Laat je niet gek maken op kantoor – Japke d. Bouma

Ik zeg het jullie maar eerlijk: toen ik afgelopen maand ergens op een berg over de Stille Oceaan stond uit te kijken besloot ik te stoppen met deze rubriek. Zeker, ik had eind juni gezegd dat ik in september zou terugkomen, maar daar op die top, los van alles, dacht ik ineens: ik schrijf al sinds 2012 over het kantoor en het is een keer mooi geweest.

Maar toen ik vorige week, terug in Nederland, mijn Twitter weer aanzwengelde, besefte ik dat ik er niet zo makkelijk vanaf kom – ik kan jullie niet alleen laten op kantoor, zo simpel is het. Want man man man, wat een kantoorleed stond er weer in mijn mentions te wachten.

Mensen worden gestoord van alle gewichtigdoenerij op kantoor. Een lezer schreef me dat ze helemaal klaar is met alle ‘content huddles’ op haar werk, de ‘must-win battles’ en de ‘deep dives’ met een ‘sense of urgency-gevoel’. Een ‘content huddle’ blijkt een soort vergadering te zijn, maar ik heb geadviseerd om op een plek waar zoveel oppervlakkigheid heerst, niet te diep te gaan ‘diven’.

O vreselijk, al die onnozele hypes die ineens opduiken op kantoor. Een grote groep lezers komt amper nog aan werken toe door alle ‘stand-ups’, ‘retrospectives’, ‘sprints’ en ‘denkhoedensessies’ waar ze aan moeten meedoen. Een twitteraar schreef dat er op zijn werk af en toe ‘een oploop van inhoudelijken’ werd georganiseerd om tot ‘verbindende cirkels’ te komen. En dan maar hopen dat ze op het eind van de dag al die cirkels weer uit elkaar krijgen.

Een andere lezer had een vacature gezien met ‘impact players die de business versnellen, hands-on werken, business driven zijn en strategisch sterk’. Is dat misschien iets met rugby? En wat is ‘pipeline en partnermanagement’ in godsnaam, vroeg een ander. Vraag maar aan je vriendin, heb ik hem geantwoord.

Iemand enig idee ook wat ‘het denken in concrete bouwstenen’ zou kunnen zijn, in de zin: ‘het denken in concrete bouwstenen kan helpen in het realiseren van een gezonde organisatiecultuur in de financiële sector’? Ik heb teruggeschreven dat ik denk dat het betekent dat je gaat zitten nadenken in een stenen gebouw, maar ik heb wel een slag om de arm gehouden.

Of wat dachten jullie van Schiphol dat „met een nieuwe contentstrategie is getransformeerd van procesgedreven organisatie tot human brand”. Dat is geen menselijk vuur, ik heb het even opgezocht, maar een menselijk merk. Maar wacht even. Schiphol, een merk? Volgens mij is het gewoon een luchthaven waar je niet aan ontkomt als je op vakantie gaat.

Of neem de KNVB die een ‘activatiemanager’ zocht, iemand die ‘ideeën tot leven brengt, voor draagvlak zorgt en overgaat tot excellente executie’. Dat is toch zinloos, schreef een twitteraar: ideeën tot leven brengen en ze dan executeren?

Ja, dat is zinloos.

Wat ik met al die ellende ga doen, tot de volgende zomer? Nou, ik blijf in ieder geval jullie schouder om op te huilen op het gebied van kansloos management en gebakken luchtpraatjes en ik blijf de mensen die het over ons uitstorten bellen, om te achterhalen wat ze nou eigenlijk echt bedoelen. Je weet het niet, misschien missen we iets.

Zo zou ik misschien die man op LinkedIn kunnen bellen, tipte een twitteraar me, die ‘de groei van procesverbeteraars katalyseert’. Wat zou zo iemand de hele dag doen? Of de ‘lokale doorbraakofficier’ die bij een lezer op zijn werk ‘op zoek was naar co-gecreëerde kennis om daarmee handelingsmogelijkheden te vergroten’. „Er bestaan pilletjes tegen doorbraken”, adviseerde een andere twitteraar.

Ik kan misschien ook eens iemand bellen met een onbegrijpelijke functietitel, want dat gaat ook maar door, hè. Als je dacht dat je alles had gehad na de ‘chapter lead’, de ‘improvement specialist’ en de ‘customer happiness officer’, zet dan de spatschermen maar omhoog tegen de ‘brand warrior’, het ‘service kanon’, de ‘retail jedi’ en de ‘social samurai’ die in de kantoorarena hun messen aan het slijpen zijn, zo signaleerde de site ondernemer.nl. Ik denk dat ik zelf maar ‘warlord’ word.

Maar ik wilde ook wat meer experts gaan ondervragen over de vraag hoe je gelukkiger wordt op je werk, want er gaan nu nog te veel mensen met tegenzin naar kantoor. Maar bovenal, en dat wordt écht het thema de komende weken, ga ik proberen jullie te helpen om niet gek te worden op je werk.

Om daarmee maar meteen van start te gaan, geef ik alvast een tip waarvoor ik even terug moet naar de berg aan het begin van dit verhaal, of eigenlijk naar het pad naar die bergtop toe. Want op de top krijg je toch maar rare ideeën. De tip is: geniet eens wat vaker van je uitzicht, ook als je nog lang niet op de top bent.

Nu jakkeren we namelijk vaak maar voort, zeker na de zomervakantie. Oogkleppen op en ‘scrummen’ maar tot de Kerst, even een paar weken de tandjes op elkaar met onze ‘backlogs’ en ‘black belts’, dan kun je daarna weer in elkaar zakken.

Nee dus, zou ik zeggen.

Want ook op weg naar je volgende vakantie is er al genoeg in je leven om je op te verheugen: de onweerstaanbare mondhoek van je collega, de dauwdruppel op een roos in het plantsoen, een zonnestraal op de printer, een glimmende punaise, een tafel vol vrienden, de snorharen van je kat, een grap van je kind, het glanzende kaftje om een volstrekt nutteloos rapport, de regen die goddank weer tegen de ruiten klettert – er is zoveel om te koesteren. Laat die ‘scrum masters’ lekker kletsen.

Want de wereld is geen „assessment center”, zoals minister Wiebes het vorige maand in Zomergasten zei, de wereld is zoveel meer. Kijk om naar je dierbaren en je familie zolang het nog kan, adem in, adem uit en stap eens wat vaker halverwege uit de lift, om te genieten van wat je al bereikt hebt.

En als je écht niets hebt om op uit te kijken en je met je ‘scrumteam’ verbannen bent naar de kelder, bedenk dan dat we ooit een ‘meeting’ weer een vergadering zullen noemen en er ooit een wettelijk verbod zal komen op alle termen waarin ‘agile’ voorkomt en tot die tijd hebben we elkaar. Hou vol.

Laat je niet gek maken op kantoor.

Voer een leesplicht in! – Ted van Lieshout

Beeld en geluid vervangen tekst, schrijft Ted van Lieshout. Dat leidt tot kinderen én volwassenen die onvoldoende kunnen lezen. Doe daar wat aan!

Voer een leesplicht in!

We zijn een eind op weg naar een tekstloze maatschappij. Wie zegt dat hij de krant leest, bedoelt – in vergelijking met vijftig jaar geleden – dat hij de plaatjes in de krant bekijkt, want in alle kranten is ongeveer driekwart van wat eens tekst was vervangen door beeldmateriaal en witruimte. En dat moet ook wel, want lezen, en dan met name langere teksten, kunnen (of willen) maar weinigen. Over een jaar of vijf praat de computer terug en kun je gewoon vrágen of de computer aan je voorleest wat er staat.

Maar als de stroom uitvalt sta je er ineens alleen voor. Zoek je antwoord op een vraag, dan kun je nog naar de bibliotheek om het daar op te zoeken in een boek, maar daar bereidt men zich zo zoetjes aan ook al voor op een wereld zonder geschreven, gedrukte tekst. Het boek van de professor die in 1783 een verhandeling schreef over inpolderen is allang uit de collectie verwijderd ten behoeve van acht exemplaren van een boek waarin beschreven staat hoe je drie kilo kunt afvallen zonder ooit één lepel yoghurt te hoeven eten.

Wie niet goed kan lezen en schrijven, kan zonder hulp van anderen niet zelfstandig door het leven. Teksten vervangen door geluidsberichten en visuele boodschappen kan helpen, maar is voornamelijk geschikt voor situaties waarin iedereen ongeveer dezelfde informatie nodig heeft: ‘Mind your step!’ bij de loopband op het vliegveld, het rode stoplicht bij een oversteekplaats, een vakje inkleuren op het stembiljet, de NPO die televisieprogramma’s voor volwassenen gaat nasynchroniseren.

Onderwijs onder de maat

Vijftien procent van de volwassenen heeft moeite met lezen. Er zijn daarom nu al ouders die hun kinderen niet voorlezen, omdat ze zelf onvoldoende leeservaring hebben. Hun kinderen zijn vrijwel geheel van school afhankelijk om de kunst van het lezen en schrijven machtig te worden, en dat lukt steeds minder goed, omdat lezen vrijblijvend is geworden. Zelfs op tal van pabo’s is het lezen van bijvoorbeeld jeugdliteratuur afgeschaft. Het hóéft niet meer. We weten allang dat steeds meer jeugdigen de school nagenoeg analfabeet verlaten: nu is dat ongeveer een op de tien kinderen. En het onderwijs verbetert niet, maar verslechtert juist door een tekort aan leraren en een gebrek aan belangstelling vanuit de politiek om het onderwijs op peil te brengen.

Het is echter van het grootste belang dat kinderen niet van school gaan zonder voldoende lees- en schrijfvaardigheid, zodat ze goed voorbereid zijn op zelfstandigheid en verdere studie- en beroepsmogelijkheden. Er moet een wet komen die bepaalt dat wie zo ver niet is, op school blijft of gedwongen wordt scholing te blijven volgen. Punt uit. En wie dat niet kan binnen de reguliere mogelijkheden, moet extra hulp krijgen. Investeer daar maar in, desnoods met defensiegeld, want een nieuwe straaljager die je na tien jaar moet vervangen omdat-ie ongebruikt en afgeschreven is, zet geen zoden aan de dijk. Voer de leesplicht in!

Je kunt een kind in het water gooien, maar als je het niet leert zwemmen blijft het bij één keer

Maar hoe begin je aan zo’n systeem waarbij van iedereen – naar redelijkheid – verwacht wordt dat hij of zij kan lezen en schrijven als hij van de basisschool komt? Het is een weinig opzienbarend geheim: voorlezen. Voorlezen. Voorlezen!

Voorlezen thuis en voorlezen op school. Voorlezen is intiemer dan seks, omdat het iets is dat je voor elkaar doet zonder iets terug te verwachten. Je geeft elkaar exclusieve aandacht (quality time), en dat is fijn. Houd dus nóóit op met voorlezen, ook niet als je kind zelf kan lezen of als je partner morgen vroeg op moet en geen zin heeft in seks en een verhaal. En vergeet niet kinderen de ruimte te geven om aan jóú voor te lezen! Dat kunnen ze al in groep 3!

Laat kinderen zodra het mogelijk is een leesdagboek bijhouden. In dat schrift, dat de hele school meegaat, houden kinderen (volwassenen evengoed) bij wat ze gelezen hebben. Door een nieuw boek in de bestaande context van een vorig boek te plaatsen, wordt het veel eenvoudiger om iets te vertellen over een leeservaring: ik vond dit boek beter/slechter dan het vorige, omdat…

Lezen als routine

Ruim elke dag voor alle kinderen tijd in om zelf te lezen. Breng het als een beloning en niet als een straf. Het gaat erom lezen tot een dagelijkse routine te maken. Nu zijn we steeds vaker geneigd om te zeggen: heb jij geen zin in lezen? Nou, dan hoeft het niet. Maar zonder oefening vindt niemand iets leuk! Je kunt een kind in het water gooien, maar als je het niet leert zwemmen blijft het bij één keer. Kinderen gaan iets leuk vinden omdat ze het kúnnen, en dat vergt nu eenmaal oefening en een zekere discipline.

Bij lezen gaat het net zo. Je leert goed lezen door het regelmatig te doen, niet door te doen alsof je een kind aan het mishandelen bent als het moet lezen.

Na verloop van tijd gaan veel kinderen lezen en schrijven saai vinden in vergelijking met wat er allemaal leuker en spannender uitziet, zoals de computer en de smartphone. Dat komt onder meer doordat lezen en schrijven het imago van sleur opgedrongen is in plaats van: een ritueel. Kinderen lezen graag wat ze al machtig zijn, maar van te veel herhaling ga je je vervelen. Je moet zorgen voor boeken op een naar boven getrapt niveau, zodat lezen uitdagend blijft. Dat doe je onder meer door boeken te kiezen waar je als volwassene zélf plezier aan beleeft als je ze voorleest. Inderdaad, dan moet je je in boeken voor de jeugd verdiepen, en dat is helemaal geen straf. Een goede tip is: een boek voorlezen dat een kind in principe zelf kan lezen, stoppen als het spannend wordt en zeggen dat je morgen doorgaat. Menig kind zal het boek zelf oppakken om het uit te lezen.

Alsof het drugs zijn

De media moeten boeken weer belangrijk gaan vinden. Niet alleen literatuur voor volwassenen, maar ook literatuur voor lezers die nog volwassen moeten worden. Denken dat het lezen van goede boeken je wel komt aanwaaien als je eenmaal volwassen bent, is kortzichtig. Ben je een lezer eenmaal kwijt omdat je hem hebt veronachtzaamd of genegeerd, dan win je hem niet meer terug. Zo lang recensenten en anderen die boeken onder de aandacht willen brengen, met hun rug naar kinderen blijven staan, verliezen ze uiteindelijk hun eigen bestaansrecht.Op nrc.nl wekelijks een kinderboekrecensie: in de rubriek Kinderboeken

We moeten boeken weer zichtbaar maken in de leefomgeving van kinderen, in plaats van ze bij hen weg te houden alsof het drugs zijn. In televisieprogramma’s en op internet zijn boeken uit de huizen waar mensen leven verbannen. We moeten ze terughalen. Niet vrijblijvend maar omdat het moet. Gezond leven is gezond lezen. Mensen die goed kunnen lezen en schrijven zie je in het theater en bij culturele manifestaties. Mensen die moeite hebben met lezen en schrijven zijn oververtegenwoordigd in de wachtkamer van het ziekenhuis.

Uw kind kan stikken – Rosanne Hertzberger

Wij kochten een opblaasbaar zwembadje voor onze oudste. Het is een wonder dat hij dat overleefd heeft. Op het blauwe plastic stond de waarschuwing voor zijn verdrinkingsdood in 27 talen. ‘Zonder toezicht is het leven van uw kind in gevaar’. Verderop: ‘Children have drowned in portable swimming pools’. Zo praten fabrikanten tegen ouders. ‘Let een beetje op’ is niet genoeg. Zoals er plaatjes van verkankerde longen op sigarettenpakjes prijken worden zwembadjes beplakt met de overlijdensberichten van verdronken kinderen. Er stonden trouwens nog meer waarschuwingen op ons zwembad: kinderen konden kleine onderdelen inslikken. En oudere kinderen kunnen zomaar besluiten om in het 20 centimeter diepe water te duiken en daarbij verlamd raken. ‘Inflate your fun’ is de slogan van het product.

Het went nooit echt, dat levensgevaar waarin onze kinderen zich telkens bevinden. Vooral de kleinste balanceert permanent op het randje van de dood. Voor moeders die daar niet 24 uur per dag bij stil staan zijn er gelukkig genoeg waarschuwingen om haar eraan te helpen herinneren. Uw kind kan stikken in de draagzak. Doodvallen uit zijn stoel. Gewurgd worden door de riempjes. Hij kan verpakkingen over zijn hoofd trekken. En alles wat kleiner is dan een tennisbal kan hij inslikken. Als u uw kind een nachtje per ongeluk te warm hebt aangekleed, is dat niet gewoon een beetje onprettig voor hem. Warmtestuwing is een oorzaak van wiegendood. Houd uw kind geen seconde in de zon. Niet omdat een rood randje pijn doet. Nee, zon leidt tot huidkanker, en van huidkanker ga je dood.

Kook je flesjes. Kook je speentjes. Kook je kolfonderdelen. Driemaal daags en nog een keer, voor de zekerheid. Verwarm je flesje, maar pas op voor hete plekken, want je kind verbrandt zijn tong. Volg een kinder-EHBO-cursus voor het geval hij dreigt te stikken bij het drinken. En giet de moedermelk door de gootsteen, na een uur, want die wordt niet zomaar een beetje zuur. Binnen de kortste keren zwermen er enge bacteriën in rond. Borstvoeding is levensgevaarlijk. Flesvoeding is nog erger.

En als het donker wordt, zoekt de dood naar kieren en ramen om uw huis binnen te sluipen. De belangrijkste risicofactoren zijn bekend: buikslapen, roken, dekbedjes. Maar er is altijd meer wat je kan doen. Een veilige kinderkamer lijkt op een isoleercel. Geen speeltjes, geen knuffeltjes. En houd de baby te allen tijde in de buurt. Wist u dat er wel eens een kindje in een hemeltje is gestikt? Slapen is het veiligst met permanente bewaking van een oplettende ouder. Zelfs de producent van het reiswiegje verzekerde me dat mijn kind zonder toezicht gevaar loopt. (Ik beken eerlijk dat ik misschien per ongeluk toch een keer mijn ogen heb durven sluiten.) Maar té dichtbij is ook niet zonder risico. Wie na een nachtvoeding in slaap valt naast het kind, brengt hem in groot gevaar. Houd jezelf dus wakker, desnoods met pijnprikkels. Flitslichten. Harde muziek. Of voed alleen in kaarsrechte positie op een hard bankje. Het zijn heus niet alleen olifanten die hun kind per ongeluk dooddrukken.

Het ergste is dat al die veiligheid effectief is. Waarschuwingen hebben alleen maar winnaars. Elk jaar sterven minder baby’s dankzij de permanente noodtoestand die in huishoudens met jonge kinderen heerst. Nederland had in 1985 191 gevallen van wiegendood, in 1995 nog maar 48. En in 2015 maar 7. We hebben het spelletje bijna uitgespeeld. En die veiligheid is ogenschijnlijk gratis. De effecten van de angst zijn nauwelijks in cijfers te vangen. En zoja, wie geeft er dan om een paar honderdduizenden gevallen van nachtzweten, of vermoeidheid, of dat piepkleine beetje verlies van onschuldig speelplezier als je daarmee jaarlijks één kinderleven kan redden. Of een halve. Of een tiende.

Herhaal dus duizendmaal: mijn kind kan stikken. Mijn kind kan vallen. Mijn kind kan op zijn buik draaien en dan alsnog sterven. Slaap is levensgevaarlijk. Maar vergeet het vooral niet veel te doen. Want niet slapen is erger. Oververmoeide moeders maken fouten, en fouten leiden tot de dood. Na korte nachten vol koortsdromen over dode baby’s, kunt u gefrustreerd raken. Leg uw schreeuwende kind dan in zijn bed en probeer ergens anders tot rust te komen. Dit alles in verband met de veiligheid. Het zou niet de eerste keer zijn dat een wanhopige moeder haar kind door elkaar schudt, met de dood tot gevolg. Voelt u zich trouwens wel eens overbezorgd? Angstig? Ook dat is levensgevaarlijk. Het zou een depressie kunnen zijn en we weten allemaal wat depressieve moeders wel eens doen.

Het is hoog tijd om ons recht op stilte terug te eisen – Sander van Walsum

We maken met zijn allen steeds meer lawaai. Veel daarvan is zinloos, het bijproduct van onze vrijheid. Sander van Walsum roept op om elkaar er toch maar weer eens op aan te spreken.

Sommige dingen meen je zeker te weten. Dat we elkaar blootstellen aan steeds meer lawaai bijvoorbeeld. Zeker als het land in zomerse genoegens wordt gedompeld. Motorrijders trekken er in kuddeverband op uit met helse machines die veel harder knetteren dan nodig is. Stadse buitenmensen installeren hun kookeilanden, loungehoeken en geluidsapparatuur in de tuin of op het dakterras zodra de thermometer de 15 graden Celsius overschrijdt. Een uitdijende schare hobbyisten verricht met boor- en schuurmachines achterstallig onderhoud aan huis en tuin. De kinderen van mijn overburen schreeuwen veel harder dan ik mij van vorig jaar herinner. Hun schelle stemmen dringen, als er weer een twist ontstaat bij de trampoline, via geopende balkondeuren tot alle omwonenden door. En hun ouders denken dat dit er nu eenmaal bij hoort, bij kinderen hebben.

Het circuit van Zandvoort is bij aanlandige wind op grote afstand hoorbaar. Prins Bernhard, aan wiens naam sinds kort niet meer ‘junior’ wordt toegevoegd, wil daar ook nog eens formule 1-races laten verrijden. Als inwoner van Haarlem moet ik daar niet aan denken: nu al wordt de lucht boven het Kennemer land enkele weekenden per jaar verscheurd door de herrie waaraan autoliefhebbers zich tegen betaling blootstellen. En dan zijn er nog de achthonderd muziekfestivals die elk jaar in Nederland worden gehouden. De bladblazers. De toeristen met hun rolkoffers. De doffe dreun die opklinkt vanuit passerende auto’s. Uitgaand publiek dat passanten schreeuwend deelgenoot maakt van het eigen vertier. En sinds zeer kort is daar nog een nieuwe bron van lawaai aan toegevoegd, horend bij een nieuwe liefhebberij: het gezoem – het akoestisch equivalent van enkele forse muggen in je oorschelp – van drones die in parken, op het strand en op open plekken in het bos worden opgelaten. Soms vliegt zo’n drone gezellig een stukje met de passerende wandelaar mee.

Consumeren

Waar mensen zijn, is lawaai. En het aantal inwoners van Nederland is sinds 1938 verdubbeld – tot ruim 17 miljoen. Al die mensen zijn enthousiast aan het consumeren geslagen. Veel van hun consumptieartikelen produceren lawaai. Zinloos lawaai. Geen lawaai dat de industriële samenleving nu eenmaal vergezelt – het geluid van de bouwnijverheid, van vrachtwagens en sneltreinen – maar lawaai dat uitdrukking geeft aan een bepaalde leefwijze, die vaak voor levenskúnst wordt gehouden.

Het zijn relatief nieuwe geluiden. En ze horen bij een samenleving die de sociale controle min of meer heeft afgeschaft. Veroorzakers van akoestische vervuiling worden dus zelden op hun gedrag aangesproken (wat in het geval van motorrijders ook praktisch ondoenlijk is). En wie hinder ondervindt van akoestische vervuiling, huivert vaak om daar uiting aan te geven. Wie zich bij een buurtgenoot beklaagt over een middernachtelijk tuinfeest, voelt zich toch een beetje een lul. Een fatsoensrakker – zoals in de jaren zestig een categorie burgers werd omschreven waar niemand bij wilde horen. Iemand die anderen hun feestje wil ontzeggen. Ikzelf heb het enkele maanden geleden toch een keer geprobeerd, nadat een feest bij een van de achterburen zich van binnen naar buiten had verplaatst. Mijn interventie, in ochtendjas, resulteerde in een vruchteloze discussie over de vraag of in het weekend andere geluidsnormen golden dan door de week, en of 1 uur ’s nachts een geschikt tijdstip was voor een onaangekondigd tuinfeest. Zij vonden van wel. Ik vond van niet.

Wat zinloos lawaai voor de een is, is plezier en vrijheid voor de ander. De akoestische ruimte is openbare ruimte waarin belangen en opvattingen vaak botsen. Over het gebruik van die ruimte zijn ook moeilijk afspraken te maken omdat lawaai tot op zekere hoogte een subjectieve grootheid is. De een ervaart het gebeier van kerkklokken op de vroege zondagochtend als akoestisch onderdeel van een dorp of provinciestad. Voor anderen is het een onwelkome en ongevraagde resonantie uit de tijd waarin de kerk het nog voor het zeggen had.

Toch is het niet gezegd dat het lawaai dat in Nederland wordt geproduceerd in dezelfde mate is gegroeid als de bevolking. Een paar jaren geleden was in Amsterdam een tentoonstelling ingericht over het geluid van de grote stad – vroeger en nu. Onderdeel van die tentoonstelling was een simulatie van het lawaai dat in 1935 hoorbaar moet zijn geweest. Wat bleek: destijds was veel meer sprake van harde, naast elkaar staande geluiden: piepende trams, toeterende auto’s met ontploffingsmotors en rammelende carrosserieën, schreeuwende marktkooplieden, het geluid van werkplaatsen die toen nog in de stad waren gevestigd. Het geluid van toen was volgens Karin Bijsterveld, hoogleraar Wetenschap, Technologie en Moderne Cultuur aan de Universiteit Maastricht, chaotischer, nerveuzer en – mogelijk – meer belastend dan de permanente ruis van de hedendaagse stad.

Het karakter van sommige geluiden is bovendien veranderd. Neem de auto. Het aantal auto’s op de Nederlandse wegen was in 1935 weliswaar veel kleiner dan nu, maar ze produceerden destijds wel meer lawaai. De ontploffingsmotor deed zijn naam nog eer aan. Zijn lawaai was onderdeel van het statussymbool dat de auto was, toen nog meer dan nu. En het toeteren werd lange tijd door de overheid aangemoedigd. Omwille van de verkeersveiligheid. Aan die herrie viel destijds wel makkelijker te ontkomen dan aan het alomtegenwoordige geruis van nu. Vroeger trad buiten de bebouwde kom de stilte in. Nu moet de Randstedeling daarvoor de koffers pakken. En dan nog is het de vraag of hij in Vierhouten of de Achterhoek niet op een rally van oldtimers wordt getrakteerd.

De geluiden van de nieuwe tijd bleven overigens niet onweersproken. Zo werden in het holst van de jaren dertig, de economische crisis en het opkomend fascisme ten spijt, stilteacties gehouden tegen noviteiten als de autoradio. De antilawaai-activisten – beschavingsmissionarissen, in hun eigen ogen – zagen hun inzet vaak met succes beloond. Het genot van de autoradio, en later van de transistorradio en de gettoblaster, werd vergaand ‘geprivatiseerd’. De ‘hamerende beroepen’ – smederijen, blikslagerijen en slotenmakers – verdwenen uit de binnensteden, voor zover ze al niet door de tijd waren ingehaald. En zo zal ook de rolkoffer zoals wij die kennen uit de toeristencentra worden geweerd en zal het geluidsniveau van muziekfestivals worden begrensd. In verschillende Amerikaanse staten is de bladblazer al in de ban gedaan. Ooit behoorde het recht om in een stille straat te wonen tot de arbeidsvoorwaarden van hoogleraren. Nu komt het iedereen toe.

Recht op vertier

Maar in een overvol land als het onze staat het recht op stilte van de een al snel op gespannen voet met het veronderstelde recht op vertier van de ander. In 1967, toen het ‘nieuwe Schiphol’ in gebruik werd genomen, deden ruim drie miljoen vertrekkende, aankomende en overstappende passagiers de nationale luchthaven aan. Nu komen er elk jaar ongeveer zoveel passagiers bij, tot ruim 63 miljoen in 2016 – 21 maal meer dan in 1967 en tweemaal meer dan in 1997. Maar nog steeds wordt het recht op grenzeloze mobiliteit – een gekoesterde verworvenheid – niet ter discussie gesteld. We willen anderen hun feestje niet ontzeggen. We willen onszelf ons feestje niet ontzeggen. We willen de vrijheid van de consument niet beknotten. Dus volstaan we met de bestrijding van de groeisymptomen. De vliegtuigen worden stiller. Luchthaven Lelystad voldoet toch aan de geluidsnormen. Airbnb wordt aan banden gelegd. En de rolkoffers krijgen zacht rubberen wieltjes. Maar het recht van de toerist om voor een paar tientjes naar Barcelona te vliegen, blijft onaangetast. Met alle gevolgen van dien voor steeds meer omwonenden van Schiphol en – straks – van Lelystad.

Lawaai is tenslotte het bijproduct van vrijheid. En vrijheid, daar kom je niet aan. Wie in vrijheid wil leven, moet enig lawaai verdragen. Mensen die een dictatuur hebben meegemaakt, herinneren zich onder andere de stilte. De stilte van de avondklok, van het gereglementeerde openbare leven, en van de angst om de aandacht op zichzelf te vestigen. Stilte roept al gauw een gevoel van beklemming op. De bevrijding van de opgelegde stilte gaat gepaard met vreugdevuren en lawaai. Lawaai vergezelt de ontketening.

Er wordt dus veel lawaai gemaakt in Nederland. De indringendste bron van herrie is die van de motorrijders die deze dagen collectief de nieuwe zomer vieren. De luidste motoren zijn zo aanstootgevend omdat het lawaai essentieel is voor het particuliere genoegen van de berijder. Die eist eenzijdig een grote hap van de openbare ruimte voor zichzelf op. Elke zonnige dag opnieuw. En niemand die zijn recht om lawaai te maken ter discussie stelt. De wetgever niet, mogelijk uit beduchtheid voor de electorale consequenties. De politie niet, omdat die wel wat beters heeft te doen. En de medeburger niet, omdat die zichzelf in lijdzaamheid heeft geoefend. Zinloos lawaai? Het hoort er nu eenmaal bij.

Liever sluit hij zich op in zijn eigen akoestische cocon. Met koptelefoons en, meer recent, individuele geluidszones kunnen meerdere mensen in één ruimte gelijktijdig naar hun eigen muziek luisteren. Lawaai of stilte als individuele opties; mensen die hun eigen weg gaan – de een in een wolk van volmaakte stilte, de ander in een wolk van, al dan niet te luide, muziek. Om de een of andere reden klinkt het niet erg aantrekkelijk. De openbare akoestische ruimte verwordt tot een niemandsland waarvoor niemand zich nog verantwoordelijk voelt.

Het lawaai moet niet worden gemaskeerd of ingekapseld, het moet zo veel mogelijk worden uitgebannen. Door het aantal luchtreizen per burger te rantsoeneren. Door lawaaiige voertuigen van de wegen te weren. En door de sociale controle over de openbare ruimte te herstellen. Spreek de buren toch maar aan over die eeuwig blaffende hond of over een onaangekondigd tuinfeest – op het gevaar af voor fatsoensrakker te worden gehouden. Zo kom je nog eens in gesprek met mensen die je anders alleen maar zou horen.

Er is geen ontkomen meer aan: „ik ben dus ziek.” – Floor van Liemt

Het stormt vandaag. Op het station lopen mensen met stevige pas in alle richtingen. Een vrouw rent met een treurig boeket in haar hand, de meeste bloemen hebben hun blaadjes moeten afstaan aan de wind. Voor het scherm met vertrektijden staat een menigte met verwarde blik te turen. Het is nat, koud en chaotisch.

Ik heb maar een klein stuk moeten rennen en toch arriveer ik uitgeput op spoor 5. De trein zit bomvol, het is de enige die nog gaat. Met moeite wurm ik me tussen de mensen die als sardientjes in een blik in het treinstel staan. Rechts van me een meisje van mijn leeftijd met een enorme rugtas die in mijn gezicht drukt, links een neuroot die met iedereen een praatje probeert te maken. Achter me probeert een Italiaanse jongen zijn vriendin te kalmeren, wier gezicht wel heel erg wit ziet. Dit lijkt mij in verband te staan met de enorme wietlucht die om haar heen hangt, maar bezorgd buigen omstanders zich over haar heen.

Alsof zíj degene is die ziek is.

Met mijn neus sta ik tegen het beslagen raam van de deur. Ik ben erg benauwd en word overvallen door een vlaag van paniek. Ik leg mijn hand op mijn buik en probeer me te concentreren op de ademhalingsoefeningen die ik van mijn yoga-lerares geleerd heb. Af en toe doe ik mijn ogen dicht. Zo weet ik mezelf af te sluiten van alle rumoer om me heen.

Ik voel me kwaad. Kwaad dat het rotweer is en dat ik in deze rottrein sta. Ik word nog bozer als we aankomen op Schiphol in plaats van op Amsterdam Centraal, en overstappen ook niet meer mogelijk blijkt. Heb ik met die kanker niet al genoeg pech gehad? Het voelt alsof iemand mij ongelooflijk zit te treiteren, maar ik weet niet wie. Ik weet niet op wie ik boos moet zijn.

Buiten sta ik in een rij met schreeuwerige toeristen te wachten op een taxi. Ik ben opgelucht als ik eindelijk in een auto zit. De chauffeur merkt op dat ik wel erg veel zucht. Dat is een gevolg van de benauwdheid. „Ja, ik heb een beetje stress”, antwoord ik, gevolgd door een kuchje. „Het heerst hè, beterschap”, zegt de man met een buitenlands accent dat ik niet kan plaatsen.

Hij moest eens weten, denk ik, maar ik dank hem en laat het daarbij. „Studeer je in Amsterdam?” vraagt hij geïnteresseerd. „Nee, in Utrecht.” „Oh, ga je dan bij iemand op bezoek?” „Nee, ik woon hier nu net.” „Is dat niet onhandig, als je in Utrecht studeert?” „Ik studeer nu even niet, want…” Er is geen ontkomen meer aan: „ik ben dus ziek.”

Door de spiegel kijken zijn lieve bruine ogen mij indringend aan. Voorzichtig vraagt hij wat ik dan heb. „Kanker. In de longen. Gek hè?” Ik probeer de boodschap niet te hard te laten klinken. De man schiet vol. „Ach, sorry dat ik emotioneel word hoor. Mijn zusje is eraan overleden.” Dan voel ik zelf ook een traan over mijn wang lopen.

We rijden door het drukke verkeer, de schitterende lichten en de hoge gebouwen. Buiten klettert de regen agressief op de grond. Maar binnen in de auto is het kalm. Ondanks de stilte voel ik me even heel erg verbonden met deze vreemdeling.

Als we bij mijn huis aankomen, zegt hij: „Ik zie dat jij heel sterk bent. Je ziet er niks van. Laat je niet gek maken.” Ik hoef niet te betalen. Als ik de taxi uitstap is de magie van verbondenheid weer verbroken. Onze wegen scheiden en beiden lossen we weer op in de grote stad. Ik voel me dankbaar.

Kinderverjaardag – Marcel van Roosmalen

De jongste dochter werd 1, ze had nu al meer vrienden dan ik. Veel meer vrienden dan we verwacht hadden ook. Wij kwamen nooit op kinderverjaardagen en hadden er een beetje op gerekend dat we met gelijke munt terug zouden worden betaald, maar dat was niet zo. Er kwamen zelfs mensen uit het dorp, de door ons zelf gebakken appeltaart viel van schrik uit elkaar. Op de grond krioelden vijf of zes kinderen over en door de jarige heen.

Ik probeerde wanhopig te communiceren met de volwassenen, wat niet ging omdat ze allemaal wel een kind hadden waar ze op moesten focussen. Alleen met mijn moeder had ik contact. Ze had de jarige een pratend paasei gegeven dat je kon verstoppen en dat dan uit zichzelf ‘ik ben verstopt hoor’ zou roepen, maar het cadeau zweeg nadat ze het had verstopt en dat lag niet aan haar gehoorapparaat.

Ik werd aangeroepen, de oudste werd in mijn richting geduwd. „Ruik jij effe of ze een volle luier heeft.”

Dat aan elkaars gat ruiken in gezelschap vind ik nog steeds moeilijk, maar om me heen keken ze er niet van op dat ik haar tot boven mijn gezicht tilde en nadrukkelijk snoof.

„En?” Ik: „Ja, ik denk wel dat er iets in zit.”

Met een tegenstribbelend kind naar boven, achtervolgd door twee kinderen waarvan ik de namen niet wist en waarvan ik hoopte dat ze niet achterwaarts de trap af zouden vallen. Op het verschoningskussen bleek dat er niet gepoept was.

Groot onrecht, dikke tranen.

Weer beneden genoot ik van de oudste die al de cadeaus uit de handen van haar zusje griste. Ik zag onder andere een plastic piano waaruit dierengeluiden kwamen, een auto met zwaailicht en geluidendoos voorbijkomen, daar gingen we nog veel plezier aan beleven.

Daarna het gevecht om aandacht.

Nadat de eerste gewonde was gevallen – hoofdje tegen een tafelrand – viel de oudste om de zoveel tijd om, waarna ze getroost moest worden. Ik was goed in troosten.

Zo goed, dat ze allemaal door mij getroost moesten worden, want ze begonnen allemaal om te vallen. Het grapje dat ik alleen mijn eigen kinderen troostte werd niet door iedereen begrepen.

Ik roerde door de koffie.

Ik leerde: als je even niets weet te zeggen doet de opmerking dat je nog steeds gestopt met roken het altijd goed.

Moe, maar tevreden in bed, dachten we kort dat er indringers in huis waren. Ik werd erop uitgestuurd. Op de gang lag een plastic paasei dat de hele dag had gezwegen maar nu niet meer kon stoppen met zeggen dat het gevonden wilde worden.

Fooidwang – Thomas van Luyn

Gooi desnoods de prijzen 15 procent omhoog, maar stop de fooidwang. Verbied het

Het toetje is genuttigd, de koffie genoten, de rekening gebracht. Terwijl mijn gezelschap vrolijk kakelt, buig ik mij over de cijfertjes, met de knoop in de maag die veroorzaakt wordt door het kwaad dat geen regering ter wereld durft aan te pakken, de misstand die geen journalist aan de kaak durft te stellen, het onrecht waar geen burger zich tegen durft te verzetten. Het aankaarten ervan alleen al zal mij op boze mailtjes en mogelijk doodsbedreigingen komen te staan. Maar hier sta ik, ik kan niet anders: fooi.

Fooi moet verboden worden, fooi moet dood. Fooi omzeilt alle normen en afspraken waaraan we de afgelopen eeuwen hebben gebouwd. Regeringen zijn gekozen en gevallen op loonafspraken, minimumloon en sociale lasten. En ineens zeilt daar een ongemakkelijke en onnodige transactie doorheen, eentje waarbij je als klant gedwongen wordt tot een soort indirect functioneringsgesprek: meneer de ober, ik vond u aardig, maar ook té kletserig naar mijn smaak. U was erg alert op het bijvullen van onze glazen, maar dat wou ik juist niet, want ik probeer minder te drinken. U legde vriendelijk uit wat er op ons bord lag, maar u sprak ‘entrecôte’ verkeerd uit, en daardoor vind ik u een eikel. Ik vond u dan ook geen extra beloning waard. Echter: ik durf dat niet te zeggen, dus ik geef u, namens het hele gezelschap, geheel tegen mijn zin in een bonus van 17 euro, omdat ik bang bent dat u anders boos op mij zult zijn.

Dit is de ultieme overwinning van passieve agressie: zonder onvertogen woord mij het gevoel geven dat ik tekortschiet. Ik zou ook schijt kunnen hebben aan wat de bediening van me vindt, maar goedbeschouwd is fooi een belasting op behaagziekte, en daar heb ik nou eenmaal nogal veel van.

Fooi is overgewaaid uit Amerika, op dezelfde boot waar ook obesitas en halloween verstekeling waren

En het hoeft niet, mensen, vroeger deden we er ook niet aan. Mijn vader verzekert mij dat er in zijn tijd nooit fooi werd gegeven en hij kan het weten, want hij leefde toen. Fooi is overgewaaid uit Amerika, op dezelfde boot waar ook obesitas en halloween verstekeling waren. We zagen het niet aankomen, we waren machteloos toen taxichauffeurs ons met vragende ogen begonnen aan te kijken bij het afrekenen, en daarna obers, en nu kappers. That’s right: kappers! Ineens, zonder overleg, zonder enig denkwerk of planning of onderzoek naar de invloed ervan op het koopkrachtplaatje, is het betaalmoment er eentje geworden waarin de kapper je net net iets te lang aankijkt nadat hij het bedrag heeft genoemd, waarin het ineens erg ingewikkeld blijkt gepast wisselgeld te vinden of het juiste bedrag in te toetsen in de pinautomaat. Ik zou het graag aankaarten, maar naar dat gesprek kijk ik niet uit.

‘Verwacht u fooi?’

‘Tja, dat is aan u, maar…’

‘In dat geval krijgt u niks. Ik wil geknipt worden godverdomme, niet aanschuiven bij de loononderhandelingen.’

Dat zal ik nooit zeggen, dus rekenen we zwijgend af, beiden bezorgd over het oordeel van de ander.

En dit onkruid breidt zich uit. In koffiezaken, bij fietsenmakers, bij pedicures: overal verschijnen schoteltjes, potjes en vragende blikken. Ik zeg: wees helder, gooi desnoods de prijzen met 15 procent omhoog. Maar stop de fooidwang. Leuk weetje: als u een fooienpot ziet staan, mag u die legen in uw jaszak, Geen wet die dat verbiedt.

Kersttruien – Marcel van Roosmalen

Het nieuwe huis stond naast de dorpsschool. Ik keek iedere dag naar het gedoe. Het halen en brengen, het lamlendige wachten op je kind achter dat hekje.

Op een ochtend werden we verrast door de aankomst van Sinterklaas. Deze keer kwam hij aan met een tractor.

Wij naar buiten.

Een vrouw met een kastanjekleurig kapsel, die het simultaan zwaaien met zaklampjes coördineerde, kwam van het schoolplein naar ons toegebeend. ‘Op hoge poten’, zou je kunnen schrijven, maar dat zou de werkelijkheid geweld aan doen.

De sint kwam van rechts, hadden we een brief over gehad, dus of we in verband met de zichtlijnen vanaf het schoolplein niet in ons voortuintje wilden blijven staan.

Ik dacht nog even dat ik met het hoofd van de school van doen had, maar ze was een hulpmoeder.

Gisteren was ze weer actief.

Ze vuurde in een groene kersttrui (dat doet niet ter zake, maar ik zeg het er graag even bij) een ploegje andere hulpmoeders aan. Vrouwen in gewatteerde jassen bij wie de zware decembermaand al begon te tekenen op de gezichten. Ze sjouwden statafels vanuit de school naar buiten.

„Kerstviering”, hijgde een hulpmoeder. „Alle ouders hebben iets gekookt en vanavond komt iedereen!”

Ze strekte haar arm en schetste een vergezicht.

„Daar en daar komen ook nog vuurkorven …”

De statafels waren bedoeld voor de rokende ouders- verzorgers. Dat waren er nogal wat, wist ik inmiddels, zodat die ook een leuke avond zouden hebben.

’s Avonds zag ik ze uit alle hoeken en gaten naar de school komen. Als mieren, het zelfbereide voedsel nog net niet boven het hoofd.

O, afschrikwekkend voorland.

Ik zag ons al, met baksels in zilverfolie, of nog in een pan in een rode plastic tas van de Vomar.

Alles uitstallen op aan elkaar geschakelde tafeltjes in het klaslokaal van de oudste dochter en daarna met een plastic bordje aanschuiven in de rij.

Gesprekken met hulpmoeders in kersttruien die maar blijven zeggen dat het er allemaal heerlijk uitziet, dat ze niet kunnen kiezen wat ze gaan eten en dat het altijd dezelfden zijn die alles moeten voorbereiden.

Buiten was inmiddels ook kerstmuziek.

De eerste ouders stonden al met een glühwein in de hand rondom een vuurkorf op het schoolplein. Zwijgen en in het vuur staren. Als je ertussen moest staan zou je kunnen denken: echt zo’n moment om weer te beginnen met roken.

Fabrikanten zijn dol op cijfers, maar dat is niet per se een succes – Teun van de Keuken

Cijfers zijn lekker. Je kunt anderen ermee overtroeven en het bos insturen. Je kunt er status aan ontlenen én je kunt er de indruk mee wekken heel exact te zijn. Geen wonder dat politici er dol op zijn.

Ook fabrikanten zijn niet wars van een klinkend getal op hun verpakking. Daarover straks meer, maar eerst een paar woorden over Herodotus, die in zijn Historiën geschiedkundig onderzoek afwisselt met een persoonlijk verslag van zijn verre reizen. Heeft hij de plaatsen die hij beschrijft werkelijk bezocht? Waarschijnlijk niet allemaal. Toch wekt hij de indruk van wel. Hiervoor gebruikte hij onder andere de truc van de onnauwkeurigheid. Door niet te zeggen dat er ergens precies drieëndertig mannen stonden, maar eerder te spreken over ‘een man of dertig, vijfendertig’, komt hij betrouwbaar over. Zo niet exact zijn ooggetuigen immers! Heel slim.

Jumbo doet ook zoiets. Op zijn pak bitterkoekjes staat ‘circa 23 stuks’. Wat voor een historicus werkt, is niet per se succesvol is in de supermarkt. Je vraagt je nu vooral af of de fabrikant wel weet hoeveel koekjes hij in zijn pakjes stopt. Doet hij er nu eens meer, dan weer minder in?

Fabrikanten zijn dol op percentages. Om aan te geven dat ergens minder van in zit: ‘Ribbelchips, met 55 procent minder vet’. Of juist meer: Douwe Egberts heeft koffie met ’40 procent meer aroma’ en Kneipp douchegel belooft ’25 procent meer genieten’. Maar meer of minder dan wat? Hoe meet je überhaupt het genietpercentage? En is dat wel voor iedere klant gelijk?

Het populairst op verpakkingen is de volle 100 procent. Glorix belooft ‘100 procent hygiëne’, Croky chips zijn ‘100 procent ok’ en Peijnenburg zero heeft 100 procent smaak. Nogal wiedes zou je zeggen. Probeer maar eens voedsel te maken met 75 procent smaak. Voor een kwart smaakt het helemaal nergens naar. Knap lastig.

Cheesepop, een wonderlijke gepofte kaassnack is ‘100 procent kaas, zonder toevoegingen’. Wat zijn de kleurstoffen E160b, E160a en het conserveermiddel E251 dan? Unox knaks is ‘bereid met 100 procent puur kwaliteitsvlees’. Klinkt goed, wat is het? 80 procent varkensvlees waarvan 33 procent separatorvlees. De één zijn kwaliteit, is de ander zijn rommel.

Triest is de Pritt-stift, die niet verder weet te komen dan ’90 procent natural ingredients’ en de belofte van Maandverband Always ultra is nietszeggend en enigszins zorgwekkend: ‘Up to 100 procent protection’. Dat kun je overal wel opzetten. Maar kom bij doorlekken niet klagen, want we hebben je gewaarschuwd!

Die koekenbakkers van Australian hebben twee percentages domweg bij elkaar opgeteld!

Kent u die types die zich voor duizend procent zullen inzetten? Ik zou ze nooit inhuren. Ze zijn dom of ze denken dat ik dom ben. Op een etalage in de buurt staat ‘101 procent Xenos ‘. Nét dat procentje meer. Leuk geprobeerd, toch gefaald.

En dan de chocoladerepen van het (niet Australische) Australian. Die bevatten 110 procent cacao. Wat blijkt? In een verpakking zitten twee reepjes met beide een cacaopercentage van 55 procent. Die koekenbakkers hebben die percentages domweg bij elkaar opgeteld! Zijn zij nu zo dom of denken ze dat ik gek ben? En als je die repen nu doormidden breekt? Heb je dan opeens 220 procent cacao? Laat de NVWA daar eens naar kijken.

Nick Cave – Marcel van Roosmalen

Nick Cave and the Bad Seeds deden de Ziggo Dome in Amsterdam. Op de dag van het concert belde de vrouw met wie ik in een ander leven samenwoonde in een kamer van twintig vierkante meter in het centrum van Nijmegen. Met haar twee katten, waarvan de oudste een darmprobleem had. Ik kon me weinig activiteit herinneren, behalve dat we zo vaak naar de cd The Good Son luisterden, dat ik me met terugwerkende kracht kan voorstellen waarom de andere bewoners van dat pand er gek van werden.

Ze had kaarten.

„We gaan”, zei ze beslist, alsof het weer 1990 was en we ieder moment naar kelder café Gonzo konden vertrekken. Volgens mij smeerden we toen zeep in onze haren.

Ze kwam in haar Volkswagen.

Ik had om in de sfeer te blijven maar iets met veel groenten gekookt, de maaltijden hingen toen van preitaarten en bietenschotels aan elkaar. De Vriendin parkeerde de jongste op haar schoot, een gesprek voeren ging niet met twee kleine kinderen erbij. Op de fiets van mijn huis naar de Ziggo Dome. Mijn idee: ik zei dat dat het meest praktisch was.

Het regende, ik kreeg een klapband. Dat was dan nog wel steeds hetzelfde, merkte ze iets te terloops op, dat al mijn goede ideeën altijd eindigden in chaos. Ze had zich vooraf veel van de avond voorgesteld, maar niet dat we ergens tussen de weilanden bij Duivendrecht in de stromende regen met een kapotte fiets zouden staan.

Bij de ingang vonden ze haar handtas te groot, toen de woede daarover gezakt was vonden we onszelf terug op de eerste ring, tussen zeventienduizend andere ANWB-leden op stoeltjes met kussentjes. We moesten alle twee een bril op omdat we het podium anders niet konden zien.

Eigenlijk was alleen Nick Cave niet ouder geworden.

Zij moest vier keer naar de wc.

Bier kostte anderhalf muntje.

Tijdens de laatste nummers werd het podium ingenomen door oudere jongeren, die hun leeftijd van zich af probeerden te dansen. Na afloop tussen mensen die het net als wij intens en schitterend hadden gevonden. Bijna iedereen was gestopt met roken.

De volgende dag meldde ze dat pas ze om twee uur ’s nachts haar auto in de vinexwijk parkeerde, vroeger begon het toen. Ze was geen muziek meer gaan luisteren, uit respect voor man en kinderen.

Het was fijn dat we gegaan waren, vooral omdat we anders spijt hadden gehad.