Alcohol free – Jan Heemskerk

Ruim een jaar geleden besloot Jan Heemskerk te stoppen met drinken. Er kwamen inzichten. Leuke, en minder leuke.

Stoppen met drinken was eigenlijk een spontaan idee, ingegeven door een stevige kater, de ochtend van 3 september 2016. De avond ervoor waren we op dubbele verjaarsvisite mét lichtgevende discodansvloer bij vrienden in Vlijmen. We kenden er, behalve onze vrienden, niemand, reden voor – zoals we dat gekscherend plachten te noemen – een stukje ‘probleemdrinken’: wat liquid courage tanken om een praatje aan te durven knopen met een onbekende of een dansje te wagen op voornoemde dansvloer.

We hadden een kamer in een B&B om de hoek, het kon dus geen kwaad, het viel ook best nog mee met de ‘intake’ en we vonden het nét welletjes, toen de helft van de feestgangers collectief besloot te vertrekken, duidelijk tot ontzetting van de gastheer en -vrouw, die nog niet eens de dure hapjes hadden uitgeserveerd.

Nou. Ze kunnen veel van ons zeggen, maar niet dat we geen goede vrienden zijn in een feestcrisis! We zetten ons dus schrap, namen er nog een, dansten the night away en namen er nog een. En nog een.

De volgende ochtend, die van 3 september dus, stonden we al vroeg op de golfbaan van Vlijmen, want dat had ons leuk geleken, nu we toch in de buurt waren. Al bij hole 3 waren we kapót. En niet voor het eerst sprak ik de dramatische woorden: ‘Ach moeder, ik drink nóóit weer’. Wel voor het eerst dacht ik er stilletjes bij: ‘Misschien méén ik dit wel.’

De rest is geschiedenis en tot de dag van vandaag, pak ‘m beet een jaar later, heb ik geen alcohol meer aangeraakt. Kwam dat nou alleen door de kater van die 24 bier in Vlijmen? Natuurlijk niet. Dat was de beroemde druppel die de emmer deed overlopen. Het laatste bewijs dat je op mijn leeftijd niet meer ongestraft te veel kunt drinken. Dat je twee dagen van de leg bent als je een keertje stevig doorpakt. En dat zulks best zonde is van je kostbare tijd.

Tel daarbij op dat ik een onmatige persoonlijkheidsstructuur bezit en dus niet zo goed ben in een verstandig regime van één glaasje per dag, en je snapt dat er weinig anders op zat dan radicaal stoppen. Voor onbepaalde tijd. Met alle mitsen, maren en uitvluchten. Want het is geen aangenomen werk. En als ik weer wil beginnen, doe ik dat gewoon. Hoor.

Enfin: zo zijn we inmiddels een jaar verder en dat jaar is niet onopgemerkt voorbijgegaan. Mijn omgeving, die me kent als een trouwe klant aan de bar of bij een proeverij, moest ernstig wennen. En ik ook wel. Er kwamen inzichten. Leuke en minder leuke. Die inzichten wil ik met jullie delen. Ter inspiratie. Of juist niet.

1. Van mij hoef je niet.

Jan Heemskerk stopte vorig jaar met drinken. Dit zijn de inzichten die hij kreeg
© Anna Maria Kiosse

Een bekend fenomeen: zodra je ergens aan ‘meedoet’, zie je overal berichten die jouw keuzes en gedrag bevestigen. Had ik vroeger een scherp oog voor nieuwtjes als ‘Rode Wijn Probaat Middel Tegen Hartkwaal’, nu lees ik overal de verschrikkelijkste verhalen over de verwoestende werking van alcohol op het menselijk lichaam. Zo veel zelfs, dat het bijna geen toeval meer kan wezen. En inderdaad: zoals ook deze editie van Volkskrant Magazine bewijst, is alcohol hard op weg het nieuwe roken te worden en is er een fanatieke lobby in opkomst die het liefst zou zien dat ons biertje net zo verboden wordt als coke en heroïne.

Ik wil graag opmerken dat ik deze ontwikkeling betreur. Ik rook al jaren niet meer, maar mag nog altijd graag bij de dappere verschoppelingen in de achtertuin staan; ik drink – ‘momenteel’, zeg ik er telkens bij – niet meer, maar ik kom emotioneel in opstand tegen de gedachte dat ons alweer een genotmiddel wordt ‘ontnomen’. Ik gun niemand een dubbele levercirrose of een set teerlongen, maar voor je het weet eten we allemaal sla, moeten we verplicht elke ochtend veertig baantjes trekken in een kil sportfondsenbad, enkel seks hebben ten bate van de voortplanting en stipt om 10 uur ’s avonds naar bed.

Ik kan het niet bewijzen, maar volgens mij is het goed voor je om af en toe iets te doen wat slecht voor je is. Dus zolang de baten nog opwegen tegen de kosten, zou ik zeggen: lekker doorzuipen.

2. Zonder alcohol heb je meer remmingen

Meestal zeggen ze het andersom – mét alcohol heb je minder remmingen. Ik kan dan ook terugkijken op een indrukwekkende lijst aan ongeremde dingen die ik onder invloed van alcohol heb ondernomen. Verreweg de meeste in de categorie ‘eindelijk tegen vrouwen durven zeggen hoe ik me voel en hopen dat zij er – al dan niet eveneens ongeremd vanwege de alcohol – hetzelfde over denken, zodat we op enig moment de liefde kunnen gaan bedrijven’.

Ik durf wel zo ver te gaan dat 80 procent van mijn liefdesleven nooit zou hebben plaatsgegrepen als er geen alcohol zou hebben bestaan. Is dat sneu? Dat zal best. Maar we zijn niet allemaal gezegend met het talent of het uiterlijk om bij aantrekkelijke vrouwen vanzelf en onbevreesd de juiste snaar te raken. Verder wil ik opmerken dat ik nooit of te nimmer een agressieve, opdringerige of onbeleefde dronk heb gehad – dat soort ongeremdheid is te allen tijde ongewenst. Ik word juist lief en extreem knuffelig. En net iets te eerlijk.

Drink je niet, is het heel wat moeilijker de sprong te wagen en een mooie vrouw de waarheid te vertellen. Alles wat je wilt zeggen, stokt al in je keel vanwege corny of te direct. In het kille licht van de nuchterheid lijkt het bovendien kraakhelder dat niemand zit te wachten op een oude man met een bril en eigenlijk is de situatie dus al uitzichtloos voor je goed en wel bent begonnen. Gelukkig ben ik al gelukkig getrouwd en hebben we Netflix en kruidenthee.

Hoe dan ook: het is wel even zoeken hoe je een gesprek optuigt zonder de alcohol die alles meteen zoveel leuker en interessanter maakt. Een laatste opmerking over dit onderwerp, speciaal voor vrouwen: over het algemeen is een nuchtere man – ook al was-ie de hele avond wat stilletjes – aan het eind van de avond heel wat beter in staat behoorlijke seks met je te hebben dan eentje die zes flessen Spätburgunder door zijn bloedbaan heeft suizen. Ik geef het maar ter overweging mee.

3. Dronken mensen lullen behoorlijk slap

Jan Heemskerk stopte vorig jaar met drinken. Dit zijn de inzichten die hij kreeg
© Anna Maria Kiosse

In retrospect kan ik me diep schamen voor de onzin die ik in aangeschoten staat moet hebben uitgebraakt op feestjes, als de hele-late-avondconversatie van mijn lieve vrienden maatgevend mag zijn voor mijn niveau van toen ik nog alcohol dronk. Kennelijk vertellen we – als we in de lorum zijn – zonder enig spoor van gêne drie keer per avond hetzelfde verhaal aan dezelfde persoon, alleen steeds luider en onverstaanbaarder. En kennelijk hindert ons dat als eveneens bezopen toehoorder op geen enkele manier, wat dan wel weer lief en praktisch is. De nuchtere feestganger, echter, is aanvankelijk verbaasd (wat staat die gast daar vreemd te zwaaien op zijn poten), dan geamuseerd (tering, die gast komt écht niet meer uit zijn woorden) en ten slotte eenzaam. Want terwijl de rest van het gezelschap gelijk opgaand wegzweeft naar hogere sferen, blijf jij achter met beide benen op de grond en niemand om mee te praten, behalve dat ene malle kruidenvrouwtje dat ook niet drinkt. Want de mensen hebben nog net wel in de gaten dat jij in de gaten hebt dat ze dronken zijn en mijden je dus als de builenpest.

Gevolg is dat je bij de meeste feestjes een paar uur eerder afzwaait dan de rest. En wel op het moment dat je normaal gesproken besluit dat het een tópfeest is, je nog veel meer moet drinken en het vreselijk laat moet maken en onopvallend moet loensen naar de buurvrouw met de prominente tepels. Je mist zo wel het deel van het feest waarover nog jaren wordt gesproken, namelijk de poging-tot-stiekeme-pijppartij in het steegje, featuring voetbalvriend en ‘vrouw met prominente tepels’, maar daar staat dan weer tegenover dat je niet zelf het onderwerp van deze legende bent geworden.

4. Je vrienden krijgen een hekel aan je (en willen dat je weer gaat drinken)

Aanvankelijk oogst je lof. Man, wat oogst je een lof. Al je vrienden scheppen over je op: ‘Ik heb een vriend en die is gestopt met drinken!’ Op verjaardagen komen mensen aan je glas ruiken of er echt geen vieuxtje in de cola drijft. Iedereen vindt het reuzeknap en ook dat je er goed uitziet.

Maar na een paar weken is het nieuwtje er wel af. Mensen beginnen voorzichtig te vragen wanneer je weer eens gezellig een wijntje neemt. Ja, nee, ze bedoelen: het is nu toch wel mooi geweest? Je lever is vast weer babyroze en tot menselijke proporties geslonken? We moeten het niet gaan overdrijven en ons zeker niet aanstellen en uitsloven.

Het wordt steeds ietsje grimmiger. Als je in een restaurant zit, wordt vanaf tafel drie in de hoek door wat lolbroeken om de tien minuten muntthee bezorgd. Er wordt nu stevig aangedrongen en hier en daar wordt een ultimatum gesteld: met Kerst moet je écht weer gewoon gaan drinken, anders is het raar!

Er wordt inmiddels ook voorzichtig geïnformeerd of je soms van plan bent nooit meer te drinken, op een toon van ‘dan moet ik nog eens goed nadenken of we vrienden kunnen blijven’. En antwoord je dan naar waarheid dat je dat écht nog niet weet, het rustig een tijdje aankijkt, wel lekker gaat zo, misschien ooit, alleen in het weekend, wie zal het zeggen, elke dag is er toch weer eentje, enzovoort, wordt dat opgelucht opgevat als een teken dat nog niet alles verloren is.

Dus durf je niet hardop te zeggen dat je eigenlijk misschien wel inderdaad nooit meer wilt drinken, ook niet een beetje. Niet alleen omdat je dan bang bent dat je anders geen vrienden meer overhoudt, ook omdat je vreest dat je dan in no time weer op je oude ‘niveau’ zit, slappeling die je bent. En dat, zoveel is wel duidelijk, wil je echt niet meer.

Uiteindelijk dringt het tot je door dat al die boze mensen die je weer aan het drinken willen hebben en je nuchter maar een saaie piet vinden, en een afvallige gelovige, door jou telkens worden geconfronteerd met hoe het anders, en misschien zelfs beter kan. En dat hebben ze liever niet. En dat snap je ook. En dat wil je ook niet, die nare spiegel zijn. Maar het gaat je toch net iets te ver om weer te gaan drinken om je vrienden een goed gevoel over zichzelf te geven: ‘Zie je, hij drinkt ook gewoon weer’. Nou ja. Uiteindelijk zal iedereen er wel aan wennen.

5. Je hebt geen katers

Jan Heemskerk stopte vorig jaar met drinken. Dit zijn de inzichten die hij kreeg
© Anna Maria Kiosse

Nummer één supervoordeel van niet drinken: je hebt geen katers. En: je hoeft dus ook niet op te zien tegen feesten en partijen. Want dat deed je, blijkt nu: opzien tegen elke gelegenheid waar alcohol werd geschonken. Omdat na de pret altijd de kater komt. En je de day after dus wel kunt afschrijven, want die kater is dusdanig verschrikkelijk, dat je niet veel verder komt dan paracetamolletjes poppen en op de bank hangen, met een lodderoog op de televisie gemikt. Nu je niet meer drinkt, blijkt: je was laatste tijd als de dood voor de kater. En dat bedierf eigenlijk alle plezier in je sociale leven.

Moet je nu eens kijken. Met gemak werk je drie soirees per weekend af, je bent zonder morren de Bob én je staat ’s ochtends bij het krieken van de dag klaar om je kroost naar voetbal te brengen. Het ergste wat je overkomt is dat je ‘een beetje moe’ bent als het erg laat is geworden, en dat is maar zelden, zie boven. Paradoxaal genoeg heb je er als onthouder dus juist veel meer zin in dan vroeger, feestjes. Gezellig! En de volgende ochtend is er dat pure en onversneden geluksmoment: geen kater, geen hoofdpijn, geen droge bek, niet misselijk, geen grote delen van de avond kwijt, niets, maar dan ook niets aan het handje.

6. Je valt er wel lekker van af (en je bent fitter)

Ik was 10 kilo afgevallen met een strak regime van schijf van vijf en sportief gedoe. Maar ik woog nog altijd meer dan 100 kilo. Op mijn vraag ‘wat kan ik nog meer doen om door die grens van 100 kilo te breken?’, antwoordde mijn diëtist: ‘Minder drinken. Maximaal één glas rode wijn per dag.’ Ik stopte (ik zei al: ik ben niet de man voor één glaasje per dag) en viel prompt nog eens 10 kilo af. Alleen maar door van alcohol af te blijven.

Dus ik zie er inderdaad een stuk jonger en beter uit, voor een oude man met een bril. En ik ben vermoedelijk gezonder dan ik in decennia ben geweest, hoewel je dat natuurlijk nooit zeker weet en we allemaal een oma hebben die 106 is geworden op zware shag en elke dag een halve liter citroenjenever. Ten slotte ben ik ¿ dankzij het cumulatief effect van gezond eten, meer sporten en niets meer drinken ¿ natuurlijk veel fitter. Al is het effect minder spectaculair dan ik had gehoopt. Ik had gehoopt van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat als een afgetraind Duracellkonijn door het leven te stuiteren. Oneindig energiek en onvermoeibaar. Maar dat zit er – vanwege de leeftijd, waarschijnlijk – niet meer in. Het komt neer op: omdat je gezonder leeft, weet je je energielevels op het peil van tien jaar geleden te houden. Het remmen van het verval is denkelijk het hoogst haalbare. Bovendien, je went aan het feit dat je fitter bent en vergeet wat voor dweil je eerder was.

Jan Heemskerk stopte vorig jaar met drinken. Dit zijn de inzichten die hij kreeg
© Anna Maria Kiosse

7. Er is geen alternatief voor drank.

Als je niet drinkt, wat drink je dan? Ik vroeg het vele keren aan de professionals in het restaurant en het meest gehoorde antwoord is: water. Dat had ik zelf kunnen verzinnen. Ook werd mij een aantal keren een virgin cocktail aangeboden, soms een Heineken 0.0, één keer een geheimzinnige potentieversterkende thee uit Malawi, hippe tonic en veel gemberhoudende frisdranken, hippe Scandinavische vlierbessenlimonade en het gruwelijke Radler, waartegen je vreemd genoeg toch telkens willoos ‘ja’ zegt. De nieuwste trend: Japanse azijn, u hoorde het hier voor het eerst. Gewone, chemische fris, tenslotte, daar deed en doe je me geen lol mee. Ook niet in de zero-variant.

Keuze genoeg, maar zit er nou een winnaar bij? Niet echt. Geen drankje waar je, zoals met bier, chardonnay of G&T, de hele avond lekker op gaat. Ik heb me vaak afgevraagd waarom je niet met hetzelfde gemak drie liter gingerale drinkt als negen pijpjes Jupiler. Waarom je met geen mogelijkheid negen pijpjes Jever Fun krijgt weggewerkt, terwijl dat toch een echt heerlijk fijnhoppig ‘Duits’ alcoholvrij biertje is. Het antwoord is: alcohol. Het magische ingrediënt is alcohol. Probeer maar eens gedealcoholiseerde wijn. Bestaat. Niet te zuipen. En ik ben echt niet moeilijk, hoor. Het blijkt gewoon dat je ergens alleen enorme hoeveelheden van kunt drinken als er alcohol in zit. Omdát er alcohol in zit. Die maakt het ‘lekker’. En als niet-drinker ben je dus veroordeeld tot een misselijkmakende cocktail van een-paar-glaasjes-van-vanalles. Of water. Hebben de professionals toch weer gelijk.

8. Stoppen was best makkelijk

Ik ben niet op een missie om iedereen van het drinken af te brengen

Toen ik stopte met roken, ging ik cold turkey. Daar keken veel mensen van op. Want ik rookte anderhalf pakje per dag. Ik keek er zelf ook wel een beetje van op. Maar door mijn slechte voorbeeld waren mijn twee oudste kinderen ook gaan roken en bovendien hoestte ik elke dag mijn longen uit mijn lijf. Schuldgevoel en acute doodsangst waren blijkbaar voldoende motivatie om van de peuken af te blijven. Sterke motivatie is het halve werk. En je moet er dus aan toe zijn – weer die kosten-batenanalyse.

Wat ik wel merkte, en nu weer: veel hangt samen met gewoonte. Het is onvoorstelbaar hoeveel momenten op de dag je onbewust koppelt aan een sigaret of, ietsje minder vaak, aan een glas wijn. Dat zijn de momenten dat het erom spant; maar zet je een paar weken door, begint die koppeling al wat te vervagen in je systeem en na een jaartje denk je er soms dagenlang niet meer over na dat je geen alcohol hebt gedronken.

Ik kan natuurlijk niet voor anderen spreken, en – zie punt 1 – ik ben ook niet op een missie om iedereen van het drinken af te brengen, maar het is misschien een geruststellende gedachte dat alcoholgebruik voor driekwart een kwestie van gewoonte is. En dat je nee kunt zeggen, in plaats van ja. Het is – extreme gevallen daargelaten – niet dat je kokhalzend en stuiptrekkend over de grond gaat rollen als je een avond frisdrank neemt. Sterker, van fysieke afkickverschijnselen geen spoor, eerder omgekeerd: ik sliep meteen beter en was beduidend minder vaak nerveus – terwijl ik toch menigmaal een drankje had gepakt om de zenuwen in bedwang te houden.

9. Het is wel eng spul, alcohol.

Dat ik het hele jaar geen alcohol heb aangeraakt, is trouwens technisch gesproken niet waar. We hadden de boot verkocht en namen champagne mee voor de nieuwe eigenaars. Die erop stonden dat we met z’n allen op de plechtige gelegenheid zouden proosten. Ik kreeg een glas, had geen zin het uit te leggen en maakte mijn lippen nat. En ik zweer je: meteen sloeg het systeem aan. Een gloeiend gevoel van welbehagen, drie solide smoesjes waarom ik dat glas nou net zo goed kon leegdrinken, een schuin oog naar de fles, of er misschien nóg een glaasje inzat en een jubelende fanfare met discolampen. Ik schrok me dood en schonk het glaasje leeg in dat van mevrouw Heemskerk. Alcohol verliest niet snel zijn greep.

Parkiet op wielen – Christiaan Weijts

Dat je voor lul rijdt op een deelfiets vermoedde ik al, maar nu dit grootsteedse fenomeen zich over ons hele land gaat verspreiden (Den Haag wil ze, net als Dordrecht, Utrecht, Maastricht…) moest ik dat maar eens proefondervindelijk vaststellen.

Ach, het valt best mee, op zo’n Rotterdamse oBike. Als je tenminste een piepklein Aziaatje bent, zo stel ik me voor. Met worstenkuiten. Want allemachtig, wat trappen ze zwaar, alsof de velgen aanlopen. Twee keer wissel ik van exemplaar, maar het hoort kennelijk. En zelfs in de hoogste zadelstand is de oBike alleen met o-benen te berijden.

Lotgenoten zie ik nergens, op m’n tochtje door het centrum en Delfshaven. Wel halen ov-fietsen me in, bij bosjes. Oer-Hollandse rossen, voor vier euro per etmaal, waar ik één euro per uur betaal voor een grijs-gele parkiet, wier soortgenoten overal aan de kant staan gestald en gekwakt. Op de koop toe krijg ik dezelfde spottende blikken als toen ik eens met een rolkoffertje over het Rokin liep.

Waarom zijn dit eigenlijk déélfietsen? De gebruikers hebben ze niet collectief in bezit. Dat heeft alleen een bedrijf dat domweg op een nieuw verhuurmodel mikt. Airbnb en Uber achterna. Delen, dat klinkt heerlijk moestuinerig. Tel daar de kosmopolitische allure van Barcelona en Parijs bij op en kassa.

Halverwege de Nieuwe Binnenweg dringt één conclusie zich op. Het ooit zo moppige hippiemeisje van de deeleconomie is een derderangssloerie geworden, die hele stadsbesturen weet op te geilen met haar praatjes: ‘Net als in Parijs…’

Ach, Parijs! Waar fietsen, zoals overal buiten ons zompige vlaklandje, een outdoor activity is, levensgevaarlijk zonder helm. Hier heeft iedereen boven de twee zijn eigen fiets, en hoeveel verdiepingen je die stallingen ook uitbreidt, binnen drie tellen zijn ze volgestroomd met zeeën van glimmende stuurstangen. Daar moet al dat geel-grijze schroot straks nog bij. Plus dat van de concurrenten, die allemaal hebberig met hun kleurige strooifietsjes klaarstaan op de stoep. Amsterdam is het spuugzat en wil al die fietsen weer weghalen. Elders liggen ze nog in katzwijm bij de hete beloftes van de geldbeluste deeldel.

O ja, ik begrijp de wrevelige blikken wel die ik en mijn o-benen opvangen van stratenmakers en winkeliers. Daar ben ik: de toerist. Die je portiek onderkotst en die je straten verziekt met het gegrom van z’n rolkoffertje. En die je lucht vervuilt en je nachtrust komt verstoren met z’n budgetvluchten. En die lukraak z’n fiets ergens neerkwakt, blij toe van het kreng te zijn verlost. Het enige wat we werkelijk delen is ergernis.

Hoe robots ons kunnen helpen in tijden van oorlog – Sietse Bruggeling

Automatische, autonome systemen voor een humanere vorm van oorlogvoering

De discussie over ‘killer robots’ is doortrokken van fabels en hyperbolen. Terwijl automatische en onbemande systemen juist kunnen bijdragen aan een humanere vorm van oorlogvoering, stelt Sietse Bruggeling, die films maakte over nieuwe technologiën van Defensie.

Robots die zich tegen de mens keren, robots die de wereld overnemen, het zijn scenario’s waarover al decennia sciencefictionfilms worden gemaakt. In essentie verschillen blockbusters als Terminator en The Matrix weinig van het verhaal van de Golem die al in de vroege Talmoed opduikt. Rode draad is dat de mens wordt verslagen door iets dat hij zelf heeft gecreëerd, en dat geen last geeft van een geweten. De angst daarvoor is dus al heel oud.

De afgelopen weken kon je bijna gaan denken dat dit schrikbeeld werkelijkheid was geworden. Want precies dit soort Terminator-achtige scenario’s werden in de media geschetst in artikelen over de toekomst van oorlogsvoering. Aanleiding: een open brief van meer dan honderd robotica-experts aan de Verenigde Naties. In die brief waarschuwen wetenschappers en ceo’s van bedrijven in kunstmatige intelligentie voor autonome wapensystemen. ‘Dodelijke autonome wapens dreigen een derde revolutie te worden in oorlogvoering,’ schrijven ze. ‘Dit kunnen nietsontziende wapens zijn, wapens die despoten en terroristen gebruiken tegen onschuldige bevolkingsgroepen, wapens die gehackt worden zodat ze zich op onwenselijke manieren gaan gedragen.’

Er woedt al langer discussie over de risico’s van automatisering in defensieorganisaties, en die beperkt zich niet tot het gevaar van hacken

De open brief heeft vrijwel in elke krant gestaan en is steeds uitgelegd als een noodkreet tegen zogenoemde killer robots. Tesla-baas en medeondertekenaar Elon Musk gooide deze week nog wat olie op het vuur door op Twitter te waarschuwen dat artificiële intelligentie zal leiden tot een Derde Wereldoorlog.

Er woedt al langer discussie over de risico’s van automatisering in defensieorganisaties, en die beperkt zich niet tot het gevaar van hacken. Een deels geautomatiseerd leger zou volgens sommigen tot kille, onmenselijke beslissingen leiden. Het voorbeeld bij uitstek dat hierbij keer op keer van stal wordt gehaald, is de Reaper, een drone die door de Verenigde Staten in uiteenlopende gebieden wordt ingezet. In de beeldvorming over de Reaper is de piloot van het vliegtuig de menselijke maat compleet uit het oog verloren, omdat hij het bestuurt vanuit een container, ver weg van het slagveld. Hij tuurt naar een monitor en drukt op een knop met alle gevolgen van dien, behalve voor hemzelf. Als zijn vrouw bij het avondeten vraagt: ‘Hoe was het op het werk vandaag schat?’, dan zegt hij: ‘saai’ en aait zijn kinderen nog een keer over de bol. Zijn werk is een computerspel geworden, vrij van morele dilemma’s.

Uit diverse Amerikaanse onderzoeken blijkt dat veel drone-bestuurders kampen met posttraumatische stress

Ik heb de laatste jaren veel films gemaakt over nieuwe technologieën voor Defensie, onder andere voor onderzoeks- en adviesbureau TNO. En ik merk dat er een wijde kloof gaapt tussen het beeld dat deze nieuwe wapens oproepen en de complexe praktijk, waarin dingen goed en fout gaan. Een kritische discussie over autonome wapens is dan ook van levensbelang. Maar dan moeten feiten wel van fabels worden gescheiden.

Neem de angstaanjagende Reaper. Dat is géén autonoom wapen. Een Reaper is erop gebouwd om langdurig te hangen boven een gebied, bijvoorbeeld een dorp. Met behulp van sensoren registreert het wie er allemaal in dat dorp komen, en welk verkeer er doorheen rijdt. Het vliegtuig hangt daar om vijanden te traceren en eventueel uit te schakelen. Maar wat de Reaper ook registreert, het zijn altijd mensen die naar die beelden kijken en ze interpreteren. Het zijn vervolgens ook mensen die de beslissing nemen om bijvoorbeeld tot bombarderen over te gaan. Dan gaat het dus niet over één piloot. Want naast hem zit de zogeheten ‘sensor operator’, die de sensoren bestuurt en kan inzoomen en uitzoomen. Hij functioneert als beeldanalist, en het is zijn taak te bepalen of de persoon op zijn scherm een riek vasthoudt of een kalasjnikov.

Ten onrechte wordt de Reaper vaak met emotionele afstandelijkheid en afstomping geassocieerd. Omdat de drone zo lang boven een dorp kan vliegen, kunnen de bemanningsleden in de container nauwgezet volgen wanneer bijvoorbeeld de school in het dorp uitgaat, en zien hoe ouders hun kinderen ophalen. Die bemanningsleden gaan ’s avonds na hun dienst gewoon weer naar huis, terug naar hun eigen leven, dat vaak niet zoveel verschilt van wat ze die dag op hun schermen hebben gezien. Juist daardoor is van afstomping geen sprake. Integendeel, uit diverse Amerikaanse onderzoeken blijkt dat veel drone-bestuurders kampen met posttraumatische stress. Zo stelt onderzoeker Jean Lin Otto: ‘Bemanningen van drones kijken vaak dagen naar hetzelfde gebied en zijn getuige van het bloedbad. Piloten van bemande vliegtuigen doen dat niet. Zij vliegen na het gooien van een bom zo snel mogelijk weg.’

Een belangrijk aspect van onbemande systemen is dat meerdere mensen kunnen meekijken en meedenken. Dat kunnen juristen zijn die de juridische consequenties van een militaire beslissing kunnen afwegen, maar ook kenners van een bepaalde cultuur, die onbekende gebruiken kunnen duiden. Resultaat: beter getoetste en dus nauwkeuriger besluiten.

Duidelijk is dat mens en machine uitstekend kunnen samenwerken. En het zou enorme militaire voordelen opleveren als we slimmer gebruik leren maken van de enorme hoeveelheden data die onbemande systemen kunnen opslaan. De camera van de Reaper bijvoorbeeld kan in een stad ter grootte van Den Haag alle auto’s waarnemen. Omdat geen mens in staat is al die auto’s op een beeldscherm te volgen, wordt er nu onderzoek gedaan naar algoritmes die dat wel kunnen. In de toekomst zouden we de computer dan een opdracht kunnen geven als: geef mij een melding als je een auto met een noodvaart op het Binnenhof ziet afgaan. Het systeem analyseert dan zelf de gegevens (snelheid, locatie, richting), trekt daaruit een conclusie, en pling! Een analist kan vervolgens beoordelen wat er aan de hand is: komt de koning onverwachts op bezoek of is dit een terrorist?

Dit soort algoritmes worden nu al ingezet om militairen te helpen beslissingen te nemen. Maar wat nu als je ernstig bedreigd wordt en geen tijd hebt om alles en iedereen te raadplegen? Dan zou je een systeem willen dat zelf redeneert en razendsnel tot het juiste besluit overgaat.

Bij een autonoom wapen spelen kwesties als: in welke situatie moet het ingrijpen, en op welke manier? Hoeveel is een mensenleven waard?

De Goalkeeper is een voorbeeld van zo’n systeem. Dat is een automatische mitrailleur die wordt gebruikt op marineschepen en die zelf reageert op basis van vooraf bedachte regels: er komt iets met hoge snelheid deze kant op, het is van metaal, het is nu heel dichtbij, ik schiet. Maar zelfs voor de Goalkeeper geldt: de keuze om te schieten blijft bij de mens. Want het zijn mensen die de regels invoeren waarlangs dit systeem redeneert.

Een consequentie van de keuze voor autonome systemen is dat mensen van tevoren moeten bedenken hoe een wapen zich dient te gedragen.

De discussie begint met de vraag: wat is een autonoom wapen? Zelfs daarover is nog niet iedereen het eens. In elk geval kunnen we zeggen dat een wapen autonoom te noemen is als het in een situatie terechtkomt die we niet van te voren hebben bedacht en het systeem een keuze moet maken. Je kunt het vergelijken met een zelfrijdende auto die een fietser tegen komt die door rood rijdt en moet afwegen: rijd ik door en verwond ik de fietser, of rijd ik tegen een boom en verwond ik de inzittenden?

Bij een autonoom wapen spelen kwesties als: in welke situatie moet het ingrijpen, en op welke manier? Hoeveel is een mensenleven waard? De vragen die nu bij de VN op tafel liggen, hebben dan ook een sterk ethisch karakter.

Daarover moeten we het met z’n allen eens worden, want Defensie is een uitvoerende organisatie, die alleen doet waartoe het door de politiek wordt opgedragen. Zoals de opstellers van de brandbrief over killer robots terecht betogen, moeten we de totstandkoming van de regels voor autonome wapens niet alleen overlaten aan robotbouwers.

Ook andere netelige punten verdienen onze aandacht. Hoe voorkomen we dat deze wapens in verkeerde handen vallen of worden gehackt? En als we zelflerende wapens willen, nog weer een stap verder in het automatiseringsproces, van wie moeten ze dan leren? In elk geval niet van strijdende groepen als IS. Over dit soort vraagstukken zouden politici, burgers, ngo’s en journalisten zich veel meer moeten buigen.

Als het ons lukt daarover een intelligente discussie te voeren, zonder fabels en horrorverhalen, kunnen autonome en onbemande systemen ons helpen te bereiken wat we met z’n allen zo graag willen: minder oorlogsslachtoffers. Door vroegtijdig dreiging te herkennen. Door scherper onderscheid te maken tussen verschillende groepen, maar ook te analyseren op gedrag, niet op uiterlijk om zo burgers beter te kunnen beschermen. Door wapens zo precies mogelijk in te zetten met zo min mogelijk collateral damage.

Op dit moment zijn er helaas nog genoeg voorbeelden van oorlogssituaties waarin niet of nauwelijks van zulke systemen gebruik wordt gemaakt. Kijk naar Syrië, waarin hele steden in de as worden gelegd om de laatste IS-strijders weg te krijgen.

De bekende Chinese wijsgeer Sun Tzu schreef 400 jaar voor Christus al in zijn Kunst van het oorlogvoeren, een boek dat menig generaal op zijn nachtkastje heeft liggen: ‘Zoals water zijn stroom varieert in overeenstemming met de glooiing van het land, zo varieert een leger zijn methode om de overwinning te behalen in overeenstemming met de vijand.’

We hebben nu een kans om democratisch te bepalen wat onze toekomstige manier van oorlogvoeren gaat worden. Die moeten we niet laten voorbijgaan door ons te verliezen in sciencefiction-scenario’s. Als het gaat om het sparen van levens, kunnen we alle hulp gebruiken. Ook die van robots.

NPO3 – Marcel van Roosmalen

Ik kan me de dag nog herinneren dat Nederland 3 Velp bereikte. Het was op de avond van Ajax-KV Mechelen in 1988. Dat soort Europacupfinales had je toen nog. Het was tot op het laatst onduidelijk of de uithoeken van het land ook op tijd waren aangesloten op de nieuwe zender en we vroegen ons de hele dag al woedend af welke debiel had besloten om het voetbal daarop uit te gaan zenden.

„Ik ga de gemeente bellen”, zei mijn vader een kwartier voor de aftrap, want kabelmaatschappijen waren er nog niet.

„Hij gaat de gemeente bellen, hoor”, herhaalde mijn broertje spottend. Maar bij de aftrap plopte de zender ineens op.

Wij blij.

In het begin zonden ze op Nederland 3 vooral sport uit, daarna kwamen daar informatie en cultuur bij. Tegenwoordig is NPO3 een zender met programma’s voor ‘mensen die zich jong voelen’. Dinsdagavond, ik weet nog steeds niet wat me bezielde, keek ik drie programma’s achter elkaar op de zender. Elk format was in één zin samen te vatten.

Na First Dates (singles die daten met een camera erbij), Misbruikt (waarin Geraldine Kemper met in ieder shot een andere bril op haar hoofd een ongemakkelijk gesprek voerde met een onherkenbaar gemaakte moeder en haar dochter, die eerst misbruikt en nu gebruikt werd) en Spuiten & Slikken (waarin de presentatoren in zitzakken lagen te ‘dirty talken’: net zo lang geile zinnetjes in elkaars oor fluisteren totdat er – citaat Tim Hofman – „iets in de onderbroek van Jurre gebeurt”) wilde ik me niet eens meer jong voelen.

Ik was opeens zo oud, dat ik behoefte had aan iets moois. Iets met enige inhoud, iets waarover je gaat nadenken, iets wat beklijft. De zich jong voelende mensen die ik ken, lezen wel kranten en vinden een boek of film interessanter dan de fetisj van een man die graag met een hondenmasker op door een meester in de touwen wordt gehesen.

‘Jong’ is volgens de beleidsbepalers van NPO3 synoniem aan inhoudsloos geleuter van presentatoren die het heel erg met elkaar en met zichzelf getroffen hebben. NPO3 heeft dringend behoefte aan iemand die er een zender van maakt voor jonge mensen die wel ouder dan vijftien willen worden en die al die talenten met zitzak en al naar een museum stuurt, waar ze dan bij ieder schilderij een andere bril op mogen zetten. Aan een ouwe lul dus. En snel ook, anders ga ik de gemeente bellen.

Kooi – Ellen Deckwitz

„Die lege caviakooi”, zei mijn geliefde eind vorige week, „Doe je daar nog iets mee?” Hij wees op het stalen gevaarte waar mijn cavia’s, toen ze klein waren, in woonden. Tegenwoordig hield ik ze in een enorme stellage gemaakt van draadkubussen. Omdat ik nou eenmaal slordig ben stond de oude kooi nog steeds middenin mijn woonkamer, dat was handig want zo kon ik er schoenen, kranten, jassen en lege verpakkingen op kwijt. Mijn geliefde was het een doorn in het oog. Hij is erg opruimerig en maakt regelmatig ongevraagd mijn keuken schoon (ter mijn verdediging: ik kan andere dingen weer heel goed zoals ademhalen en brood eten). Zijn grootste ergernis was echter die lege kooi.

„Nee, ik doe er niets mee”, zei ik dus maar.

„Mag ik hem op Marktplaats zetten?”

„Okay.”

Een uur later werd de kooi opgehaald. Obstakel weg, woonkamer een stuk overzichtelijker. Ik was blij maar ook verbouwereerd. Ik had me heus ook wel geërgerd aan die kooi. Ik maakte allemaal plannen hoe ik ervanaf kon komen maar had nooit de doorzettingskracht. In één uurtje had mijn geliefde voor elkaar gekregen waar ik al een jaar tegenaan hikte.

„Ik stond erbij, keek ernaar en voelde me zo stom,” zei ik die avond tegen mijn zus.

„We hebben allemaal onze sterke en zwakke kanten”, zei mijn zus, „Jij hebt je zoogdieren altijd tip top in orde, een ander laat zijn tuin niet verslonzen.”

Toch bleef het knagen. Ik moest denken aan wat ik die dag had gelezen, Dankboek, van Ernst-Jan Pfauth, waarin hij het heeft over de lastige neiging van de moderne mens om altijd naar meer en beter te streven. Terwijl we daardoor vergeten om te koesteren wat we al hebben, wat we al kunnen. In ons streven zo multifuncti te zijn als een Zwitsers zakmes raken we dus alleen maar gefrustreerd.

Ik herkende mezelf daarin. Ook ik vind mezelf constant incompleet. Dat heeft zijn goede kanten (je werkt door, wil altijd een betere versie worden) maar het zorgt ook voor rusteloosheid. Je bent bij voorbaat al moe als je stilstaat bij hoeveel dromen je nog moet verwezenlijken om jezelf enigszins okay te vinden. Misschien is het goed om soms, zoals Pfauth betuigt, even stil te staan bij wat wél lukt. Wat je al wél hebt, zoals in mijn geval een woonkamer waarin de gasten niet meer hun nek breken over een leegstaande caviakooi. Mijn zus knikte.

„Misschien moeten we het gewoon simpel houden”, zei ze. „En als je van een kooi af wilt, moet je hem gewoon op Marktplaats zetten. Wie weet volgen de kooien in je hoofd dan vanzelf.”

Krachttraining? Belachelijk! – Renée van Nus

Zinloos trekken en trappen in een fitnesshal? Hang liever de was op of maal je eigen koffiebonen, weet .

Met het advies om twee maal per week krachttraining te doen, spant de Gezondheidsraad het paard achter de wagen. De afgelopen decennia hebben we iedere activiteit in ons dagelijks leven die enige spierkracht behoefde, vervangen door elektrische apparaten. Van koffie zetten tot afwassen, van matjes uitkloppen tot de was drogen, van gras maaien tot fietsen, het kon allemaal zoveel eenvoudiger met behulp van stroom vretende hulpmiddelen.

Terwijl wij achterover leunden en ons werk aan de elektronica overlieten, nam ons lichaam een logische maatregel. Wat nergens toe dient – lees: spieren – kan weg. Nu wij ons calorierijke fabrieksvoer met zo min mogelijk inspanning naar binnen schuiven, spaart ons lichaam al het overtollige op als reserve voor magere tijden. Die komen niet, zeker niet in het Westen. Maar weet dat lichaam veel!

Sinds dik zijn geen teken meer is van overvloed, maar eerder wijst op een gebrek aan discipline, sinds we weten dat obesitas ziek maakt, is meer bewegen hét motto. Eerst was een half uurtje per dag voldoende, nu moeten we zinloos rennen, trappen en trekken in een fitnesshal om toch maar die noodzakelijke spiermassa terug te krijgen.

Dat is niet het enige bezwaar tegen het advies van de Gezondheidsraad. Niet alleen ons huis-, tuin- en keuken-machinepark vreet stroom, dat geldt ook voor de martelwerktuigen in de fitnesshal. En wilden we niet juist ons energieverbruik onder controle krijgen of beter nog, verminderen? Maar die hal gaat pas open als de verlichting aan is, de airco draait en de film op het megascherm op ‘on’ staat. Weet de Gezondheidsraad hoeveel elektriciteit zo’n zaal per dag verbruikt?

Zou het niet veel milieuvriendelijker, duurzamer, gezonder en zelfs prettiger zijn als we alle overbodige apparaten bij de milieustraat inleveren? Als we zelf koffie malen (goed voor de armspieren), zelf onze matjes en kleden uitkloppen (buiten in de frisse lucht), zelf de was aan een lijn hangen (bukken, rekken, strekken) en met een gewone fiets tegen de wind in trappen (hartslag loopt gierend op) in plaats van onze energie volkomen zinloos te verspillen aan geestdodende, repeterende bewegingen in een akelige met neonbuizen verlichte loods?

Het advies van de Gezondheidsraad zou moeten luiden: doe zoveel mogelijk zelf, gebruik je spieren, laat je hart pompen en je bloed stromen, steek je neus buiten de deur en span je in.

Volg het advies van ANWB-leden en je eindigt in Sprookjeswonderland – Marcel van Roosmalen

Het gebeurde in een opwelling, zoals de hele vrijetijdsbesteding sinds twee kinderen ad hoc gebeurt. De Vriendin vond een foto van zichzelf als driejarige in een treintje. ‘Enkhuizen’ stond er met potlood bij geschreven. Ze oogde blij toen, herinnerde zich niet dat ze er iets aan had overgehouden en dus zaten we een kwartier later opeens met de hele bups in de auto op weg naar ‘Sprookjeswonderland’, een attractiepark voor gezinnen waarvoor De Efteling te duur of te ver weg is.

Onderweg verveelde ik iedereen met de herinnering dat ik 25 jaar geleden met mijn vader door Nederland fietste en dat we in Enkhuizen bij cafés naar pleisters vroegen omdat ik ergens voorbij Lelystad van de fiets was gevallen, maar dat ze die niet hadden in Enkhuizen.

Een sticker op het kassahokje van Sprookjeswonderland moest ons doen denken dat we de goede beslissing hadden genomen. In 2014 waren ze door de ANWB-leden gekozen tot leukste uitje van Noord-Holland. Dan leg je het als provincie wel af tegen collega’s als Gelderland, waar zo’n plek de toptien echt nooit zal halen, zelfs niet in oorlogstijd.

Wat zegt dit over de ANWB-leden, dacht ik terwijl ik met de oudste van twee op een plastic pony zat en we hotsend en klotsend over een rails werden getrokken. Op het plastic paard voor me een dikke oma, het kleinkind tussen de dijen geklemd. De vraag of die zwarte plastic pony dat ging houden, vond ik nog het spannendst.

Daarna naar het sprookjesbos.

Tafereeltjes van kabouters die de was deden, of kruideniertje speelden. Stond ik daar met andere vaders aan een hekje te rammelen, tot er een lap op een bezem tevoorschijn kwam die een heks moest voorstellen.

Een andere attractie was ‘geitje aaien’.

Ik lag met de oudste tussen de keutels terwijl ze een vingertje in het oor van een geitje stak. Het beest reageerde niet eens, gek geaaid als het was.

Het was leerzaam om eens tussen soortgenoten te verkeren.

Een andere vader had zijn baby naast een klein geitje gelegd.

Of ik een foto wilde maken?

“Weer een zaterdag voorbij, dus ja”, zei hij toen ik hem vroeg of hij een leuke dag had.

De lat lag niet zo hoog.

Het was niet het moment om mezelf op de borst te kloppen, maar ik vond ons er gunstig uit springen in vergelijking met de andere ouders. Wat ik verder overhield aan deze dag was dat ik onderzoeken gebaseerd op de mening van ANWB-leden nooit meer serieus ging nemen.

Ik ben een blueface – en dat is ook fijn – Rosanne Hertzberger

 

‘Negenentachtig procent van de mensen gebruikt hun telefoon in het verkeer.” Feitje in een nieuwe indringende Interpolis-reclame. Het begint onschuldig met proefpersonen die op een circuit rijden terwijl ze hun telefoon bedienen. We zien ze tegen plotseling stilstaande auto’s opbotsen en strobalen aan flarden rijden. Maar het venijn zit in de staart van de reclame: dan gaan ze in gesprek met een man, die hen vertelt over het ongeluk dat hij veroorzaakte terwijl hij met zijn carkit zat te klooien. Een jongetje overleed.

Tragisch. Dit jongetje werd slachtoffer van de oude en nieuwe wereld die op elkaar botsen. Onze telefoons zijn allemaal smart, onze auto’s nog allemaal dom. Ook nu vereist een hopeloos ouderwetse taak als het besturen van een voertuig honderd procent van onze concentratie, terwijl de smartphone in onze zak om aandacht zeurt. Over twintig jaar is zo’n ongeluk ondenkbaar. Niet omdat bestuurders bang zijn voor een rij-ontzegging als ze onder invloed van hun smartphone rijden. Ook niet omdat een sensor die file dan een paar honderd meter van tevoren al heeft zien aankomen en op tijd heeft ingegrepen. Nee, dat ongeluk had niet plaatsgevonden omdat die file er nooit was geweest. Ook de file is maar een voorbijgaand symptoom van de transitie naar de nieuwe tijd.

Ik kan niet wachten op die nieuwe tijd, want ik kijk veel liever op mijn telefoon dan op de weg. Op mijn telefoon vind ik alles. Mijn vrienden, het publieke debat, mijn foto’s, mijn boeken, de krant, muziek, radio, podcasts, televisie, mijn administratie, mijn notities. Stuk voor stuk interessanter dan sturen.

Een ‘blueface’ ben ik. Die morbide term leerde ik kennen uit het boek Is daar iemand? van Wouter van Noort over de consequenties van onze smartphone-verslaving. Die zijn niet gering: naast ongevallen veroorzaakt het stress, burnout, concentratieproblemen en depressie. Van Noort legt uit hoe Silicon Valley een soort gokkast ontwikkelde, een apparaatje dat volledig uitgerust is om ons verslaafd te maken en verslaafd te houden. Ook ik moet mezelf er zo nu en dan fysiek van weerhouden het ding niet in de plomp te gooien, zo gek word ik van de tijd en aandacht die het ding opslurpt.

Toch verrijkt het ding mijn leven. Ik herinner me eindeloze borstvoedingsessies terwijl ik gewoon met vriendinnen doorkletste op WhatsApp. Elke dag in de trein lees ik op mijn e-reader-app The Invention of Nature, de nieuwe magistrale biografie van Alexander von Humboldt, of ik doe alle andere klusjes, betaal de huur, beantwoord mijn email, regel een oppas. Forenzen is veel efficiënter en aangenamer geworden. Het voelt niet meer als louter verspilde tijd.

Dat Interpolis-filmpje is een terechte en dringende roep om je smartphone in de achterbak op te bergen tijdens het autorijden. Maar er verschenen de afgelopen jaren talloze andere alarmistische filmpjes over ons bluefaces. Ik zag een filmpje waar twee mogelijke geliefden elkaar mislopen omdat ze op hun telefoon aan het kijken waren. Ik zag een filmpje waar kinderen tevergeefs de aandacht van hun blueface-ouders proberen te trekken. Er gaat op Facebook zelfs een animatie rond waarin onder begeleiding van verdrietige muziek een kudde zombies rij voor rij de afgrond in marcheert al starend naar ons schermpje.

Een treincoupé vol bluefaces past naadloos in een van die filmpjes: de extreem geïndividualiseerde technologie-afhankelijke mens, die alleen nog virtueel door het leven gaat en geen flauw benul meer lijkt te hebben van waar of met wie hij zich in real timebevindt. Er ontbreekt echter een essentieel perspectief, dat van de blueface zelf. Als je op het schermpje meekijkt verdwijnt het pessimisme snel. Dan zie je oude en nieuwe vriendschappen herleven. Mensen die elkaar online toejuichen, feliciteren, omhelzen en troosten. Ik zie bijvoorbeeld de foto’s van de bruiloft van mijn zwager op de familie-app nog een keer voorbijkomen en herbeleef die prachtige dag. De bruid en bruidegom hadden elkaar juist ontmoet omdat zij op hun telefoon hadden gekeken en niet om zich heen op straat. De meest gebruikte emoji’s zijn hartjes, kusjes en vrolijke gezichtjes.

De telefoon leert steeds beter zijn plek kennen in ons leven, als aangename levenspartner, die zo nu en dan in zijn hok moet worden gestuurd, bij overgebruik of in het verkeer. Het is hoog tijd dat er een verplichte app komt, die ervoor zorgt dat je je telefoon alleen kan gebruiken als de motor uit staat. Voor de overgangsperiode in ieder geval. Tot de zelfrijdende auto ons komt verlossen.

Wormenezen – Marcel van Roosmalen

In de zoektocht naar een woning in de buurt van Amsterdam deden we ook het dorp van de schoonmoeder aan. Wormer. Eerst bekeken we het schitterende huis, op de hielen gezeten door een makelaar, die ook uit de kranten had begrepen dat iedereen uit Amsterdam ging vertrekken.

Ja, ja, we moesten dus snel beslissen.

Van schrik reden we bij het vertrek heel zachtjes tegen een fietsenrek. Dat rek had niks, wij ook niet, maar de voorkant van de auto lag er wel af. In afwachting van de ingeschakelde hulp namen we plaats op het terras van de ijssalon-koffietent-brasserie in het centrum.

Ik had me voorgenomen om de gedwongen aftocht uit het onbetaalbaar geworden Amsterdam te vieren als een overwinning. Wij waren trendsetters, de eerste verkennende sprinkhanen van wat de bewoners later als een plaag zouden gaan ervaren, omdat er voor hen geen woning meer overbleef en zij op hun beurt zouden moeten verhuizen vanwege al die Amsterdammers met kinderen. Het was een kwestie van je verlies nemen en over een paar jaar constateren dat je in 2017 heel slim bezig was geweest. En tot het zover was moesten we het zien te rooien met mensen die er nu woonden.

Van Wormer wist ik weinig. Martin Bosma van de PVV kwam er vandaan, Wolter Kroes kwam uit het eraan vastgekoekte Wormerveer en verder zag ik op Google dat ze er in het verleden weleens last hadden gehad van „spontane gaten” in weilanden.

„O, dat waren gewoon meteorieten”, zei de vriendin voor wie dit dorp geen geheimen kende.

„Hoe noemen jullie jezelf?”, vroeg ik de serveerster die nog gewoon met een kladblok de bestelling kwam opnemen. „Wormen?”

„Nee, Wormenezen”, zei de vrouw, op een toon alsof dat veel logischer was.

Ik bestelde een dubbele espresso, die nog kwam zonder grootsteeds schuimlaagje en met een koekje op het schoteltje. Bij het afrekenen hield ik, gewend aan contactloos betalen, het pasje tegen het pinapparaat.

„Je moet hem er natuurlijk in doen”, zei de vrouw.

„Ze zijn hier nog lekker ouderwets”, zei ik nogal opgewonden tegen de vriendin, maar die keek om zich heen en siste dat ik ‘normaal’ moest doen, waaruit ik de conclusie trok dat het best weleens Wormer zou kunnen worden.

„Wat vind jij van Wormer?”, vroeg ik een paar dagen later aan mijn bejaarde moeder en ik duwde haar de geplastificeerde brochure van het huis onder de neus. Ze wees me op de taalfout op het omslag, maar negeerde de vraag verder. Ze ging niet hardop zeggen wat ze dacht: ‘Nog verder bij mij vandaan en dan ook nog in dat dorp van die andere oma’.

Makelaar – Marcel van Roosmalen

Ik had weleens over makelaars gelezen. Over het jargon dat ze bezigden en over hoe makkelijk ze aan hun geld kwamen. Ik nam dat soort artikelen altijd met een korreltje zout. Typisch de geschreven media, dacht ik dan. Inmiddels weet ik beter. Alle vooroordelen kloppen en de werkelijkheid is nog erger. Met de weer stijgende huizenprijzen is de dienende houding die makelaars zich tijdens de crisis aanmaten verdwenen. Ze zijn weer helemaal zichzelf.

De afgelopen weken vond ik mezelf met aan mijn zijde telkens weer een andere makelaar terug in huizen die steeds verder van Amsterdam liggen. Telkens dezelfde gesprekken. Dat je maar het best zo snel mogelijk een zo hoog mogelijk bod kon uitbrengen, dat er veel belangstelling was en over hoe druk de makelaar het zelf had.

„Gekkenhuis.”

Ik leerde termen als ‘snel schakelen’ en ‘financieel gas geven’.

De eerste leugen kwam vaak al bij de voordeur.

De keer dat we voor de woning naast een schoolplein vol schreeuwende kinderen stonden moest de makelaarster haar stem ervoor verheffen: „Die kinderen hoor je niet.”

Gisteren raakten we de bodem.

We stonden voor een huis in een dorp op een makelaar te wachten. Ach, daar stapte hij bellend uit zijn verhoogde auto. Hij drukte ons een brochure in de hand. Een spelfout op de kaft.

Een karateristiek pand.

Hij was al lang actief, maar had nog nooit zo hard gewerkt als nu. Hij wilde ons nog wel binnenlaten, maar waarschuwde alvast dat we de vraagprijs uit ons hoofd moesten zetten. Wij toch naar binnen.

De makelaar in het halletje: „Dit is wonen!” Jammer dat de zon niet scheen, anders zouden we zien hoe licht het in de woning eigenlijk was. Ik wees hem erop dat de woning in Nederland ligt, een gebied waar wolkenvelden een veelvoorkomend verschijnsel zijn.

Hij ging ons voor in de woning waarvan hij net zo weinig of veel wist als wij. Deur open, deur dicht, alles was authentiek. De vriendin stond even stil voor de boekenkast en constateerde dat de huidige bewoners dezelfde boeken lazen als wij.

De makelaar: „De bewoners zeggen ook: je kunt hier heerlijk lezen.”

„Waarom gaan ze eigenlijk weg?”, informeerde ik.

„Scheiding”, zei de makelaar.

Hij mocht er niet te veel over zeggen, maar verklapte wel dat het met het beroep van meneer te maken had.

„Meneer is gezagvoerder bij de KLM, dat brengt een eigen dynamiek met zich mee.”

Hij trok de badkamerdeur open, constateerde een fantastische wastafel en een authentiek bad en zag net als wij een stewardessenuniform hangen.

„Is er ook een zolder?”, vroeg ik.

Antwoord: „Nee, wel een kelder. Leuk voor de wijnfles.”