niemand om mee te praten, behalve dat ene malle kruidenvrouwtje dat ook niet drinkt. Want de mensen hebben nog net wel in de gaten dat jij in de gaten hebt dat ze dronken zijn en mijden je dus als de builenpest.

Gevolg is dat je bij de meeste feestjes een paar uur eerder afzwaait dan de rest. En wel op het moment dat je normaal gesproken besluit dat het een tópfeest is, je nog veel meer moet drinken en het vreselijk laat moet maken en onopvallend moet loensen naar de buurvrouw met de prominente tepels. Je mist zo wel het deel van het feest waarover nog jaren wordt gesproken, namelijk de poging-tot-stiekeme-pijppartij in het steegje, featuring voetbalvriend en ‘vrouw met prominente tepels’, maar daar staat dan weer tegenover dat je niet zelf het onderwerp van deze legende bent geworden.

4. Je vrienden krijgen een hekel aan je (en willen dat je weer gaat drinken)

Aanvankelijk oogst je lof. Man, wat oogst je een lof. Al je vrienden scheppen over je op: ‘Ik heb een vriend en die is gestopt met drinken!’ Op verjaardagen komen mensen aan je glas ruiken of er echt geen vieuxtje in de cola drijft. Iedereen vindt het reuzeknap en ook dat je er goed uitziet.

Maar na een paar weken is het nieuwtje er wel af. Mensen beginnen voorzichtig te vragen wanneer je weer eens gezellig een wijntje neemt. Ja, nee, ze bedoelen: het is nu toch wel mooi geweest? Je lever is vast weer babyroze en tot menselijke proporties geslonken? We moeten het niet gaan overdrijven en ons zeker niet aanstellen en uitsloven.

Het wordt steeds ietsje grimmiger. Als je in een restaurant zit, wordt vanaf tafel drie in de hoek door wat lolbroeken om de tien minuten muntthee bezorgd. Er wordt nu stevig aangedrongen en hier en daar wordt een ultimatum gesteld: met Kerst moet je écht weer gewoon gaan drinken, anders is het raar!

Er wordt inmiddels ook voorzichtig geïnformeerd of je soms van plan bent nooit meer te drinken, op een toon van ‘dan moet ik nog eens goed nadenken of we vrienden kunnen blijven’. En antwoord je dan naar waarheid dat je dat écht nog niet weet, het rustig een tijdje aankijkt, wel lekker gaat zo, misschien ooit, alleen in het weekend, wie zal het zeggen, elke dag is er toch weer eentje, enzovoort, wordt dat opgelucht opgevat als een teken dat nog niet alles verloren is.

Dus durf je niet hardop te zeggen dat je eigenlijk misschien wel inderdaad nooit meer wilt drinken, ook niet een beetje. Niet alleen omdat je dan bang bent dat je anders geen vrienden meer overhoudt, ook omdat je vreest dat je dan in no time weer op je oude ‘niveau’ zit, slappeling die je bent. En dat, zoveel is wel duidelijk, wil je echt niet meer.

Uiteindelijk dringt het tot je door dat al die boze mensen die je weer aan het drinken willen hebben en je nuchter maar een saaie piet vinden, en een afvallige gelovige, door jou telkens worden geconfronteerd met hoe het anders, en misschien zelfs beter kan. En dat hebben ze liever niet. En dat snap je ook. En dat wil je ook niet, die nare spiegel zijn. Maar het gaat je toch net iets te ver om weer te gaan drinken om je vrienden een goed gevoel over zichzelf te geven: ‘Zie je, hij drinkt ook gewoon weer’. Nou ja. Uiteindelijk zal iedereen er wel aan wennen.

5. Je hebt geen katers

Jan Heemskerk stopte vorig jaar met drinken. Dit zijn de inzichten die hij kreeg
© Anna Maria Kiosse

Nummer één supervoordeel van niet drinken: je hebt geen katers. En: je hoeft dus ook niet op te zien tegen feesten en partijen. Want dat deed je, blijkt nu: opzien tegen elke gelegenheid waar alcohol werd geschonken. Omdat na de pret altijd de kater komt. En je de day after dus wel kunt afschrijven, want die kater is dusdanig verschrikkelijk, dat je niet veel verder komt dan paracetamolletjes poppen en op de bank hangen, met een lodderoog op de televisie gemikt. Nu je niet meer drinkt, blijkt: je was laatste tijd als de dood voor de kater. En dat bedierf eigenlijk alle plezier in je sociale leven.

Moet je nu eens kijken. Met gemak werk je drie soirees per weekend af, je bent zonder morren de Bob én je staat ’s ochtends bij het krieken van de dag klaar om je kroost naar voetbal te brengen. Het ergste wat je overkomt is dat je ‘een beetje moe’ bent als het erg laat is geworden, en dat is maar zelden, zie boven. Paradoxaal genoeg heb je er als onthouder dus juist veel meer zin in dan vroeger, feestjes. Gezellig! En de volgende ochtend is er dat pure en onversneden geluksmoment: geen kater, geen hoofdpijn, geen droge bek, niet misselijk, geen grote delen van de avond kwijt, niets, maar dan ook niets aan het handje.

6. Je valt er wel lekker van af (en je bent fitter)

Ik was 10 kilo afgevallen met een strak regime van schijf van vijf en sportief gedoe. Maar ik woog nog altijd meer dan 100 kilo. Op mijn vraag ‘wat kan ik nog meer doen om door die grens van 100 kilo te breken?’, antwoordde mijn diëtist: ‘Minder drinken. Maximaal één glas rode wijn per dag.’ Ik stopte (ik zei al: ik ben niet de man voor één glaasje per dag) en viel prompt nog eens 10 kilo af. Alleen maar door van alcohol af te blijven.

Dus ik zie er inderdaad een stuk jonger en beter uit, voor een oude man met een bril. En ik ben vermoedelijk gezonder dan ik in decennia ben geweest, hoewel je dat natuurlijk nooit zeker weet en we allemaal een oma hebben die 106 is geworden op zware shag en elke dag een halve liter citroenjenever. Ten slotte ben ik ¿ dankzij het cumulatief effect van gezond eten, meer sporten en niets meer drinken ¿ natuurlijk veel fitter. Al is het effect minder spectaculair dan ik had gehoopt. Ik had gehoopt van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat als een afgetraind Duracellkonijn door het leven te stuiteren. Oneindig energiek en onvermoeibaar. Maar dat zit er – vanwege de leeftijd, waarschijnlijk – niet meer in. Het komt neer op: omdat je gezonder leeft, weet je je energielevels op het peil van tien jaar geleden te houden. Het remmen van het verval is denkelijk het hoogst haalbare. Bovendien, je went aan het feit dat je fitter bent en vergeet wat voor dweil je eerder was.

Jan Heemskerk stopte vorig jaar met drinken. Dit zijn de inzichten die hij kreeg
© Anna Maria Kiosse

7. Er is geen alternatief voor drank.

Als je niet drinkt, wat drink je dan? Ik vroeg het vele keren aan de professionals in het restaurant en het meest gehoorde antwoord is: water. Dat had ik zelf kunnen verzinnen. Ook werd mij een aantal keren een virgin cocktail aangeboden, soms een Heineken 0.0, één keer een geheimzinnige potentieversterkende thee uit Malawi, hippe tonic en veel gemberhoudende frisdranken, hippe Scandinavische vlierbessenlimonade en het gruwelijke Radler, waartegen je vreemd genoeg toch telkens willoos ‘ja’ zegt. De nieuwste trend: Japanse azijn, u hoorde het hier voor het eerst. Gewone, chemische fris, tenslotte, daar deed en doe je me geen lol mee. Ook niet in de zero-variant.

Keuze genoeg, maar zit er nou een winnaar bij? Niet echt. Geen drankje waar je, zoals met bier, chardonnay of G&T, de hele avond lekker op gaat. Ik heb me vaak afgevraagd waarom je niet met hetzelfde gemak drie liter gingerale drinkt als negen pijpjes Jupiler. Waarom je met geen mogelijkheid negen pijpjes Jever Fun krijgt weggewerkt, terwijl dat toch een echt heerlijk fijnhoppig ‘Duits’ alcoholvrij biertje is. Het antwoord is: alcohol. Het magische ingrediënt is alcohol. Probeer maar eens gedealcoholiseerde wijn. Bestaat. Niet te zuipen. En ik ben echt niet moeilijk, hoor. Het blijkt gewoon dat je ergens alleen enorme hoeveelheden van kunt drinken als er alcohol in zit. Omdát er alcohol in zit. Die maakt het ‘lekker’. En als niet-drinker ben je dus veroordeeld tot een misselijkmakende cocktail van een-paar-glaasjes-van-vanalles. Of water. Hebben de professionals toch weer gelijk.

8. Stoppen was best makkelijk

Ik ben niet op een missie om iedereen van het drinken af te brengen

Toen ik stopte met roken, ging ik cold turkey. Daar keken veel mensen van op. Want ik rookte anderhalf pakje per dag. Ik keek er zelf ook wel een beetje van op. Maar door mijn slechte voorbeeld waren mijn twee oudste kinderen ook gaan roken en bovendien hoestte ik elke dag mijn longen uit mijn lijf. Schuldgevoel en acute doodsangst waren blijkbaar voldoende motivatie om van de peuken af te blijven. Sterke motivatie is het halve werk. En je moet er dus aan toe zijn – weer die kosten-batenanalyse.

Wat ik wel merkte, en nu weer: veel hangt samen met gewoonte. Het is onvoorstelbaar hoeveel momenten op de dag je onbewust koppelt aan een sigaret of, ietsje minder vaak, aan een glas wijn. Dat zijn de momenten dat het erom spant; maar zet je een paar weken door, begint die koppeling al wat te vervagen in je systeem en na een jaartje denk je er soms dagenlang niet meer over na dat je geen alcohol hebt gedronken.

Ik kan natuurlijk niet voor anderen spreken, en – zie punt 1 – ik ben ook niet op een missie om iedereen van het drinken af te brengen, maar het is misschien een geruststellende gedachte dat alcoholgebruik voor driekwart een kwestie van gewoonte is. En dat je nee kunt zeggen, in plaats van ja. Het is – extreme gevallen daargelaten – niet dat je kokhalzend en stuiptrekkend over de grond gaat rollen als je een avond frisdrank neemt. Sterker, van fysieke afkickverschijnselen geen spoor, eerder omgekeerd: ik sliep meteen beter en was beduidend minder vaak nerveus – terwijl ik toch menigmaal een drankje had gepakt om de zenuwen in bedwang te houden.

9. Het is wel eng spul, alcohol.

Dat ik het hele jaar geen alcohol heb aangeraakt, is trouwens technisch gesproken niet waar. We hadden de boot verkocht en namen champagne mee voor de nieuwe eigenaars. Die erop stonden dat we met z’n allen op de plechtige gelegenheid zouden proosten. Ik kreeg een glas, had geen zin het uit te leggen en maakte mijn lippen nat. En ik zweer je: meteen sloeg het systeem aan. Een gloeiend gevoel van welbehagen, drie solide smoesjes waarom ik dat glas nou net zo goed kon leegdrinken, een schuin oog naar de fles, of er misschien nóg een glaasje inzat en een jubelende fanfare met discolampen. Ik schrok me dood en schonk het glaasje leeg in dat van mevrouw Heemskerk. Alcohol verliest niet snel zijn greep.