Kersttruien – Marcel van Roosmalen

Het nieuwe huis stond naast de dorpsschool. Ik keek iedere dag naar het gedoe. Het halen en brengen, het lamlendige wachten op je kind achter dat hekje.

Op een ochtend werden we verrast door de aankomst van Sinterklaas. Deze keer kwam hij aan met een tractor.

Wij naar buiten.

Een vrouw met een kastanjekleurig kapsel, die het simultaan zwaaien met zaklampjes coördineerde, kwam van het schoolplein naar ons toegebeend. ‘Op hoge poten’, zou je kunnen schrijven, maar dat zou de werkelijkheid geweld aan doen.

De sint kwam van rechts, hadden we een brief over gehad, dus of we in verband met de zichtlijnen vanaf het schoolplein niet in ons voortuintje wilden blijven staan.

Ik dacht nog even dat ik met het hoofd van de school van doen had, maar ze was een hulpmoeder.

Gisteren was ze weer actief.

Ze vuurde in een groene kersttrui (dat doet niet ter zake, maar ik zeg het er graag even bij) een ploegje andere hulpmoeders aan. Vrouwen in gewatteerde jassen bij wie de zware decembermaand al begon te tekenen op de gezichten. Ze sjouwden statafels vanuit de school naar buiten.

„Kerstviering”, hijgde een hulpmoeder. „Alle ouders hebben iets gekookt en vanavond komt iedereen!”

Ze strekte haar arm en schetste een vergezicht.

„Daar en daar komen ook nog vuurkorven …”

De statafels waren bedoeld voor de rokende ouders- verzorgers. Dat waren er nogal wat, wist ik inmiddels, zodat die ook een leuke avond zouden hebben.

’s Avonds zag ik ze uit alle hoeken en gaten naar de school komen. Als mieren, het zelfbereide voedsel nog net niet boven het hoofd.

O, afschrikwekkend voorland.

Ik zag ons al, met baksels in zilverfolie, of nog in een pan in een rode plastic tas van de Vomar.

Alles uitstallen op aan elkaar geschakelde tafeltjes in het klaslokaal van de oudste dochter en daarna met een plastic bordje aanschuiven in de rij.

Gesprekken met hulpmoeders in kersttruien die maar blijven zeggen dat het er allemaal heerlijk uitziet, dat ze niet kunnen kiezen wat ze gaan eten en dat het altijd dezelfden zijn die alles moeten voorbereiden.

Buiten was inmiddels ook kerstmuziek.

De eerste ouders stonden al met een glühwein in de hand rondom een vuurkorf op het schoolplein. Zwijgen en in het vuur staren. Als je ertussen moest staan zou je kunnen denken: echt zo’n moment om weer te beginnen met roken.

Fabrikanten zijn dol op cijfers, maar dat is niet per se een succes – Teun van de Keuken

Cijfers zijn lekker. Je kunt anderen ermee overtroeven en het bos insturen. Je kunt er status aan ontlenen én je kunt er de indruk mee wekken heel exact te zijn. Geen wonder dat politici er dol op zijn.

Ook fabrikanten zijn niet wars van een klinkend getal op hun verpakking. Daarover straks meer, maar eerst een paar woorden over Herodotus, die in zijn Historiën geschiedkundig onderzoek afwisselt met een persoonlijk verslag van zijn verre reizen. Heeft hij de plaatsen die hij beschrijft werkelijk bezocht? Waarschijnlijk niet allemaal. Toch wekt hij de indruk van wel. Hiervoor gebruikte hij onder andere de truc van de onnauwkeurigheid. Door niet te zeggen dat er ergens precies drieëndertig mannen stonden, maar eerder te spreken over ‘een man of dertig, vijfendertig’, komt hij betrouwbaar over. Zo niet exact zijn ooggetuigen immers! Heel slim.

Jumbo doet ook zoiets. Op zijn pak bitterkoekjes staat ‘circa 23 stuks’. Wat voor een historicus werkt, is niet per se succesvol is in de supermarkt. Je vraagt je nu vooral af of de fabrikant wel weet hoeveel koekjes hij in zijn pakjes stopt. Doet hij er nu eens meer, dan weer minder in?

Fabrikanten zijn dol op percentages. Om aan te geven dat ergens minder van in zit: ‘Ribbelchips, met 55 procent minder vet’. Of juist meer: Douwe Egberts heeft koffie met ’40 procent meer aroma’ en Kneipp douchegel belooft ’25 procent meer genieten’. Maar meer of minder dan wat? Hoe meet je überhaupt het genietpercentage? En is dat wel voor iedere klant gelijk?

Het populairst op verpakkingen is de volle 100 procent. Glorix belooft ‘100 procent hygiëne’, Croky chips zijn ‘100 procent ok’ en Peijnenburg zero heeft 100 procent smaak. Nogal wiedes zou je zeggen. Probeer maar eens voedsel te maken met 75 procent smaak. Voor een kwart smaakt het helemaal nergens naar. Knap lastig.

Cheesepop, een wonderlijke gepofte kaassnack is ‘100 procent kaas, zonder toevoegingen’. Wat zijn de kleurstoffen E160b, E160a en het conserveermiddel E251 dan? Unox knaks is ‘bereid met 100 procent puur kwaliteitsvlees’. Klinkt goed, wat is het? 80 procent varkensvlees waarvan 33 procent separatorvlees. De één zijn kwaliteit, is de ander zijn rommel.

Triest is de Pritt-stift, die niet verder weet te komen dan ’90 procent natural ingredients’ en de belofte van Maandverband Always ultra is nietszeggend en enigszins zorgwekkend: ‘Up to 100 procent protection’. Dat kun je overal wel opzetten. Maar kom bij doorlekken niet klagen, want we hebben je gewaarschuwd!

Die koekenbakkers van Australian hebben twee percentages domweg bij elkaar opgeteld!

Kent u die types die zich voor duizend procent zullen inzetten? Ik zou ze nooit inhuren. Ze zijn dom of ze denken dat ik dom ben. Op een etalage in de buurt staat ‘101 procent Xenos ‘. Nét dat procentje meer. Leuk geprobeerd, toch gefaald.

En dan de chocoladerepen van het (niet Australische) Australian. Die bevatten 110 procent cacao. Wat blijkt? In een verpakking zitten twee reepjes met beide een cacaopercentage van 55 procent. Die koekenbakkers hebben die percentages domweg bij elkaar opgeteld! Zijn zij nu zo dom of denken ze dat ik gek ben? En als je die repen nu doormidden breekt? Heb je dan opeens 220 procent cacao? Laat de NVWA daar eens naar kijken.

Nick Cave – Marcel van Roosmalen

Nick Cave and the Bad Seeds deden de Ziggo Dome in Amsterdam. Op de dag van het concert belde de vrouw met wie ik in een ander leven samenwoonde in een kamer van twintig vierkante meter in het centrum van Nijmegen. Met haar twee katten, waarvan de oudste een darmprobleem had. Ik kon me weinig activiteit herinneren, behalve dat we zo vaak naar de cd The Good Son luisterden, dat ik me met terugwerkende kracht kan voorstellen waarom de andere bewoners van dat pand er gek van werden.

Ze had kaarten.

„We gaan”, zei ze beslist, alsof het weer 1990 was en we ieder moment naar kelder café Gonzo konden vertrekken. Volgens mij smeerden we toen zeep in onze haren.

Ze kwam in haar Volkswagen.

Ik had om in de sfeer te blijven maar iets met veel groenten gekookt, de maaltijden hingen toen van preitaarten en bietenschotels aan elkaar. De Vriendin parkeerde de jongste op haar schoot, een gesprek voeren ging niet met twee kleine kinderen erbij. Op de fiets van mijn huis naar de Ziggo Dome. Mijn idee: ik zei dat dat het meest praktisch was.

Het regende, ik kreeg een klapband. Dat was dan nog wel steeds hetzelfde, merkte ze iets te terloops op, dat al mijn goede ideeën altijd eindigden in chaos. Ze had zich vooraf veel van de avond voorgesteld, maar niet dat we ergens tussen de weilanden bij Duivendrecht in de stromende regen met een kapotte fiets zouden staan.

Bij de ingang vonden ze haar handtas te groot, toen de woede daarover gezakt was vonden we onszelf terug op de eerste ring, tussen zeventienduizend andere ANWB-leden op stoeltjes met kussentjes. We moesten alle twee een bril op omdat we het podium anders niet konden zien.

Eigenlijk was alleen Nick Cave niet ouder geworden.

Zij moest vier keer naar de wc.

Bier kostte anderhalf muntje.

Tijdens de laatste nummers werd het podium ingenomen door oudere jongeren, die hun leeftijd van zich af probeerden te dansen. Na afloop tussen mensen die het net als wij intens en schitterend hadden gevonden. Bijna iedereen was gestopt met roken.

De volgende dag meldde ze dat pas ze om twee uur ’s nachts haar auto in de vinexwijk parkeerde, vroeger begon het toen. Ze was geen muziek meer gaan luisteren, uit respect voor man en kinderen.

Het was fijn dat we gegaan waren, vooral omdat we anders spijt hadden gehad.

Wendy – Sylvia Witteman

Wendy, een zoektocht naar geluk heet het tijdschrift. Dat klinkt als een keukenmeidenroman, en ziet er ook een beetje zo uit: op de voorkant staat, in een pastelroze kadertje, het knappe hoofd van Humberto Tan met naast hem een blonde vrouw. Dat moet Wendy zijn.

Ik kende haar niet. Ik kijk zelden televisie, niet omdat ik daar boven sta, maar juist erónder: ik breng al mijn vrije tijd op internet door. En dat die zogeheten ‘filterbubbel’ echt bestaat, werd dus maar weer eens pijnlijk duidelijk: ook op internet was ik Wendy nooit bewust tegengekomen.

Na het eerste uur van afkickverschijnselen begon ik het echt leuk te vinden om te communiceren

Nog pijnlijker voor mij was het thema van dit Wendynummer, namelijk ‘Unplugged’ met als ondertitel ‘En nu de stekker eruit…LEKKER OFFLINE’. Oei, daar had Wendy me lelijk te pakken. In haar editorial las ik dat Wendy haar telefoon ‘voor de zoveelste keer in de plee liet vallen’ en toen ‘volledig in paniek’ raakte. Maar toen ‘gebeurde er iets. Ik keek om me heen en ging gesprekken aan. Tikte mensen op hun schouder en vroeg hoe het met ze ging. (…) Na het eerste uur van afkickverschijnselen begon ik het echt leuk te vinden om te communiceren’.

Een uur! Dat is nog te doen, eigenlijk.

Wendy begreep natuurlijk wél dat het moeilijk was om niet ‘in oude gewoontes te vervallen’. Daarom liet ze een ‘leuk dobbelspel maken, voor de hele familie. Dus scherm weg en speel mee! Ik daag je uit…’

Dat spel zat inderdaad bij het blad. 5 dobbelstenen en een boekje met instructies waar ik, ook na lang nadenken, niets van begreep. ‘Stel dat een speler 3 dobbelstenen gooit met dezelfde waarde, dan mag de speler kiezen voor een verdubbelaar. In dat geval gooit de speler 1X met de UNPLUG dobbelsteen. De letter die gegooid is mag op de scorekaart omcirkelt (sic!) worden.’

Eenmaal thuis verloor ik mijn duurbetaalde levenslessen als te kleine fietssleutels zonder sleutelhanger

Nee, dat spel ging mijn gezin niet achter de schermpjes vandaan rukken, vreesde ik. Daarna bladerde ik langs een heleboel foto’s van Humberto waarop hij zijn overhemd half uit of helemáál uit heeft, foto’s van een stralende Wendy in een bootje met een oude hoorn-grammofoon, Wendy in bed met de kop ‘Slapen is gezond’, handige offline-tips als ‘Trakteer jezelf op een legpuzzel’, een column van Halina Reijn: ‘Vroeger sloot ik mezelf elke zomer op in een luxe kuuroord in Thailand (…), maar eenmaal thuis verloor ik mijn duurbetaalde levenslessen als te kleine fietssleutels zonder sleutelhanger.’ Laten we hopen dat ze inmiddels grotere fietssleutels heeft gevonden.

Verder ontzettend veel interviews met zogeheten BN’ners, van wie ik vrijwel niemand kende. In de rubriek ‘Het ochtendritueel’ meldt ene Pip Pellens: ‘Een goede douche is mijn redding om écht wakker te worden. Ik poets mijn tanden, even een deo’tje.’ Goed zo Pip! In de rubriek ‘Het verhaal achter de tattoo’ ene Gaby Blaaser die ‘papa’ en ‘mama’ op haar arm heeft laten tatoeëren. Ze had er ‘heel lang over nagedacht’, dát wel.

Een test ‘Hoe unplugged ben jij?’ met vragen als ‘Thuisbezorgd.nl of Chinees halen?’ ‘Tomatenvlek googlen of je moeder bellen?’ En dan was er nog Douwe Bob, die ‘soms even helemaal niks wil’, en ene ‘Miljuschka’ die ons, voor het betere unpluggen, aanraadt naar Vietnam af te reizen.

Meer dan ooit besefte ik hoe gezegend wij allen zijn dat er internet bestaat

Ik legde het blad weg en klapte mijn laptop open. Meer dan ooit besefte ik hoe gezegend wij allen zijn dat er internet bestaat. Daardoor zullen we, zelfs in opperste verveling, nooit onze toevlucht hoeven zoeken tot dit tijdschrift. Dank je, Wendy!

Het misverstand – Ellen Deckwitz

Afgelopen weekend stond in de Volkskrant het artikel Het misverstand drank, over wat volgens auteur Ianthe Sahadat de lievelingsverslaving van Nederland is: drinken. De strekking was dat alcohol veel schadelijker is dan men al dacht en dat zoiets als verantwoordelijk drinken gewoon niet bestaat. Ik vond het een moedig stuk. Die ene keer wanneer ik iets schrijf over alcoholmisbruik, krijg ik stapels boze reacties: dat ik het over de problemen in de wereld moet hebben, in plaats van over niets.

„Ik snap drinkers wel”, zegt mijn zus, psycholoog en net als ik al bijna haar hele leven geheelonthouder. „Het is een dagelijkse ontsnapping aan jezelf. We zitten in een tijd waarin het bestaan gewoon te zwaar is: te veel prikkels, te veel stress, te veel druk. Natuurlijk gaan sommigen dan drinken. En worden ze boos als je daar iets van zegt.”

Toen ik als jongere verdrietig en overwerkt was, schreef de dokter me oxazepam voor. Daardoor ontdekte ik opeens hoe het leven kon zijn als je niet constant angstig en gespannen was. Ik vond het ontzettend moeilijk om weer met die medicatie te stoppen: het voelde alsof ik een vrijplaats moest opgeven. Iets waar je naar uit kon zien als je een rotdag had, een garantie dat je aan de sfeer of stemming waarin je zat opgesloten, even kon ontsnappen. Wat voor mij oxazepam was, is voor anderen alcohol. Ik ken genoeg mensen die zeggen dat ze drank niet eens lekker vinden, maar dat het, om het met Spinvis te zeggen, het randje van de dag haalt. Zoiets valt lastig te bestrijden.

Jaren geleden stond ik met mijn zus voor een café. Binnen begon een opstootje: een dronken mevrouw zocht met iedereen ruzie. Op een gegeven moment werd ze de kroeg uitgezet. Herhaaldelijk probeerde ze binnen te komen (op het laatst zelfs via het schuifraam) maar ze werd er steeds weer uitgegooid, waarop ze maar tegen ons begon te roepen. Mijn zus bromde dat die mevrouw in plaats van ons lastig te vallen, ook gewoon minder kon drinken. Dan mocht ze de kroeg wel in. De mevrouw keek mijn zus lang aan (mijn zus dacht echt even dat ze haar ging slaan) en zei toen:

„Wie ben jij om mijn troost te veroordelen?”

Die woorden spoken door mijn hoofd als ik lees hoe goed het zou zijn als iedereen gewoon stopte met drinken. Ik zou het geweldig vinden als niemand meer dronk, maar het lijkt me onhaalbaar. De wereld waarin we leven wordt door sommigen slechts volgehouden als ze de druk kunnen verdunnen met alcohol. Zij zullen drank niet zonder slag of stoot opgeven, ook al worden ze ochtend na ochtend wakker met barstende koppijn van de troost.

Alcohol free – Jan Heemskerk

Ruim een jaar geleden besloot Jan Heemskerk te stoppen met drinken. Er kwamen inzichten. Leuke, en minder leuke.

Stoppen met drinken was eigenlijk een spontaan idee, ingegeven door een stevige kater, de ochtend van 3 september 2016. De avond ervoor waren we op dubbele verjaarsvisite mét lichtgevende discodansvloer bij vrienden in Vlijmen. We kenden er, behalve onze vrienden, niemand, reden voor – zoals we dat gekscherend plachten te noemen – een stukje ‘probleemdrinken’: wat liquid courage tanken om een praatje aan te durven knopen met een onbekende of een dansje te wagen op voornoemde dansvloer.

We hadden een kamer in een B&B om de hoek, het kon dus geen kwaad, het viel ook best nog mee met de ‘intake’ en we vonden het nét welletjes, toen de helft van de feestgangers collectief besloot te vertrekken, duidelijk tot ontzetting van de gastheer en -vrouw, die nog niet eens de dure hapjes hadden uitgeserveerd.

Nou. Ze kunnen veel van ons zeggen, maar niet dat we geen goede vrienden zijn in een feestcrisis! We zetten ons dus schrap, namen er nog een, dansten the night away en namen er nog een. En nog een.

De volgende ochtend, die van 3 september dus, stonden we al vroeg op de golfbaan van Vlijmen, want dat had ons leuk geleken, nu we toch in de buurt waren. Al bij hole 3 waren we kapót. En niet voor het eerst sprak ik de dramatische woorden: ‘Ach moeder, ik drink nóóit weer’. Wel voor het eerst dacht ik er stilletjes bij: ‘Misschien méén ik dit wel.’

De rest is geschiedenis en tot de dag van vandaag, pak ‘m beet een jaar later, heb ik geen alcohol meer aangeraakt. Kwam dat nou alleen door de kater van die 24 bier in Vlijmen? Natuurlijk niet. Dat was de beroemde druppel die de emmer deed overlopen. Het laatste bewijs dat je op mijn leeftijd niet meer ongestraft te veel kunt drinken. Dat je twee dagen van de leg bent als je een keertje stevig doorpakt. En dat zulks best zonde is van je kostbare tijd.

Tel daarbij op dat ik een onmatige persoonlijkheidsstructuur bezit en dus niet zo goed ben in een verstandig regime van één glaasje per dag, en je snapt dat er weinig anders op zat dan radicaal stoppen. Voor onbepaalde tijd. Met alle mitsen, maren en uitvluchten. Want het is geen aangenomen werk. En als ik weer wil beginnen, doe ik dat gewoon. Hoor.

Enfin: zo zijn we inmiddels een jaar verder en dat jaar is niet onopgemerkt voorbijgegaan. Mijn omgeving, die me kent als een trouwe klant aan de bar of bij een proeverij, moest ernstig wennen. En ik ook wel. Er kwamen inzichten. Leuke en minder leuke. Die inzichten wil ik met jullie delen. Ter inspiratie. Of juist niet.

1. Van mij hoef je niet.

Jan Heemskerk stopte vorig jaar met drinken. Dit zijn de inzichten die hij kreeg
© Anna Maria Kiosse

Een bekend fenomeen: zodra je ergens aan ‘meedoet’, zie je overal berichten die jouw keuzes en gedrag bevestigen. Had ik vroeger een scherp oog voor nieuwtjes als ‘Rode Wijn Probaat Middel Tegen Hartkwaal’, nu lees ik overal de verschrikkelijkste verhalen over de verwoestende werking van alcohol op het menselijk lichaam. Zo veel zelfs, dat het bijna geen toeval meer kan wezen. En inderdaad: zoals ook deze editie van Volkskrant Magazine bewijst, is alcohol hard op weg het nieuwe roken te worden en is er een fanatieke lobby in opkomst die het liefst zou zien dat ons biertje net zo verboden wordt als coke en heroïne.

Ik wil graag opmerken dat ik deze ontwikkeling betreur. Ik rook al jaren niet meer, maar mag nog altijd graag bij de dappere verschoppelingen in de achtertuin staan; ik drink – ‘momenteel’, zeg ik er telkens bij – niet meer, maar ik kom emotioneel in opstand tegen de gedachte dat ons alweer een genotmiddel wordt ‘ontnomen’. Ik gun niemand een dubbele levercirrose of een set teerlongen, maar voor je het weet eten we allemaal sla, moeten we verplicht elke ochtend veertig baantjes trekken in een kil sportfondsenbad, enkel seks hebben ten bate van de voortplanting en stipt om 10 uur ’s avonds naar bed.

Ik kan het niet bewijzen, maar volgens mij is het goed voor je om af en toe iets te doen wat slecht voor je is. Dus zolang de baten nog opwegen tegen de kosten, zou ik zeggen: lekker doorzuipen.

2. Zonder alcohol heb je meer remmingen

Meestal zeggen ze het andersom – mét alcohol heb je minder remmingen. Ik kan dan ook terugkijken op een indrukwekkende lijst aan ongeremde dingen die ik onder invloed van alcohol heb ondernomen. Verreweg de meeste in de categorie ‘eindelijk tegen vrouwen durven zeggen hoe ik me voel en hopen dat zij er – al dan niet eveneens ongeremd vanwege de alcohol – hetzelfde over denken, zodat we op enig moment de liefde kunnen gaan bedrijven’.

Ik durf wel zo ver te gaan dat 80 procent van mijn liefdesleven nooit zou hebben plaatsgegrepen als er geen alcohol zou hebben bestaan. Is dat sneu? Dat zal best. Maar we zijn niet allemaal gezegend met het talent of het uiterlijk om bij aantrekkelijke vrouwen vanzelf en onbevreesd de juiste snaar te raken. Verder wil ik opmerken dat ik nooit of te nimmer een agressieve, opdringerige of onbeleefde dronk heb gehad – dat soort ongeremdheid is te allen tijde ongewenst. Ik word juist lief en extreem knuffelig. En net iets te eerlijk.

Drink je niet, is het heel wat moeilijker de sprong te wagen en een mooie vrouw de waarheid te vertellen. Alles wat je wilt zeggen, stokt al in je keel vanwege corny of te direct. In het kille licht van de nuchterheid lijkt het bovendien kraakhelder dat niemand zit te wachten op een oude man met een bril en eigenlijk is de situatie dus al uitzichtloos voor je goed en wel bent begonnen. Gelukkig ben ik al gelukkig getrouwd en hebben we Netflix en kruidenthee.

Hoe dan ook: het is wel even zoeken hoe je een gesprek optuigt zonder de alcohol die alles meteen zoveel leuker en interessanter maakt. Een laatste opmerking over dit onderwerp, speciaal voor vrouwen: over het algemeen is een nuchtere man – ook al was-ie de hele avond wat stilletjes – aan het eind van de avond heel wat beter in staat behoorlijke seks met je te hebben dan eentje die zes flessen Spätburgunder door zijn bloedbaan heeft suizen. Ik geef het maar ter overweging mee.

3. Dronken mensen lullen behoorlijk slap

Jan Heemskerk stopte vorig jaar met drinken. Dit zijn de inzichten die hij kreeg
© Anna Maria Kiosse

In retrospect kan ik me diep schamen voor de onzin die ik in aangeschoten staat moet hebben uitgebraakt op feestjes, als de hele-late-avondconversatie van mijn lieve vrienden maatgevend mag zijn voor mijn niveau van toen ik nog alcohol dronk. Kennelijk vertellen we – als we in de lorum zijn – zonder enig spoor van gêne drie keer per avond hetzelfde verhaal aan dezelfde persoon, alleen steeds luider en onverstaanbaarder. En kennelijk hindert ons dat als eveneens bezopen toehoorder op geen enkele manier, wat dan wel weer lief en praktisch is. De nuchtere feestganger, echter, is aanvankelijk verbaasd (wat staat die gast daar vreemd te zwaaien op zijn poten), dan geamuseerd (tering, die gast komt écht niet meer uit zijn woorden) en ten slotte eenzaam. Want terwijl de rest van het gezelschap gelijk opgaand wegzweeft naar hogere sferen, blijf jij achter met beide benen op de grond en niemand om mee te praten, behalve dat ene malle kruidenvrouwtje dat ook niet drinkt. Want de mensen hebben nog net wel in de gaten dat jij in de gaten hebt dat ze dronken zijn en mijden je dus als de builenpest.

Gevolg is dat je bij de meeste feestjes een paar uur eerder afzwaait dan de rest. En wel op het moment dat je normaal gesproken besluit dat het een tópfeest is, je nog veel meer moet drinken en het vreselijk laat moet maken en onopvallend moet loensen naar de buurvrouw met de prominente tepels. Je mist zo wel het deel van het feest waarover nog jaren wordt gesproken, namelijk de poging-tot-stiekeme-pijppartij in het steegje, featuring voetbalvriend en ‘vrouw met prominente tepels’, maar daar staat dan weer tegenover dat je niet zelf het onderwerp van deze legende bent geworden.

4. Je vrienden krijgen een hekel aan je (en willen dat je weer gaat drinken)

Aanvankelijk oogst je lof. Man, wat oogst je een lof. Al je vrienden scheppen over je op: ‘Ik heb een vriend en die is gestopt met drinken!’ Op verjaardagen komen mensen aan je glas ruiken of er echt geen vieuxtje in de cola drijft. Iedereen vindt het reuzeknap en ook dat je er goed uitziet.

Maar na een paar weken is het nieuwtje er wel af. Mensen beginnen voorzichtig te vragen wanneer je weer eens gezellig een wijntje neemt. Ja, nee, ze bedoelen: het is nu toch wel mooi geweest? Je lever is vast weer babyroze en tot menselijke proporties geslonken? We moeten het niet gaan overdrijven en ons zeker niet aanstellen en uitsloven.

Het wordt steeds ietsje grimmiger. Als je in een restaurant zit, wordt vanaf tafel drie in de hoek door wat lolbroeken om de tien minuten muntthee bezorgd. Er wordt nu stevig aangedrongen en hier en daar wordt een ultimatum gesteld: met Kerst moet je écht weer gewoon gaan drinken, anders is het raar!

Er wordt inmiddels ook voorzichtig geïnformeerd of je soms van plan bent nooit meer te drinken, op een toon van ‘dan moet ik nog eens goed nadenken of we vrienden kunnen blijven’. En antwoord je dan naar waarheid dat je dat écht nog niet weet, het rustig een tijdje aankijkt, wel lekker gaat zo, misschien ooit, alleen in het weekend, wie zal het zeggen, elke dag is er toch weer eentje, enzovoort, wordt dat opgelucht opgevat als een teken dat nog niet alles verloren is.

Dus durf je niet hardop te zeggen dat je eigenlijk misschien wel inderdaad nooit meer wilt drinken, ook niet een beetje. Niet alleen omdat je dan bang bent dat je anders geen vrienden meer overhoudt, ook omdat je vreest dat je dan in no time weer op je oude ‘niveau’ zit, slappeling die je bent. En dat, zoveel is wel duidelijk, wil je echt niet meer.

Uiteindelijk dringt het tot je door dat al die boze mensen die je weer aan het drinken willen hebben en je nuchter maar een saaie piet vinden, en een afvallige gelovige, door jou telkens worden geconfronteerd met hoe het anders, en misschien zelfs beter kan. En dat hebben ze liever niet. En dat snap je ook. En dat wil je ook niet, die nare spiegel zijn. Maar het gaat je toch net iets te ver om weer te gaan drinken om je vrienden een goed gevoel over zichzelf te geven: ‘Zie je, hij drinkt ook gewoon weer’. Nou ja. Uiteindelijk zal iedereen er wel aan wennen.

5. Je hebt geen katers

Jan Heemskerk stopte vorig jaar met drinken. Dit zijn de inzichten die hij kreeg
© Anna Maria Kiosse

Nummer één supervoordeel van niet drinken: je hebt geen katers. En: je hoeft dus ook niet op te zien tegen feesten en partijen. Want dat deed je, blijkt nu: opzien tegen elke gelegenheid waar alcohol werd geschonken. Omdat na de pret altijd de kater komt. En je de day after dus wel kunt afschrijven, want die kater is dusdanig verschrikkelijk, dat je niet veel verder komt dan paracetamolletjes poppen en op de bank hangen, met een lodderoog op de televisie gemikt. Nu je niet meer drinkt, blijkt: je was laatste tijd als de dood voor de kater. En dat bedierf eigenlijk alle plezier in je sociale leven.

Moet je nu eens kijken. Met gemak werk je drie soirees per weekend af, je bent zonder morren de Bob én je staat ’s ochtends bij het krieken van de dag klaar om je kroost naar voetbal te brengen. Het ergste wat je overkomt is dat je ‘een beetje moe’ bent als het erg laat is geworden, en dat is maar zelden, zie boven. Paradoxaal genoeg heb je er als onthouder dus juist veel meer zin in dan vroeger, feestjes. Gezellig! En de volgende ochtend is er dat pure en onversneden geluksmoment: geen kater, geen hoofdpijn, geen droge bek, niet misselijk, geen grote delen van de avond kwijt, niets, maar dan ook niets aan het handje.

6. Je valt er wel lekker van af (en je bent fitter)

Ik was 10 kilo afgevallen met een strak regime van schijf van vijf en sportief gedoe. Maar ik woog nog altijd meer dan 100 kilo. Op mijn vraag ‘wat kan ik nog meer doen om door die grens van 100 kilo te breken?’, antwoordde mijn diëtist: ‘Minder drinken. Maximaal één glas rode wijn per dag.’ Ik stopte (ik zei al: ik ben niet de man voor één glaasje per dag) en viel prompt nog eens 10 kilo af. Alleen maar door van alcohol af te blijven.

Dus ik zie er inderdaad een stuk jonger en beter uit, voor een oude man met een bril. En ik ben vermoedelijk gezonder dan ik in decennia ben geweest, hoewel je dat natuurlijk nooit zeker weet en we allemaal een oma hebben die 106 is geworden op zware shag en elke dag een halve liter citroenjenever. Ten slotte ben ik ¿ dankzij het cumulatief effect van gezond eten, meer sporten en niets meer drinken ¿ natuurlijk veel fitter. Al is het effect minder spectaculair dan ik had gehoopt. Ik had gehoopt van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat als een afgetraind Duracellkonijn door het leven te stuiteren. Oneindig energiek en onvermoeibaar. Maar dat zit er – vanwege de leeftijd, waarschijnlijk – niet meer in. Het komt neer op: omdat je gezonder leeft, weet je je energielevels op het peil van tien jaar geleden te houden. Het remmen van het verval is denkelijk het hoogst haalbare. Bovendien, je went aan het feit dat je fitter bent en vergeet wat voor dweil je eerder was.

Jan Heemskerk stopte vorig jaar met drinken. Dit zijn de inzichten die hij kreeg
© Anna Maria Kiosse

7. Er is geen alternatief voor drank.

Als je niet drinkt, wat drink je dan? Ik vroeg het vele keren aan de professionals in het restaurant en het meest gehoorde antwoord is: water. Dat had ik zelf kunnen verzinnen. Ook werd mij een aantal keren een virgin cocktail aangeboden, soms een Heineken 0.0, één keer een geheimzinnige potentieversterkende thee uit Malawi, hippe tonic en veel gemberhoudende frisdranken, hippe Scandinavische vlierbessenlimonade en het gruwelijke Radler, waartegen je vreemd genoeg toch telkens willoos ‘ja’ zegt. De nieuwste trend: Japanse azijn, u hoorde het hier voor het eerst. Gewone, chemische fris, tenslotte, daar deed en doe je me geen lol mee. Ook niet in de zero-variant.

Keuze genoeg, maar zit er nou een winnaar bij? Niet echt. Geen drankje waar je, zoals met bier, chardonnay of G&T, de hele avond lekker op gaat. Ik heb me vaak afgevraagd waarom je niet met hetzelfde gemak drie liter gingerale drinkt als negen pijpjes Jupiler. Waarom je met geen mogelijkheid negen pijpjes Jever Fun krijgt weggewerkt, terwijl dat toch een echt heerlijk fijnhoppig ‘Duits’ alcoholvrij biertje is. Het antwoord is: alcohol. Het magische ingrediënt is alcohol. Probeer maar eens gedealcoholiseerde wijn. Bestaat. Niet te zuipen. En ik ben echt niet moeilijk, hoor. Het blijkt gewoon dat je ergens alleen enorme hoeveelheden van kunt drinken als er alcohol in zit. Omdát er alcohol in zit. Die maakt het ‘lekker’. En als niet-drinker ben je dus veroordeeld tot een misselijkmakende cocktail van een-paar-glaasjes-van-vanalles. Of water. Hebben de professionals toch weer gelijk.

8. Stoppen was best makkelijk

Ik ben niet op een missie om iedereen van het drinken af te brengen

Toen ik stopte met roken, ging ik cold turkey. Daar keken veel mensen van op. Want ik rookte anderhalf pakje per dag. Ik keek er zelf ook wel een beetje van op. Maar door mijn slechte voorbeeld waren mijn twee oudste kinderen ook gaan roken en bovendien hoestte ik elke dag mijn longen uit mijn lijf. Schuldgevoel en acute doodsangst waren blijkbaar voldoende motivatie om van de peuken af te blijven. Sterke motivatie is het halve werk. En je moet er dus aan toe zijn – weer die kosten-batenanalyse.

Wat ik wel merkte, en nu weer: veel hangt samen met gewoonte. Het is onvoorstelbaar hoeveel momenten op de dag je onbewust koppelt aan een sigaret of, ietsje minder vaak, aan een glas wijn. Dat zijn de momenten dat het erom spant; maar zet je een paar weken door, begint die koppeling al wat te vervagen in je systeem en na een jaartje denk je er soms dagenlang niet meer over na dat je geen alcohol hebt gedronken.

Ik kan natuurlijk niet voor anderen spreken, en – zie punt 1 – ik ben ook niet op een missie om iedereen van het drinken af te brengen, maar het is misschien een geruststellende gedachte dat alcoholgebruik voor driekwart een kwestie van gewoonte is. En dat je nee kunt zeggen, in plaats van ja. Het is – extreme gevallen daargelaten – niet dat je kokhalzend en stuiptrekkend over de grond gaat rollen als je een avond frisdrank neemt. Sterker, van fysieke afkickverschijnselen geen spoor, eerder omgekeerd: ik sliep meteen beter en was beduidend minder vaak nerveus – terwijl ik toch menigmaal een drankje had gepakt om de zenuwen in bedwang te houden.

9. Het is wel eng spul, alcohol.

Dat ik het hele jaar geen alcohol heb aangeraakt, is trouwens technisch gesproken niet waar. We hadden de boot verkocht en namen champagne mee voor de nieuwe eigenaars. Die erop stonden dat we met z’n allen op de plechtige gelegenheid zouden proosten. Ik kreeg een glas, had geen zin het uit te leggen en maakte mijn lippen nat. En ik zweer je: meteen sloeg het systeem aan. Een gloeiend gevoel van welbehagen, drie solide smoesjes waarom ik dat glas nou net zo goed kon leegdrinken, een schuin oog naar de fles, of er misschien nóg een glaasje inzat en een jubelende fanfare met discolampen. Ik schrok me dood en schonk het glaasje leeg in dat van mevrouw Heemskerk. Alcohol verliest niet snel zijn greep.

Parkiet op wielen – Christiaan Weijts

Dat je voor lul rijdt op een deelfiets vermoedde ik al, maar nu dit grootsteedse fenomeen zich over ons hele land gaat verspreiden (Den Haag wil ze, net als Dordrecht, Utrecht, Maastricht…) moest ik dat maar eens proefondervindelijk vaststellen.

Ach, het valt best mee, op zo’n Rotterdamse oBike. Als je tenminste een piepklein Aziaatje bent, zo stel ik me voor. Met worstenkuiten. Want allemachtig, wat trappen ze zwaar, alsof de velgen aanlopen. Twee keer wissel ik van exemplaar, maar het hoort kennelijk. En zelfs in de hoogste zadelstand is de oBike alleen met o-benen te berijden.

Lotgenoten zie ik nergens, op m’n tochtje door het centrum en Delfshaven. Wel halen ov-fietsen me in, bij bosjes. Oer-Hollandse rossen, voor vier euro per etmaal, waar ik één euro per uur betaal voor een grijs-gele parkiet, wier soortgenoten overal aan de kant staan gestald en gekwakt. Op de koop toe krijg ik dezelfde spottende blikken als toen ik eens met een rolkoffertje over het Rokin liep.

Waarom zijn dit eigenlijk déélfietsen? De gebruikers hebben ze niet collectief in bezit. Dat heeft alleen een bedrijf dat domweg op een nieuw verhuurmodel mikt. Airbnb en Uber achterna. Delen, dat klinkt heerlijk moestuinerig. Tel daar de kosmopolitische allure van Barcelona en Parijs bij op en kassa.

Halverwege de Nieuwe Binnenweg dringt één conclusie zich op. Het ooit zo moppige hippiemeisje van de deeleconomie is een derderangssloerie geworden, die hele stadsbesturen weet op te geilen met haar praatjes: ‘Net als in Parijs…’

Ach, Parijs! Waar fietsen, zoals overal buiten ons zompige vlaklandje, een outdoor activity is, levensgevaarlijk zonder helm. Hier heeft iedereen boven de twee zijn eigen fiets, en hoeveel verdiepingen je die stallingen ook uitbreidt, binnen drie tellen zijn ze volgestroomd met zeeën van glimmende stuurstangen. Daar moet al dat geel-grijze schroot straks nog bij. Plus dat van de concurrenten, die allemaal hebberig met hun kleurige strooifietsjes klaarstaan op de stoep. Amsterdam is het spuugzat en wil al die fietsen weer weghalen. Elders liggen ze nog in katzwijm bij de hete beloftes van de geldbeluste deeldel.

O ja, ik begrijp de wrevelige blikken wel die ik en mijn o-benen opvangen van stratenmakers en winkeliers. Daar ben ik: de toerist. Die je portiek onderkotst en die je straten verziekt met het gegrom van z’n rolkoffertje. En die je lucht vervuilt en je nachtrust komt verstoren met z’n budgetvluchten. En die lukraak z’n fiets ergens neerkwakt, blij toe van het kreng te zijn verlost. Het enige wat we werkelijk delen is ergernis.

Hoe robots ons kunnen helpen in tijden van oorlog – Sietse Bruggeling

Automatische, autonome systemen voor een humanere vorm van oorlogvoering

De discussie over ‘killer robots’ is doortrokken van fabels en hyperbolen. Terwijl automatische en onbemande systemen juist kunnen bijdragen aan een humanere vorm van oorlogvoering, stelt Sietse Bruggeling, die films maakte over nieuwe technologiën van Defensie.

Robots die zich tegen de mens keren, robots die de wereld overnemen, het zijn scenario’s waarover al decennia sciencefictionfilms worden gemaakt. In essentie verschillen blockbusters als Terminator en The Matrix weinig van het verhaal van de Golem die al in de vroege Talmoed opduikt. Rode draad is dat de mens wordt verslagen door iets dat hij zelf heeft gecreëerd, en dat geen last geeft van een geweten. De angst daarvoor is dus al heel oud.

De afgelopen weken kon je bijna gaan denken dat dit schrikbeeld werkelijkheid was geworden. Want precies dit soort Terminator-achtige scenario’s werden in de media geschetst in artikelen over de toekomst van oorlogsvoering. Aanleiding: een open brief van meer dan honderd robotica-experts aan de Verenigde Naties. In die brief waarschuwen wetenschappers en ceo’s van bedrijven in kunstmatige intelligentie voor autonome wapensystemen. ‘Dodelijke autonome wapens dreigen een derde revolutie te worden in oorlogvoering,’ schrijven ze. ‘Dit kunnen nietsontziende wapens zijn, wapens die despoten en terroristen gebruiken tegen onschuldige bevolkingsgroepen, wapens die gehackt worden zodat ze zich op onwenselijke manieren gaan gedragen.’

Er woedt al langer discussie over de risico’s van automatisering in defensieorganisaties, en die beperkt zich niet tot het gevaar van hacken

De open brief heeft vrijwel in elke krant gestaan en is steeds uitgelegd als een noodkreet tegen zogenoemde killer robots. Tesla-baas en medeondertekenaar Elon Musk gooide deze week nog wat olie op het vuur door op Twitter te waarschuwen dat artificiële intelligentie zal leiden tot een Derde Wereldoorlog.

Er woedt al langer discussie over de risico’s van automatisering in defensieorganisaties, en die beperkt zich niet tot het gevaar van hacken. Een deels geautomatiseerd leger zou volgens sommigen tot kille, onmenselijke beslissingen leiden. Het voorbeeld bij uitstek dat hierbij keer op keer van stal wordt gehaald, is de Reaper, een drone die door de Verenigde Staten in uiteenlopende gebieden wordt ingezet. In de beeldvorming over de Reaper is de piloot van het vliegtuig de menselijke maat compleet uit het oog verloren, omdat hij het bestuurt vanuit een container, ver weg van het slagveld. Hij tuurt naar een monitor en drukt op een knop met alle gevolgen van dien, behalve voor hemzelf. Als zijn vrouw bij het avondeten vraagt: ‘Hoe was het op het werk vandaag schat?’, dan zegt hij: ‘saai’ en aait zijn kinderen nog een keer over de bol. Zijn werk is een computerspel geworden, vrij van morele dilemma’s.

Uit diverse Amerikaanse onderzoeken blijkt dat veel drone-bestuurders kampen met posttraumatische stress

Ik heb de laatste jaren veel films gemaakt over nieuwe technologieën voor Defensie, onder andere voor onderzoeks- en adviesbureau TNO. En ik merk dat er een wijde kloof gaapt tussen het beeld dat deze nieuwe wapens oproepen en de complexe praktijk, waarin dingen goed en fout gaan. Een kritische discussie over autonome wapens is dan ook van levensbelang. Maar dan moeten feiten wel van fabels worden gescheiden.

Neem de angstaanjagende Reaper. Dat is géén autonoom wapen. Een Reaper is erop gebouwd om langdurig te hangen boven een gebied, bijvoorbeeld een dorp. Met behulp van sensoren registreert het wie er allemaal in dat dorp komen, en welk verkeer er doorheen rijdt. Het vliegtuig hangt daar om vijanden te traceren en eventueel uit te schakelen. Maar wat de Reaper ook registreert, het zijn altijd mensen die naar die beelden kijken en ze interpreteren. Het zijn vervolgens ook mensen die de beslissing nemen om bijvoorbeeld tot bombarderen over te gaan. Dan gaat het dus niet over één piloot. Want naast hem zit de zogeheten ‘sensor operator’, die de sensoren bestuurt en kan inzoomen en uitzoomen. Hij functioneert als beeldanalist, en het is zijn taak te bepalen of de persoon op zijn scherm een riek vasthoudt of een kalasjnikov.

Ten onrechte wordt de Reaper vaak met emotionele afstandelijkheid en afstomping geassocieerd. Omdat de drone zo lang boven een dorp kan vliegen, kunnen de bemanningsleden in de container nauwgezet volgen wanneer bijvoorbeeld de school in het dorp uitgaat, en zien hoe ouders hun kinderen ophalen. Die bemanningsleden gaan ’s avonds na hun dienst gewoon weer naar huis, terug naar hun eigen leven, dat vaak niet zoveel verschilt van wat ze die dag op hun schermen hebben gezien. Juist daardoor is van afstomping geen sprake. Integendeel, uit diverse Amerikaanse onderzoeken blijkt dat veel drone-bestuurders kampen met posttraumatische stress. Zo stelt onderzoeker Jean Lin Otto: ‘Bemanningen van drones kijken vaak dagen naar hetzelfde gebied en zijn getuige van het bloedbad. Piloten van bemande vliegtuigen doen dat niet. Zij vliegen na het gooien van een bom zo snel mogelijk weg.’

Een belangrijk aspect van onbemande systemen is dat meerdere mensen kunnen meekijken en meedenken. Dat kunnen juristen zijn die de juridische consequenties van een militaire beslissing kunnen afwegen, maar ook kenners van een bepaalde cultuur, die onbekende gebruiken kunnen duiden. Resultaat: beter getoetste en dus nauwkeuriger besluiten.

Duidelijk is dat mens en machine uitstekend kunnen samenwerken. En het zou enorme militaire voordelen opleveren als we slimmer gebruik leren maken van de enorme hoeveelheden data die onbemande systemen kunnen opslaan. De camera van de Reaper bijvoorbeeld kan in een stad ter grootte van Den Haag alle auto’s waarnemen. Omdat geen mens in staat is al die auto’s op een beeldscherm te volgen, wordt er nu onderzoek gedaan naar algoritmes die dat wel kunnen. In de toekomst zouden we de computer dan een opdracht kunnen geven als: geef mij een melding als je een auto met een noodvaart op het Binnenhof ziet afgaan. Het systeem analyseert dan zelf de gegevens (snelheid, locatie, richting), trekt daaruit een conclusie, en pling! Een analist kan vervolgens beoordelen wat er aan de hand is: komt de koning onverwachts op bezoek of is dit een terrorist?

Dit soort algoritmes worden nu al ingezet om militairen te helpen beslissingen te nemen. Maar wat nu als je ernstig bedreigd wordt en geen tijd hebt om alles en iedereen te raadplegen? Dan zou je een systeem willen dat zelf redeneert en razendsnel tot het juiste besluit overgaat.

Bij een autonoom wapen spelen kwesties als: in welke situatie moet het ingrijpen, en op welke manier? Hoeveel is een mensenleven waard?

De Goalkeeper is een voorbeeld van zo’n systeem. Dat is een automatische mitrailleur die wordt gebruikt op marineschepen en die zelf reageert op basis van vooraf bedachte regels: er komt iets met hoge snelheid deze kant op, het is van metaal, het is nu heel dichtbij, ik schiet. Maar zelfs voor de Goalkeeper geldt: de keuze om te schieten blijft bij de mens. Want het zijn mensen die de regels invoeren waarlangs dit systeem redeneert.

Een consequentie van de keuze voor autonome systemen is dat mensen van tevoren moeten bedenken hoe een wapen zich dient te gedragen.

De discussie begint met de vraag: wat is een autonoom wapen? Zelfs daarover is nog niet iedereen het eens. In elk geval kunnen we zeggen dat een wapen autonoom te noemen is als het in een situatie terechtkomt die we niet van te voren hebben bedacht en het systeem een keuze moet maken. Je kunt het vergelijken met een zelfrijdende auto die een fietser tegen komt die door rood rijdt en moet afwegen: rijd ik door en verwond ik de fietser, of rijd ik tegen een boom en verwond ik de inzittenden?

Bij een autonoom wapen spelen kwesties als: in welke situatie moet het ingrijpen, en op welke manier? Hoeveel is een mensenleven waard? De vragen die nu bij de VN op tafel liggen, hebben dan ook een sterk ethisch karakter.

Daarover moeten we het met z’n allen eens worden, want Defensie is een uitvoerende organisatie, die alleen doet waartoe het door de politiek wordt opgedragen. Zoals de opstellers van de brandbrief over killer robots terecht betogen, moeten we de totstandkoming van de regels voor autonome wapens niet alleen overlaten aan robotbouwers.

Ook andere netelige punten verdienen onze aandacht. Hoe voorkomen we dat deze wapens in verkeerde handen vallen of worden gehackt? En als we zelflerende wapens willen, nog weer een stap verder in het automatiseringsproces, van wie moeten ze dan leren? In elk geval niet van strijdende groepen als IS. Over dit soort vraagstukken zouden politici, burgers, ngo’s en journalisten zich veel meer moeten buigen.

Als het ons lukt daarover een intelligente discussie te voeren, zonder fabels en horrorverhalen, kunnen autonome en onbemande systemen ons helpen te bereiken wat we met z’n allen zo graag willen: minder oorlogsslachtoffers. Door vroegtijdig dreiging te herkennen. Door scherper onderscheid te maken tussen verschillende groepen, maar ook te analyseren op gedrag, niet op uiterlijk om zo burgers beter te kunnen beschermen. Door wapens zo precies mogelijk in te zetten met zo min mogelijk collateral damage.

Op dit moment zijn er helaas nog genoeg voorbeelden van oorlogssituaties waarin niet of nauwelijks van zulke systemen gebruik wordt gemaakt. Kijk naar Syrië, waarin hele steden in de as worden gelegd om de laatste IS-strijders weg te krijgen.

De bekende Chinese wijsgeer Sun Tzu schreef 400 jaar voor Christus al in zijn Kunst van het oorlogvoeren, een boek dat menig generaal op zijn nachtkastje heeft liggen: ‘Zoals water zijn stroom varieert in overeenstemming met de glooiing van het land, zo varieert een leger zijn methode om de overwinning te behalen in overeenstemming met de vijand.’

We hebben nu een kans om democratisch te bepalen wat onze toekomstige manier van oorlogvoeren gaat worden. Die moeten we niet laten voorbijgaan door ons te verliezen in sciencefiction-scenario’s. Als het gaat om het sparen van levens, kunnen we alle hulp gebruiken. Ook die van robots.

NPO3 – Marcel van Roosmalen

Ik kan me de dag nog herinneren dat Nederland 3 Velp bereikte. Het was op de avond van Ajax-KV Mechelen in 1988. Dat soort Europacupfinales had je toen nog. Het was tot op het laatst onduidelijk of de uithoeken van het land ook op tijd waren aangesloten op de nieuwe zender en we vroegen ons de hele dag al woedend af welke debiel had besloten om het voetbal daarop uit te gaan zenden.

„Ik ga de gemeente bellen”, zei mijn vader een kwartier voor de aftrap, want kabelmaatschappijen waren er nog niet.

„Hij gaat de gemeente bellen, hoor”, herhaalde mijn broertje spottend. Maar bij de aftrap plopte de zender ineens op.

Wij blij.

In het begin zonden ze op Nederland 3 vooral sport uit, daarna kwamen daar informatie en cultuur bij. Tegenwoordig is NPO3 een zender met programma’s voor ‘mensen die zich jong voelen’. Dinsdagavond, ik weet nog steeds niet wat me bezielde, keek ik drie programma’s achter elkaar op de zender. Elk format was in één zin samen te vatten.

Na First Dates (singles die daten met een camera erbij), Misbruikt (waarin Geraldine Kemper met in ieder shot een andere bril op haar hoofd een ongemakkelijk gesprek voerde met een onherkenbaar gemaakte moeder en haar dochter, die eerst misbruikt en nu gebruikt werd) en Spuiten & Slikken (waarin de presentatoren in zitzakken lagen te ‘dirty talken’: net zo lang geile zinnetjes in elkaars oor fluisteren totdat er – citaat Tim Hofman – „iets in de onderbroek van Jurre gebeurt”) wilde ik me niet eens meer jong voelen.

Ik was opeens zo oud, dat ik behoefte had aan iets moois. Iets met enige inhoud, iets waarover je gaat nadenken, iets wat beklijft. De zich jong voelende mensen die ik ken, lezen wel kranten en vinden een boek of film interessanter dan de fetisj van een man die graag met een hondenmasker op door een meester in de touwen wordt gehesen.

‘Jong’ is volgens de beleidsbepalers van NPO3 synoniem aan inhoudsloos geleuter van presentatoren die het heel erg met elkaar en met zichzelf getroffen hebben. NPO3 heeft dringend behoefte aan iemand die er een zender van maakt voor jonge mensen die wel ouder dan vijftien willen worden en die al die talenten met zitzak en al naar een museum stuurt, waar ze dan bij ieder schilderij een andere bril op mogen zetten. Aan een ouwe lul dus. En snel ook, anders ga ik de gemeente bellen.

Kooi – Ellen Deckwitz

„Die lege caviakooi”, zei mijn geliefde eind vorige week, „Doe je daar nog iets mee?” Hij wees op het stalen gevaarte waar mijn cavia’s, toen ze klein waren, in woonden. Tegenwoordig hield ik ze in een enorme stellage gemaakt van draadkubussen. Omdat ik nou eenmaal slordig ben stond de oude kooi nog steeds middenin mijn woonkamer, dat was handig want zo kon ik er schoenen, kranten, jassen en lege verpakkingen op kwijt. Mijn geliefde was het een doorn in het oog. Hij is erg opruimerig en maakt regelmatig ongevraagd mijn keuken schoon (ter mijn verdediging: ik kan andere dingen weer heel goed zoals ademhalen en brood eten). Zijn grootste ergernis was echter die lege kooi.

„Nee, ik doe er niets mee”, zei ik dus maar.

„Mag ik hem op Marktplaats zetten?”

„Okay.”

Een uur later werd de kooi opgehaald. Obstakel weg, woonkamer een stuk overzichtelijker. Ik was blij maar ook verbouwereerd. Ik had me heus ook wel geërgerd aan die kooi. Ik maakte allemaal plannen hoe ik ervanaf kon komen maar had nooit de doorzettingskracht. In één uurtje had mijn geliefde voor elkaar gekregen waar ik al een jaar tegenaan hikte.

„Ik stond erbij, keek ernaar en voelde me zo stom,” zei ik die avond tegen mijn zus.

„We hebben allemaal onze sterke en zwakke kanten”, zei mijn zus, „Jij hebt je zoogdieren altijd tip top in orde, een ander laat zijn tuin niet verslonzen.”

Toch bleef het knagen. Ik moest denken aan wat ik die dag had gelezen, Dankboek, van Ernst-Jan Pfauth, waarin hij het heeft over de lastige neiging van de moderne mens om altijd naar meer en beter te streven. Terwijl we daardoor vergeten om te koesteren wat we al hebben, wat we al kunnen. In ons streven zo multifuncti te zijn als een Zwitsers zakmes raken we dus alleen maar gefrustreerd.

Ik herkende mezelf daarin. Ook ik vind mezelf constant incompleet. Dat heeft zijn goede kanten (je werkt door, wil altijd een betere versie worden) maar het zorgt ook voor rusteloosheid. Je bent bij voorbaat al moe als je stilstaat bij hoeveel dromen je nog moet verwezenlijken om jezelf enigszins okay te vinden. Misschien is het goed om soms, zoals Pfauth betuigt, even stil te staan bij wat wél lukt. Wat je al wél hebt, zoals in mijn geval een woonkamer waarin de gasten niet meer hun nek breken over een leegstaande caviakooi. Mijn zus knikte.

„Misschien moeten we het gewoon simpel houden”, zei ze. „En als je van een kooi af wilt, moet je hem gewoon op Marktplaats zetten. Wie weet volgen de kooien in je hoofd dan vanzelf.”