Categorieën
Mensen

Alcohol free – Jan Heemskerk

Ruim een jaar geleden besloot Jan Heemskerk te stoppen met drinken. Er kwamen inzichten. Leuke, en minder leuke.

Stoppen met drinken was eigenlijk een spontaan idee, ingegeven door een stevige kater, de ochtend van 3 september 2016. De avond ervoor waren we op dubbele verjaarsvisite mét lichtgevende discodansvloer bij vrienden in Vlijmen. We kenden er, behalve onze vrienden, niemand, reden voor – zoals we dat gekscherend plachten te noemen – een stukje ‘probleemdrinken’: wat liquid courage tanken om een praatje aan te durven knopen met een onbekende of een dansje te wagen op voornoemde dansvloer.
We hadden een kamer in een B&B om de hoek, het kon dus geen kwaad, het viel ook best nog mee met de ‘intake’ en we vonden het nèt welletjes, toen de helft van de feestgangers collectief besloot te vertrekken, duidelijk tot ontzetting van de gastheer en -vrouw, die nog niet eens de dure hapjes hadden uitgeserveerd.

Nou. Ze kunnen veel van ons zeggen, maar niet dat we geen goede vrienden zijn in een feestcrisis! We zetten ons dus schrap, namen er nog een, dansten the night away en namen er nog een. En nog een. De volgende ochtend, die van 3 september dus, stonden we al vroeg op de golfbaan van Vlijmen, want dat had ons leuk geleken, nu we toch in de buurt waren. Al bij hole 3 waren we kapót. En niet voor het eerst sprak ik de dramatische woorden: ‘Ach moeder, ik drink nóóit weer’. Wel voor het eerst dacht ik er stilletjes bij: ‘Misschien méén ik dit wel.’ De rest is geschiedenis en tot de dag van vandaag, pak ‘m beet een jaar later, heb ik geen alcohol meer aangeraakt. Kwam dat nou alleen door de kater van die 24 bier in Vlijmen? Natuurlijk niet. Dat was de beroemde druppel die de emmer deed overlopen. Het laatste bewijs dat je op mijn leeftijd niet meer ongestraft te veel kunt drinken. Dat je twee dagen van de leg bent als je een keertje stevig doorpakt. En dat zulks best zonde is van je kostbare tijd. Tel daarbij op dat ik een onmatige persoonlijkheidsstructuur bezit en dus niet zo goed ben in een verstandig regime van één glaasje per dag, en je snapt dat er weinig anders op zat dan radicaal stoppen. Voor onbepaalde tijd. Met alle mitsen, maren en uitvluchten. Want het is geen aangenomen werk. En als ik weer wil beginnen, doe ik dat gewoon. Hoor. Enfin: zo zijn we inmiddels een jaar verder en dat jaar is niet onopgemerkt voorbijgegaan. Mijn omgeving, die me kent als een trouwe klant aan de bar of bij een proeverij, moest ernstig wennen. En ik ook wel. Er kwamen inzichten. Leuke en minder leuke. Die inzichten wil ik met jullie delen. Ter inspiratie. Of juist niet.

1. Van mij hoef je niet.

Een bekend fenomeen: zodra je ergens aan ‘meedoet’, zie je overal berichten die jouw keuzes en gedrag bevestigen. Had ik vroeger een scherp oog voor nieuwtjes als ‘Rode Wijn Probaat Middel Tegen Hartkwaal’, nu lees ik overal de verschrikkelijkste verhalen over de verwoestende werking van alcohol op het menselijk lichaam. Zo veel zelfs, dat het bijna geen toeval meer kan wezen. En inderdaad: zoals ook deze editie van Volkskrant Magazine bewijst, is alcohol hard op weg het nieuwe roken te worden en is er een fanatieke lobby in opkomst die het liefst zou zien dat ons biertje net zo verboden wordt als coke en heroïne.
Ik wil graag opmerken dat ik deze ontwikkeling betreur. Ik rook al jaren niet meer, maar mag nog altijd graag bij de dappere verschoppelingen in de achtertuin staan; ik drink – ‘momenteel’, zeg ik er telkens bij – niet meer, maar ik kom emotioneel in opstand tegen de gedachte dat ons alweer een genotmiddel wordt ‘ontnomen’. Ik gun niemand een dubbele levercirrose of een set teerlongen, maar voor je het weet eten we allemaal sla, moeten we verplicht elke ochtend veertig baantjes trekken in een kil sportfondsenbad, enkel seks hebben ten bate van de voortplanting en stipt om 10 uur ’s avonds naar bed. Ik kan het niet bewijzen, maar volgens mij is het goed voor je om af en toe iets te doen wat slecht voor je is. Dus zolang de baten nog opwegen tegen de kosten, zou ik zeggen: lekker doorzuipen.

2. Zonder alcohol heb je meer remmingen.

Meestal zeggen ze het andersom – mét alcohol heb je minder remmingen. Ik kan dan ook terugkijken op een indrukwekkende lijst aan ongeremde dingen die ik onder invloed van alcohol heb ondernomen. Verreweg de meeste in de categorie ‘eindelijk tegen vrouwen durven zeggen hoe ik me voel en hopen dat zij er – al dan niet eveneens ongeremd vanwege de alcohol – hetzelfde over denken, zodat we op enig moment de liefde kunnen gaan bedrijven’.
Ik durf wel zo ver te gaan dat 80 procent van mijn liefdesleven nooit zou hebben plaatsgegrepen als er geen alcohol zou hebben bestaan. Is dat sneu? Dat zal best. Maar we zijn niet allemaal gezegend met het talent of het uiterlijk om bij aantrekkelijke vrouwen vanzelf en onbevreesd de juiste snaar te raken. Verder wil ik opmerken dat ik nooit of te nimmer een agressieve, opdringerige of onbeleefde dronk heb gehad – dat soort ongeremdheid is te allen tijde ongewenst. Ik word juist lief en extreem knuffelig. En net iets te eerlijk. Drink je niet, is het heel wat moeilijker de sprong te wagen en een mooie vrouw de waarheid te vertellen. Alles wat je wilt zeggen, stokt al in je keel vanwege corny of te direct. In het kille licht van de nuchterheid lijkt het bovendien kraakhelder dat niemand zit te wachten op een oude man met een bril en eigenlijk is de situatie dus al uitzichtloos voor je goed en wel bent begonnen. Gelukkig ben ik al gelukkig getrouwd en hebben we Netflix en kruidenthee. Hoe dan ook: het is wel even zoeken hoe je een gesprek optuigt zonder de alcohol die alles meteen zoveel leuker en interessanter maakt. Een laatste opmerking over dit onderwerp, speciaal voor vrouwen: over het algemeen is een nuchtere man – ook al was-ie de hele avond wat stilletjes – aan het eind van de avond heel wat beter in staat behoorlijke seks met je te hebben dan eentje die zes flessen Spätburgunder door zijn bloedbaan heeft suizen. Ik geef het maar ter overweging mee.

3. Dronken mensen lullen behoorlijk slap.

In retrospect kan ik me diep schamen voor de onzin die ik in aangeschoten staat moet hebben uitgebraakt op feestjes, als de hele-late-avondconversatie van mijn lieve vrienden maatgevend mag zijn voor mijn niveau van toen ik nog alcohol dronk. Kennelijk vertellen we – als we in de lorum zijn – zonder enig spoor van gène drie keer per avond hetzelfde verhaal aan dezelfde persoon, alleen steeds luider en onverstaanbaarder. En kennelijk hindert ons dat als eveneens bezopen toehoorder op geen enkele manier, wat dan wel weer lief en praktisch is. De nuchtere feestganger, echter, is aanvankelijk verbaasd (wat staat die gast daar vreemd te zwaaien op zijn poten), dan geamuseerd (tering, die gast komt écht niet meer uit zijn woorden) en ten slotte eenzaam. Want terwijl de rest van het gezelschap gelijk opgaand wegzweeft naar hogere sferen, blijf jij achter met beide benen op de grond en niemand om mee te praten, behalve dat ene malle kruidenvrouwtje dat ook niet drinkt. Want de mensen hebben nog net wel in de gaten dat jij in de gaten hebt dat ze dronken zijn en mijden je dus als de builenpest.
Gevolg is dat je bij de meeste feestjes een paar uur eerder afzwaait dan de rest. En wel op het moment dat je normaal gesproken besluit dat het een tópfeest is, je nog veel meer moet drinken en het vreselijk laat moet maken en onopvallend moet loensen naar de buurvrouw met de prominente tepels. Je mist zo wel het deel van het feest waarover nog jaren wordt gesproken, namelijk de poging-tot-stiekeme-pijppartij in het steegje, featuring voetbalvriend en ‘vrouw met prominente tepels’, maar daar staat dan weer tegenover dat je niet zelf het onderwerp van deze legende bent geworden.

4. Je vrienden krijgen een hekel aan je (en willen dat je weer gaat drinken).

Aanvankelijk oogst je lof. Man, wat oogst je een lof. Al je vrienden scheppen over je op: ‘Ik heb een vriend en die is gestopt met drinken!’ Op verjaardagen komen mensen aan je glas ruiken of er echt geen vieuxtje in de cola drijft. Iedereen vindt het reuzeknap en ook dat je er goed uitziet.
Maar na een paar weken is het nieuwtje er wel af. Mensen beginnen voorzichtig te vragen wanneer je weer eens gezellig een wijntje neemt. Ja, nee, ze bedoelen: het is nu toch wel mooi geweest? Je lever is vast weer babyroze en tot menselijke proporties geslonken? We moeten het niet gaan overdrijven en ons zeker niet aanstellen en uitsloven. Het wordt steeds ietsje grimmiger. Als je in een restaurant zit, wordt vanaf tafel drie in de hoek door wat lolbroeken om de tien minuten muntthee bezorgd. Er wordt nu stevig aangedrongen en hier en daar wordt een ultimatum gesteld: met Kerst moet je écht weer gewoon gaan drinken, anders is het raar! Er wordt inmiddels ook voorzichtig geïnformeerd of je soms van plan bent nooit meer te drinken, op een toon van ‘dan moet ik nog eens goed nadenken of we vrienden kunnen blijven’. En antwoord je dan naar waarheid dat je dat ècht nog niet weet, het rustig een tijdje aankijkt, wel lekker gaat zo, misschien ooit, alleen in het weekend, wie zal het zeggen, elke dag is er toch weer eentje, enzovoort, wordt dat opgelucht opgevat als een teken dat nog niet alles verloren is. Dus durf je niet hardop te zeggen dat je eigenlijk misschien wel inderdaad nooit meer wilt drinken, ook niet een beetje. Niet alleen omdat je dan bang bent dat je anders geen vrienden meer overhoudt, ook omdat je vreest dat je dan in no time weer op je oude ‘niveau’ zit, slappeling die je bent. En dat, zoveel is wel duidelijk, wil je echt niet meer. Uiteindelijk dringt het tot je door dat al die boze mensen die je weer aan het drinken willen hebben en je nuchter maar een saaie piet vinden, en een afvallige gelovige, door jou telkens worden geconfronteerd met hoe het anders, en misschien zelfs beter kan. En dat hebben ze liever niet. En dat snap je ook. En dat wil je ook niet, die nare spiegel zijn. Maar het gaat je toch net iets te ver om weer te gaan drinken om je vrienden een goed gevoel over zichzelf te geven: ‘Zie je, hij drinkt ook gewoon weer’. Nou ja. Uiteindelijk zal iedereen er wel aan wennen.

5. Je hebt geen katers.

Nummer één supervoordeel van niet drinken: je hebt geen katers. En: je hoeft dus ook niet op te zien tegen feesten en partijen. Want dat deed je, blijkt nu: opzien tegen elke gelegenheid waar alcohol werd geschonken. Omdat na de pret altijd de kater komt. En je de day after dus wel kunt afschrijven, want die kater is dusdanig verschrikkelijk, dat je niet veel verder komt dan paracetamolletjes poppen en op de bank hangen, met een lodderoog op de televisie gemikt. Nu je niet meer drinkt, blijkt: je was laatste tijd als de dood voor de kater. En dat bedierf eigenlijk alle plezier in je sociale leven.
Moet je nu eens kijken. Met gemak werk je drie soirees per weekend af, je bent zonder morren de Bob én je staat ’s ochtends bij het krieken van de dag klaar om je kroost naar voetbal te brengen. Het ergste wat je overkomt is dat je ‘een beetje moe’ bent als het erg laat is geworden, en dat is maar zelden, zie boven. Paradoxaal genoeg heb je er als onthouder dus juist veel meer zin in dan vroeger, feestjes. Gezellig! En de volgende ochtend is er dat pure en onversneden geluksmoment: geen kater, geen hoofdpijn, geen droge bek, niet misselijk, geen grote delen van de avond kwijt, niets, maar dan ook niets aan het handje.

6. Je valt er wel lekker van af (en je bent fitter).

Ik was 10 kilo afgevallen met een strak regime van schijf van vijf en sportief gedoe. Maar ik woog nog altijd meer dan 100 kilo. Op mijn vraag ‘wat kan ik nog meer doen om door die grens van 100 kilo te breken?’, antwoordde mijn diëtist: ‘Minder drinken. Maximaal één glas rode wijn per dag.’ Ik stopte (ik zei al: ik ben niet de man voor één glaasje per dag) en viel prompt nog eens 10 kilo af. Alleen maar door van alcohol af te blijven.
Dus ik zie er inderdaad een stuk jonger en beter uit, voor een oude man met een bril. En ik ben vermoedelijk gezonder dan ik in decennia ben geweest, hoewel je dat natuurlijk nooit zeker weet en we allemaal een oma hebben die 106 is geworden op zware shag en elke dag een halve liter citroenjenever. Ten slotte ben ik dankzij het cumulatief effect van gezond eten, meer sporten en niets meer drinken natuurlijk veel fitter. Al is het effect minder spectaculair dan ik had gehoopt. Ik had gehoopt van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat als een afgetraind Duracellkonijn door het leven te stuiteren. Oneindig energiek en onvermoeibaar. Maar dat zit er – vanwege de leeftijd, waarschijnlijk – niet meer in. Het komt neer op: omdat je gezonder leeft, weet je je energielevels op het peil van tien jaar geleden te houden. Het remmen van het verval is denkelijk het hoogst haalbare. Bovendien, je went aan het feit dat je fitter bent en vergeet wat voor dweil je eerder was.

7. Er is geen alternatief voor drank.

Als je niet drinkt, wat drink je dan? Ik vroeg het vele keren aan de professionals in het restaurant en het meest gehoorde antwoord is: water. Dat had ik zelf kunnen verzinnen. Ook werd mij een aantal keren een virgin cocktail aangeboden, soms een Heineken 0.0, één keer een geheimzinnige potentieversterkende thee uit Malawi, hippe tonic en veel gemberhoudende frisdranken, hippe Scandinavische vlierbessenlimonade en het gruwelijke Radler, waartegen je vreemd genoeg toch telkens willoos ‘ja’ zegt. De nieuwste trend: Japanse azijn, u hoorde het hier voor het eerst. Gewone, chemische fris, tenslotte, daar deed en doe je me geen lol mee. Ook niet in de zero-variant.
Keuze genoeg, maar zit er nou een winnaar bij? Niet echt. Geen drankje waar je, zoals met bier, chardonnay of G&T, de hele avond lekker op gaat. Ik heb me vaak afgevraagd waarom je niet met hetzelfde gemak drie liter gingerale drinkt als negen pijpjes Jupiler. Waarom je met geen mogelijkheid negen pijpjes Jever Fun krijgt weggewerkt, terwijl dat toch een echt heerlijk fijnhoppig ‘Duits’ alcoholvrij biertje is. Het antwoord is: alcohol. Het magische ingrediënt is alcohol. Probeer maar eens gedealcoholiseerde wijn. Bestaat. Niet te zuipen. En ik ben echt niet moeilijk, hoor. Het blijkt gewoon dat je ergens alleen enorme hoeveelheden van kunt drinken als er alcohol in zit. Omdát er alcohol in zit. Die maakt het ‘lekker’. En als niet-drinker ben je dus veroordeeld tot een misselijkmakende cocktail van een-paar-glaasjes-van-vanalles. Of water. Hebben de professionals toch weer gelijk.

8. Stoppen was best makkelijk Ik ben niet op een missie om iedereen van het drinken af te brengen.

Toen ik stopte met roken, ging ik cold turkey. Daar keken veel mensen van op. Want ik rookte anderhalf pakje per dag. Ik keek er zelf ook wel een beetje van op. Maar door mijn slechte voorbeeld waren mijn twee oudste kinderen ook gaan roken en bovendien hoestte ik elke dag mijn longen uit mijn lijf. Schuldgevoel en acute doodsangst waren blijkbaar voldoende motivatie om van de peuken af te blijven. Sterke motivatie is het halve werk. En je moet er dus aan toe zijn – weer die kosten-batenanalyse.
Wat ik wel merkte, en nu weer: veel hangt samen met gewoonte. Het is onvoorstelbaar hoeveel momenten op de dag je onbewust koppelt aan een sigaret of, ietsje minder vaak, aan een glas wijn. Dat zijn de momenten dat het erom spant; maar zet je een paar weken door, begint die koppeling al wat te vervagen in je systeem en na een jaartje denk je er soms dagenlang niet meer over na dat je geen alcohol hebt gedronken. Ik kan natuurlijk niet voor anderen spreken, en – zie punt 1 – ik ben ook niet op een missie om iedereen van het drinken af te brengen, maar het is misschien een geruststellende gedachte dat alcoholgebruik voor driekwart een kwestie van gewoonte is. En dat je nee kunt zeggen, in plaats van ja. Het is – extreme gevallen daargelaten – niet dat je kokhalzend en stuiptrekkend over de grond gaat rollen als je een avond frisdrank neemt. Sterker, van fysieke afkickverschijnselen geen spoor, eerder omgekeerd: ik sliep meteen beter en was beduidend minder vaak nerveus – terwijl ik toch menigmaal een drankje had gepakt om de zenuwen in bedwang te houden.

9. Het is wel eng spul, alcohol.

Dat ik het hele jaar geen alcohol heb aangeraakt, is trouwens technisch gesproken niet waar. We hadden de boot verkocht en namen champagne mee voor de nieuwe eigenaars. Die erop stonden dat we met z’n allen op de plechtige gelegenheid zouden proosten. Ik kreeg een glas, had geen zin het uit te leggen en maakte mijn lippen nat. En ik zweer je: meteen sloeg het systeem aan. Een gloeiend gevoel van welbehagen, drie solide smoesjes waarom ik dat glas nou net zo goed kon leegdrinken, een schuin oog naar de fles, of er misschien nóg een glaasje inzat en een jubelende fanfare met discolampen. Ik schrok me dood en schonk het glaasje leeg in dat van mevrouw Heemskerk. Alcohol verliest niet snel zijn greep.

Categorieën
Columns & Opinie Werk

Lang leve het kantoor – Wouter van Noort

Vertel het maar niet door aan mijn collega’s, maar eigenlijk mis ik het kantoor voor geen cent. De dagelijkse trip ernaartoe lijkt na twee maanden thuiswerken een langvervlogen dwangneurose. En als ik einde middag zó de zon in rol, wordt de heimwee er niet bepaald groter op. We zouden wel gek zijn als we weer teruggaan naar oude werkroutines straks. Er zijn echt betere manieren om een derde van je doordeweekse leven door te brengen.

Toch lijken me de doodverklaringen van het kantoor nogal onwenselijk. Twitter kondigde laatst aan dat de meeste medewerkers ook na de crisis permanent thuis mogen werken. De oprichter denkt dat sommige medewerkers nooit meer op kantoor hoeven komen. Mark Zuckerberg verwacht dat de helft van alle Facebook-medewerkers uiteindelijk op afstand kan blijven werken. Het kan hun grootste disruptieve innovatie aller tijden zijn, als anderen hun voorbeeld volgen.

Maar de laatste jaren hebben we wel geleerd om plannen van deze bedrijven die als visionair worden verkocht met een korreltje zout te nemen. Dat lijkt ook nu een goed idee.

Het kantoor blijkt, zeker in crisistijd, de grote gelijkmaker. En Zoom de grote ongelijkmaker. Bij zo’n videovergadering zit de ene collega in een zonnig buitenhuis aan de Kaag, en de ander driehoog tussen de etensresten. Op kantoor zit iedereen onder hetzelfde middelmatige systeemplafond, heerlijk. In het thuiskantoor wordt iedereen een atomaire zzp’er. Of dat goed is voor het inlevingsvermogen tussen baas en werknemer is zeer de vraag. De eerste massaontslagrondes per Zoom zijn al geweest in de VS.

We weten uit de wetenschappelijke literatuur over wat mensen ten diepste motiveert dat voldoening in je werk draait om drie begrippen: autonomy, mastery, purpose – zelf kunnen beslissen over je dagindeling, ergens beter in worden, en het nastreven van een hoger doel. Autonomie ontbrak pre-corona waarschijnlijk te veel, daarvoor is het thuiskantoor een zegen. Maar om te leren van collega’s, voor het voelen van een gedeeld doel met een groep gelijkgestemden is Zoom geen waardige vervanging van de fysieke werkplek.

Het kantoor moet worden heruitgevonden, niet afgeschaft. Medewerkers moeten zich er onderdeel voelen van een groep, het moet een plek zijn voor ideeënuitwisseling, teambuilding, samenwerken én focus. Het moet groener, frisser, de koffie en het eten beter. Het mag misschien ook kleiner zijn omdat thuiswerken voor bepaalde taken zeker beter is. Her en der werd ook voor corona al flink geëxperimenteerd, ook bij Big Tech, dus de omslag moet niet al te moeilijk zijn.

De toekomst van werk is ineens hier. Het compulsieve forenzen mag in 2020 achterblijven. De flexplek waar alles in alles overloopt, tot een grijze, stressvolle en eenzame brij is dood en blijft hopelijk dood. Maar lang leve het kantoor.

Categorieën
Columns & Opinie Mensen

Ruisloos leven, zoals nu, is bij vlagen heerlijk – Wouter van Noort

Hoe langer een geluid duurt, hoe minder je het hoort. Het maakt niet uit hoe irritant het is. Een luidruchtige vliegtuigmotor, een stofzuigende huisgenoot, een buurman met een klopboor: al snel wordt het ruis waar je mee leert leven.

Maar als het rumoer stopt, merk je pas dat je er toch last van had. Als de buurman na een uur ophoudt met boren hoor je ineens de stilte, merk je dat je eigenlijk al de hele tijd met opgetrokken schouders zat, zucht je soms zelfs even van opluchting.

Zo voel ik me de laatste weken. De ruis is door de lockdown in één klap uit het leven verdwenen. Af en toe betrap ik mezelf op een rare gedachte: ik vind het bij vlagen heerlijk.

Geen misverstand: corona is een ramp. Ik heb zelf ook kokhalzend van de zorgen mijn Twitter-nieuwsfeed gelezen , en ik realiseer me heel goed dat ik geen kapper, kroegbaas of IC-patiënt ben. Natuurlijk is het een privilege om even lekker over deze situatie te filosoferen, terwijl duizenden anderen hun baan verliezen of zelfs vechten voor hun leven.

Maar des te belangrijker om juist nu de lichtpuntjes te blijven zien. Want wat als quarantaine ons óók kan leren dat geluk anders werkt dan we massaal dachten? Dat er andere wegen naar een fijn leven bestaan dan de uitgesleten olifantenpaadjes waar we met zijn allen tegelijk overheen probeerden te lopen.

Geluksonderzoekers maken onderscheid tussen twee soorten levensgeluk. De eerste is geluk in het leven: dat is het geluk dat je krijgt van zoveel mogelijk leuke activiteiten, fijne emoties, mooie gebeurtenissen, en van zo min mogelijk negatieve emoties en gebeurtenissen. Geluk in het leven is een optelsom waarbij je de slechte dingen aftrekt van de leuke dingen.

De tweede soort geluk is het geluk met je leven. Dat is hoe tevreden en vervuld je bent met het leven dat je leidt. Dat geluk komt van een dieper besef dat je leven zinvol en goed is. Dat geluk is veel moeilijker te kwantificeren.

Die twee soorten geluk hoeven niet per se samen te gaan: ouders van jonge kinderen kunnen bijvoorbeeld tegelijkertijd ongelukkig zijn ín hun leven vol slaapgebrek, maar zo zielsgelukkig mét hun leven dat ze nooit meer willen ruilen.

Geluk in je leven is een stuk moeilijker geworden in quarantaine. Geen bewegingsvrijheid, familiebezoeken, vrienden, terrassen, festivals, voetbalwedstrijden: dat is allemaal niet bepaald gunstig voor de optelsom. Maar voor de tevredenheid met je leven kan de quarantaine juist goed uitpakken.

Eén belangrijke reden: de quarantaine leert je te willen wat je hebt in plaats van te hebben wat je wilt. De maatregelen maken zo een einde aan een effect waarvan filosofen en geluksonderzoekers al eeuwen weten dat het mensen minder gelukkig maakt met hun leven: het Diderot-effect.

De Franse filosoof Denis Diderot had in de 18de eeuw een behoorlijke naam opgebouwd als schrijver, maar leefde een bescheiden leventje. Hij beschrijft in het essay ‘Treurdicht op mijn oude kamerjas’ hoe dat drastisch veranderde toen hij een cadeau kreeg waar hij in eerste instantie blij mee was: een scharlaken kamerjas. Een sjiek ding dat eigenlijk niet paste bij zijn simpele garderobe en inrichting. Zodra hij de jas aantrok werd hij ontevreden over de spullen die hij al had. Hij verving zijn oude rieten stoel voor een exemplaar van Marokkaans leer, zijn gammele bureau werd vervangen door een dure schrijftafel, gipsen beeldjes die hij van een vriend had gekregen moesten wijken voor een marmeren beeld van Venus, enzovoort. In het essay beklaagt hij zich over dat effect: „Over mijn oude kamerjas was ik de absolute heerser, maar de nieuwe heeft mij tot slaaf gemaakt.”

We moeten het door de quarantaine weer even doen met onze oude kamerjas. In die zin is het ook de ultieme test of het minimalisme dat de laatste jaren zo populair is, meer is dan een passerend lifestyle-trendje. Heeft het echt geleid tot een betekenisvolle, andere houding ten opzichte van de zucht naar gaver, groter, geiler?
Lees ook: Zes tips om veerkrachtig te blijven in tijdens van onrust.

Hoe dat ook uitpakt, zeker is dat de Japanse opruimgoeroe Marie Kondo de geesten onbedoeld rijp heeft gemaakt voor deze quarantaine. We moeten nu massaal winkelen in onze eigen kast, shoppen in ons bestaande leven, terwijl we bewuster dan ooit de vraag stellen: Does it spark joy?

En het antwoord is misschien wel verrassend vaak ja over wat nu overblijft en nee over wat nu wegvalt. Meer tijd doorbrengen met gezin? Ja. Kopjes koffie met vage nieuwe LinkedIn-contacten? Mwa. Dagelijks heen en weer naar kantoor? Hell no. Misschien is het dan ook tijd om die activiteiten op z’n Marie Kondo’s plechtig te bedanken voor hun diensten en ze vervolgens rücksichtslos weg te gooien.

Natuurlijk voelt het de laatste tijd af en toe alsof er een heel jaar is geannuleerd. 2020 gaat hoe dan ook de geschiedenisboeken in als het jaar zonder feest en vakantie. Maar ook zonder feest en vakantie blijft er veel moois over. Kunstenaar David Hockney deelde op zijn Instagram onlangs prachtige platen van bloeiende narcissen en andere bloemen in zijn Normandische tuin. „Vergeet niet dat ze de lente niet kunnen annuleren”, schreef hij erbij. „De enige echte dingen in het leven zijn eten en liefde, in die volgorde.”

Of dat voor iedereen genoeg is, is zeer de vraag – en Hockney heeft als duurste levende kunstenaar makkelijk praten. Maar hoe dan ook: de hedonistische tredmolen waarin we steeds harder moesten rennen om dezelfde kick te krijgen is piepend tot stilstand gekomen.

Niemand zou vrijwillig in quarantaine gaan. En vrijwel iedereen hoopt dat hij snel is afgelopen. We hebben even geen keuze en dat is bij vlagen onverteerbaar. Maar het fijne van keuzes moet ook weer niet worden overdreven.

Een overdaad aan keuzes leidt juist tot minder geluk, dat is de keuzeparadox waar de laatste jaren boeken over zijn volgeschreven. Een overdaad aan opties demotiveert en verlamt. Er is een beroemd experiment van de Amerikaanse universiteiten Columbia en Stanford waarbij de onderzoekers jam gingen verkopen op een markt. De ene dag kregen de bezoekers van de kraam de keuze uit zes jams, de andere uit maar liefst 24.

De tafel met 24 jams trok meer bekijks, maar daar besloot de meerderheid aan die tafel om uiteindelijk toch niks te kopen. Bij de tafel met zes jams bleef het veel rustiger, maar daar kochten veel meer mensen daadwerkelijk wat. Meer opties zijn aantrekkelijk, maar werken ook verlammend – en zorgen ervoor dat je uiteindelijk zonder jam blijft zitten.

Keuzestress was voor de coronacrisis millennial-aandoening nummer één. Veel mensen snakken er al een tijd naar dat keuzes voor hen gemaakt worden. Dat blijkt zelfs nog in quarantaine. We hebben alle tijd van de wereld en de complete bibliotheek aan menselijke creativiteit in onze handpalm, maar we kijken massaal naar The Tiger King op Netflix omdat het algoritme ons dat aanraadt. Er is geen betere remedie tegen keuzestress en fear of missing out dan quarantaine. Je mag niks, maar je mist dus ook niks.

Het KNMI bracht onlangs in een vrolijk persbericht naar buiten dat de seismische meetapparatuur van het instituut veel minder ruis opvangt dan normaal. Het stilvallen van het gebrom van de menselijke samenleving zorgde voor een ongekende rust in de data. Onderzoekers waren enthousiast: ineens konden ze allerlei kleine aardbevinkjes en aardgeluiden oppikken die normaal gesproken zouden wegvallen in het rumoer. Er opende zich een totaal nieuw onderzoeksveld.

Als ik weer eens gefrustreerd ben over de quarantaine probeer ik zo ook maar te kijken naar de lockdown. In plaats van naar de ruis kun je nu luisteren en kijken naar dingen die normaal gesproken werden overstemd. Vogels. Mooie gevels. Bloeiende narcissen voor mijn part. Ik heb nog nooit zoveel rustige stadswandelingen gemaakt als nu – en ontdek elke dag wel weer een ander pareltje in de omgeving.

Laatst kwam ik achter het bestaan van een compleet park op tien minuten van het huis waar ik al vijf jaar woon. Toen ik erover begon tegen de buren keken ze me meewarig aan dat ik het niet allang kende. Ik had geen idee.

Veel van de ruis die nu stilvalt is de ruis die afkomstig is uit ingesleten patronen en gewoontes. Sommige van mijn gewoontes waren zo dominant geworden dat mijn halve leven op de automatische piloot draaide. We zijn de laatste jaren volstrekt geconditioneerd geraakt om de hele tijd hetzelfde gedrag te vertonen: om elke vijf minuten op je smartphone te kijken, steeds weer nieuwe spullen te kopen, elke dag te forenzen naar een ver kantoor, dagelijks weer onweerstaanbare trek te krijgen in een frikadel als je op je vaste tijdstip langs het open buffet van de stationswinkels loopt. Het moderne leven hangt aan elkaar van de gewoontes, compulsies, verslavingen. Er zijn nu in elk geval minder stationsfrikadellen in mijn leven.

Het is zo: nieuwe compulsies steken net zo goed weer de kop op (hallo doordeweekse wijnfles, hallo Bol.com). Maar de grip van mijn oude patronen wordt merkbaar kleiner. Misschien keek ik wel te compulsief naar buiten. Meer, meer, meer, verder, verder, verder. Quarantaine dwingt de blik naar binnen, dichterbij, simpeler, rustiger, beperkter.

Gedragsonderzoekers hebben ooit uitgezocht dat het vormen van een nieuwe gewoonte zo’n 66 dagen duurt. Deze lockdown duurt waarschijnlijk minstens zo lang. Filosoof Charles Eisenstein noemt Covid-19 dan ook „een rehab die de verslavende greep van de normaliteit doorbreekt”.

Het onderbreken van een hardnekkige gewoonte maakt de compulsie zichtbaar. Als de quarantaine straks weer opgeheven wordt, komt vanzelf de vraag op welke routines we terug willen – en welke we liever kwijt zijn. De quarantaine maakt mensen paradoxaal genoeg vrijer. Vrijer om straks bewuster het nieuwe leven in te richten met minder ruis.

Categorieën
Columns & Opinie Mensen Wetenschap

‘Misschien zeggen we straks wel tegen elkaar: ik ga even in de coronastand’ – Interview Witte Hoogendijk

Natuurlijk brengt de coronacrisis onzekerheid en stress met zich mee. Maar psychiater Witte Hoogendijk ziet ook positieve effecten op de psyche. Want is het stiekem niet heerlijk, zo’n lege agenda?

Een tijdje geleden, het woord ‘corona’ werd nog vooral geassocieerd met bier, zat psychiater Witte Hoogendijk het archief van zijn twee jaar geleden overleden moeder uit te pluizen. ‘We lazen de brieven die ze schreef toen ze zat ondergedoken en waren verrast door de hoeveelheid heel normale dingen die daarin voorkwamen. Niemand weet hoe de komende weken en maanden eruit gaan zien, maar mensen zijn geneigd zo veel mogelijk het gewone leven te volgen, onder alle omstandigheden, ook als ze beperkte bewegingsvrijheid hebben.’

Witte Hoogendijk (1960) is hoofd van de afdeling psychiatrie bij het Erasmus MC in Rotterdam en gespecialiseerd in depressie. Op zijn kaartje staat prof. dr. W.J.G. Hoogendijk, maar ik mag Witte zeggen want we hebben samen twee boeken over de evolutionaire achtergrond van stress geschreven. We spreken elkaar telefonisch over de lessen die deze tijd ons mogelijk leert – en uiteraard over de stress die de coronacrisis teweegbrengt.

Om met dat laatste te beginnen: of je nu wel of geen last hebt van coronastress, het is in alle gevallen verstandig te stoppen met het lezen van de oeverloze stroom aan berichten die via sociale media over de wereld wordt uitgestort. Witte Hoogendijk: ‘Die vormen een stressor van jewelste, eentje waar we niet op gebouwd zijn. Problematisch is niet alleen de veelheid van de berichten, maar ook het feit dat ze ongecontroleerd zijn en je geen idee hebt wat ervan klopt. Intussen zetten ze je stressresponssysteem wel non-stop op scherp, je blijft continu alert en gespannen. Daar worden mensen op den duur horendol van.’

Maar soms lees je er toch ook wel iets zinnigs?

‘Natuurlijk. Alleen is het lastig dat in alle berichtgeving over corona geen goed onderscheid wordt gemaakt tussen epidemiologische data en casuïstiek. Als je naar de epidemiologische data kijkt, gebouwd op 100 duizend bevestigde coronapatiënten, kun je concluderen dat verreweg de meeste mensen die aan corona overlijden ouderen zijn of mensen met een lichamelijke kwetsbaarheid. Die specifieke groepen moeten dus in quarantaine blijven.

‘Voor de jongeren die aan de bedden staan zouden die epidemiologische data een geruststelling kunnen zijn. Alleen worden ze voortdurend geconfronteerd met gevalsbeschrijvingen die ‘viraal’ gaan en waarin uitgebreid beschreven wordt dat een Zuid-Koreaan de ziekte heeft overgedragen terwijl hij geen symptomen had, niet eens lichte keelpijn. En dat leidt tot paniek. Je kunt de hoeveelheid berichtgeving die je tot je neemt het best doseren – twee keer per dag – en je daarbij beperken tot de officiële bronnen, dan mis je heus niks. Ik kijk alleen naar de site van het RIVM en het NOS Journaal.’

Welke lessen leert deze tijd ons over onze psyche? Wat kunnen we ervan ‘meenemen’?

‘De eerste les lijkt me dat we minder rauwe gordeldieren dan wel besmette vleermuizen afkomstig van Chinese markten moeten eten. De tweede heeft te maken met hoe we onze dagen vullen. Wat ik veel om me heen hoor – en ook duidelijk bij mezelf bemerk – is dat mensen een enorm gevoel van opluchting ervaren bij alle dingen die nu worden afgezegd. Niet alleen op het werk, ook privé. Opeens besef je in wat voor tredmolen je normaal gesproken zit, als elke minuut van de dag wordt volgeplempt met van alles en nog wat.

‘Les drie is het gemak waarmee dingen afgezegd blijken te kunnen worden. Het gaat gewoon niet door! De belangrijkste interventie bij overspanning en burn-out is het leegmaken van de agenda, wat altijd moeilijk wordt gevonden, want alles is belangrijk. Maar de situatie van vandaag leert ons dat het gewoon kan door het te doen.’

Als straks alles weer normaal is, krijg je de rust van nu misschien als een boemerang terug, ook omdat er van alles moet worden ingehaald.

‘Ik weet niet of er zo’n enorm inhaaleffect zal zijn. Ik denk dat veel mensen de relatieve rust ook wel fijn vinden en daarom best een beetje bij zich kunnen houden – hoewel dat vermoedelijk net zo moeilijk is als het vasthouden van het vakantiegevoel. Maar je moet het wel proberen. Je ervaart nu dat het kan. Misschien zeggen we straks tegen elkaar: ik ga even in de coronastand.’

Zie je nog meer dingen die we moeten zien vast te houden?

‘De flexibiliteit. Bij allerlei oplossingen worden nu een heleboel stappen overgeslagen. Je weet elkaar snel te vinden, de lijntjes zijn kort; je ziet opeens hoe nodeloos procedureel en bureaucratisch we in het normale leven zijn. Verder de solidariteit die je om je heen ziet, een prettig soort wij-gevoel. Dat mag ook wel even voortduren.’

Heeft Rutger Bregman dan toch gelijk dat de meeste mensen deugen? Blijken we eigenlijk heel lief en goed en aardig…

‘Nee, dat denk ik niet, helaas. Je ziet nu veel altruïsme, maar zodra schaarste om de hoek komt kijken, wordt alles anders. Nu al zie je een milde vorm van egoïstisch gedrag in de vorm van hamsteren. Als die schaarste toeneemt, wordt de mens snel het beest dat hij onder zijn vernisje van sociaal gewenst gedrag is. Je hoeft alleen maar naar de mondkapjesschaarste te kijken. Onze mensen stuiten op boeven en oplichters die woekerprijzen vragen. Je kunt in deze crisis alles verwachten. Ik denk dat het een goeie testcase is voor onze samenleving hoelang we dit altruïstische gedrag overeind kunnen houden. We zullen ons heus niet allemaal als beesten gaan gedragen, maar sommigen van ons wel, dat weten we uit het verleden – en de mens is in de afgelopen decennia natuurlijk niet wezenlijk veranderd.’

Zie je dat bepaalde menstypen zich nu gemakkelijker staande houden dan andere?

‘Over het algemeen geldt dat hoe rationeler je bent, hoe beter het je afgaat. Want als je alle scenario’s goed bekijkt, kun je concluderen dat voor bijvoorbeeld een zorgverlener het risico om te overlijden aan een corona-infectie erg laag is. In het nieuws heet het dat de zorg een hoog-risicoberoep is, maar dan moet je wel bedenken dat er in de zorg veel meer wordt getest. Uit genetisch stamboomonderzoek naar het virus in het Erasmus MC blijkt dat onze besmette medewerkers het tot nu toe allemaal buiten het ziekenhuis hebben opgelopen. Rationeel blijven, dus.

‘Ook je emoties kun je op die manier te lijf gaan. Concrete angst, bijvoorbeeld voor een hoester, is prima: die maakt dat je opzijstapt. Abstractere angst, bijvoorbeeld voor wat er in de toekomst zou kunnen gaan gebeuren, kun je relativeren. De toekomst is per definitie abstract want de factor ‘tijd’ zit erin, en tijd is een abstractie. Bedenk dat het normaal is om dat soort angstgevoelens te hebben, maar besef ook dat je aan abstracte, niet tastbare zaken niets kunt doen.’

Veel mensen ervaren een gevoel van verlies van controle.

‘Ja, je stuit hier op de existentiële angst, de achtergrondangst die we elke dag allemaal onbewust hebben en waarbij we niet steeds stilstaan: dat we kunnen sterven. Onder normale omstandigheden popt die af en toe op, bijvoorbeeld bij begrafenissen; mensen moeten vaak huilen omdat ze zich inbeelden hoe het is als zíj daar liggen, of een dierbare. Maar nu slaat die existentiële angst keihard toe en hij gaat ook niet weg, hij blijft om ons heen spoken.

‘Het is om te beginnen belangrijk te erkennen dat dergelijke emoties normaal zijn. Vervolgens kun je de ratio erbij halen om te bedenken dat de kans dat je doodziek wordt hoe dan ook klein is – en áls je doodziek wordt, is er altijd nog de intensive care. Blijf je toch tobben, doe dan een gedachtenstop. Je moet daarvoor een alternatieve gedachte paraat hebben. Eerst ga je hardop piekeren, dan zeg je ‘stop’ en breng je die andere gedachte erin. Let ook op de psychologische hygiëne tegenover huisgenoten en collega’s: praat elkaar niet de put in. Zoek afleiding, ga naar buiten, verzin leuke dingen.’

We passen ons tot dusver gemakkelijk aan.

‘Mensen zijn heel adaptief. Mijn opa zat in de Tweede Wereldoorlog gevangen en ging schaakstukken maken van papier-maché. Daar heeft hij maanden in zijn eentje mee geschaakt. Overigens zijn de veranderingen die we nu om ons heen zien niet fundamenteel. We blijven communiceren, om maar wat te noemen. Voedsel is geen issue en dat wordt het vermoedelijk ook niet. Op het vlak van de primaire levensbehoeften gaat alles gewoon door.’

Belanden mensen tijdens crises als deze sneller in een depressie of psychose dan normaal?

‘Nee, eerder het tegenovergestelde. Ik heb het idee dat bij veel patiënten nu vooral een gezond deel van hun psyche wordt aangesproken, doordat er opeens concreet iets aan de hand is. Maar als de ambulante zorgverlening komt stil te vallen, zouden patiënten kunnen terugvallen of ontregelen.’

En lichtere klachten als burn-out en overspannenheid? Lopen die ook terug als er echt iets aan de hand is?

‘Te lang alert zijn kan tot gevoelens van overspannenheid leiden, dat weet iedereen die een bepaalde periode heel lange dagen maakt; je krijgt een kort lontje. Maar als het gaat om burn-outklachten die op een milde depressie lijken, met daarnaast gevoelens van uitputting en een sluimerende onvrede, waarvan vooral veel jongeren last hebben, zou het best kunnen dat we een afname gaan zien.’

Omdat mensen opeens veel minder moeten: niet meer elke ochtend vroeg uit bed, niet de hele dag hoeven presteren, geen slopende feesten meer.

‘Precies, het aantal stressoren neemt af. Als je ziet wat er allemaal wordt afgezegd, echt ongelooflijk. En dan hebben we nog niet eens een lockdown.’

Zieke mensen zeggen dat er iets troostends uitgaat van de wetenschap dat iederéén nu thuiszit.

‘Het fenomeen van fear of missing out, dat normaal enorm wordt aangewakkerd door sociale media met alle opgeklopte verwachtingen en beelden die daar geschetst worden, valt weg. De situatie is nu voor iedereen gelijk. Je mag alleen hopen dat mensen niet op sociale media gaan opscheppen over hoe fantástisch ze het thuis hebben, want dan ben je terug bij af.’

Hoe vind je dat we in Nederland over het algemeen met de coronacrisis omgaan?

‘Goed. Met veel gevoel voor humor, ik krijg het ene lollige appje na het andere. Dat is niet alleen grappig, maar breekt ook de spanning. Heel lang doodserieus zijn houd je ten eerste niet vol, en is ten tweede niet gezond. Rutte doet het ook goed, deze situatie leent zicht voor directief leiderschap: vasthouden aan genomen besluiten, totdat je ze door veranderende omstandigheden moet bijstellen.’

Een arts gooit doorgaans meteen het slechte nieuws erin. Maar onze regering bouwt het langzaam op. Is dat verstandig?

‘Toch wel, omdat dit een ongekende situatie is; men wéét ook niet hoe de ontwikkelingen zijn. Dus ik vind het wel verstandig dat ze steeds zeggen dat er verschillende scenario’s openliggen, dat het best kan zijn dat we volgende stappen moeten zetten, maar nu nog even niet.’

Deze tijd heeft wel een back-to-basicskarakter.

‘Je raakt meer doordrongen van waar het in het leven eigenlijk om gaat. Ook dat is iets om vast te houden. Net als de effecten van deze periode op het klimaat: de lucht klaart op, in Venetië zwemmen weer vissen in het kanaal. In die zin is deze coronacrisis een wake-upcall. Dat is hét experiment of nature dat nu is gedaan. Kunnen we dingen veranderen? Ja dus.’

Categorieën
Columns & Opinie Mensen Werk

Thuis werken met je familie – dat is de hel – Japke-d. Bouma

O jongens ik had er zo’n zin in – thuiswerken. De aanleiding was natuurlijk afschuwelijk, en ik ben de laatste die lichtzinnig zou doen over de coronacrisis, maar stiekem voelde ik dat ik het land weleens wat zou laten zien als we massaal gedwongen werden om thuis te werken. Dan zou binnen een week al duidelijk worden hoe heerlijk dat is en zou deze nachtmerrie uiteindelijk louter goeds opleveren – waardering voor het thuiskantoor, productieve, gelukkige, blakende, vrolijke werknemers en weg met de kantoortuin!

Daar wezen de eerste antwoorden ook op, toen ik informeerde op Twitter hoe het thuiswerken beviel. Gelukzalige foto’s van katten op toetsenborden, sokken op de bank, voeten op de kachel, honden met de kop op schoot.

Mensen die in een dag thuiswerken afkregen waar ze in de kantoortuin minstens drie weken voor nodig hadden. Mensen die voorzichtig opperden of ze, ook na de crisis, een paar vaste dagen mochten thuiswerken.

Uitgeruste kantoortijgers die niet meer elke dag anderhalf uur in de file heen en terug hoefden en zich afvroegen hoe ze dat ooit hadden volgehouden. Überhaupt minder files. Schonere lucht.

Vergaderingen die ineens in een kwartier bleken te kunnen waar vroeger minstens een uur voor stond of nog beter: een mail in plaats van een ‘mieting’. De geweldige koffie thuis, de stilte, zelfs zonder koptelefoon. „Agilefree tot april, heerlijk!” vond een lezer.

Vertedering over een teckel die blaffend door het huis rent op zoek naar de bron van de stemmen van collega’s die hij op de speaker hoort. De wasjes die je tussendoor kunt draaien. De eitjes die je kunt bakken. De badjassen. Dat je een wijntje open kunt trekken tijdens werktijd (naam bij redactie bekend). „Opvallend hoeveel mogelijk is”, schreef iemand, „als niet iedereen er eerst een plasje over hoeft te doen”.

Natuurlijk, er waren wel wat mensen die pruttelden over het overbelaste netwerk. Dat ze zich ontheemd voelden zonder kantoor. Dat ze in een ‘stand-up’ via Skype niet konden controleren of iedereen ook écht stond. Dat ze te veel snoepten en dat de iPad steeds in de boter viel. Maar die waren in de minderheid. De rest begon langzaam het licht te zien. Er waren er zelfs al die opperden om kantoortuinen om te bouwen tot woningen, ik genóót.

Maar toen begon het. Echtparen die zich aan elkaar begonnen te ergeren. Ruzie over de muismat. „Mijn man blijkt alleen maar thuis te kunnen werken met de televisie aan!” „Mijn man zegt ineens ‘we gaan het probleem platslaan’!” „Mijn man zit al vanaf 7.00 uur vanochtend onafgebroken te bellen!” Irritaties over niet-afgewassen kopjes.

„Samen thuiswerken”, schreef iemand, „hoort in het rijtje ‘samen een Ikea-kast in elkaar zetten’, ‘samen met de boot door de sluis’ en ‘samen naar een vakantieadres navigeren’.” Er waren al mensen die een belcel begonnen te timmeren in de tuin en de eerste echtscheidingen werden stiekem aangevraagd.

Maar de genadeklap kwam zondag, amper één werkdag na de afkondiging van het verplichte thuiswerken. Toen gingen de scholen dicht en veranderde de thuiswerk-utopie in een nachtmerrie.

Want met je levenspartner thuiswerken is al een ‘uitdaging’, met je héle familie is het de hel, zo bleek al heel rap. Lezers begonnen in snel tempo noodberichten te sturen.

De Duplo waar je nu nog vaker je tenen aan openscheurt. De lamlendige pubers die voor je voeten liggen. Kinderen die met stift op de muren kalken terwijl jij in je joggingbroek een scrumsessie probeert te leiden. Dat je geen porno meer kunt kijken omdat iedereen om je heen hangt.

Iemand die spullen op kantoor mocht ophalen, schreef: „Nooit gedacht dat ik zo verlangend naar mijn bureautje zou kijken. En dat na één dag thuiswerken!” „We moeten afspraken gaan maken”, schreef een ander, „want anders hangt het bloed binnen een paar dagen aan de muur”.

En zo wordt al na twee dagen verplicht met kinderen thuiswerken de tweedeling zichtbaar: mensen zonder kinderen krijgen tijdens hun thuisretraite allemaal briljante ideeën voor boeken, trainingen, kunnen uitslapen en tikken rapporten af die al maanden lagen te wachten – de ouders zijn het kind van de rekening.

Toen ik maandagavond de premier het volk zag toespreken, dacht ik dan ook: lieve Mark. Vraag álles van ons in deze sombere tijden. Vraag ons hospitalen te bouwen, dijken te verhogen, toiletpapier aan te voeren, wat dan ook. Maar vraag ons niet om thuis te werken met onze dierbaren.

Ik heb op dit moment maar één oplossing: óf alle kinderen afstaan voor adoptie, of alle ouders met speciaal verlof.

Leve het onderwijs sowieso.

Categorieën
Columns & Opinie

Wanneer kan een kind alleen naar school fietsen? – Anna van den Breemer

Geen Hollandser tafereel dan een groepje kinderen dat naar school fietst (de bammetjes pindakaas in de rugzak fantaseer ik er even bij). Maar wanneer laat je je kind ‘los’ in het verkeer? Die vraag kreeg ik van Loes uit Zwolle. Haar 7-jarige dochter mag in haar uppie vooruit fietsen, maar ze moet wél wachten aan het eind van de straat. Dat deed ze niet. Twee drukke rotonden verder waren haar ouders in lichte paniek, en dochter juist trots als een pauw omdat het haar was gelukt. Hoe moedig je zelfstandigheid in het verkeer aan, zonder dat de veiligheid in het geding komt?

Dit zeggen de deskundigen

Gemiddeld genomen is een kind vanaf 9 jaar in staat om zelfstandig naar school te fietsen. Tot die leeftijd hebben kinderen nog niet de concentratie, het inschattingsvermogen en de motoriek om zich solo in het verkeer te mengen. Voor een kind van 7 kan het nog lastig zijn om de balans te houden én een hand uit te steken. Ze kunnen ook niet goed inschatten wat de snelheid van een auto is.

Toch gaat maar zo’n 17 procent van de basisschoolkinderen zelfstandig naar school. Is dat niet weinig? ‘Het ligt natuurlijk aan de woonplek’, zegt Ineke Spapé van onderzoeksbureau SOAB, dat zich met mobiliteitsvraagstukken bezighoudt. ‘Het is logisch dat kinderen in een drukke stad als Amsterdam niet zelf gaan fietsen.’ Feit is dat de zelfstandigheid van kinderen in het verkeer gemiddeld iets afneemt, vertelt Spapé. Ouders hebben het beeld dat het op straat onveiliger is, terwijl het aantal verkeersongelukken met kinderen juist terugloopt: volgens cijfers van het de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid vielen er in 2000 58 verkeersdoden in de leeftijdscategorie 0-14 jaar, in 2018 waren dat er slechts 19.

Zo’n 12 procent van de kinderen wordt altijd met de auto gebracht. Is er sprake van slecht weer, dan stijgt dit aantal met 5 procent. ‘Het is vaak ook een logistieke kwestie: papa of mama wil direct door naar zijn werk, dus dan is brengen met de auto handig’, zegt Rob Stomphorst van Veilig Verkeer Nederland. ‘Scheelt je inderdaad tijd, maar op die manier ontwikkelt je kind geen verkeersinzicht.’

Hoe pak je het wél aan?

Verkeersgevoel rijpt met de jaren. ‘Dat begint al als je peuter nog bij jou in een stoeltje op de fiets zit’, zegt Spapé. ‘Vertel dat je je hand uitsteekt voordat je een afslag neemt en dat je bij rood licht moet stoppen.’ Je kunt ’s avonds ook voorlezen uit het prentenboek Fiep in het verkeer. Met behulp van de tekeningen van Fiep Westendorp leren ze dingen als: ‘De stoep is de veiligste plek in het verkeer’.

Bij kinderen van 7 fiets je de route samen. Sommige ouders willen het goede voorbeeld geven en fietsen voorop. ‘Niet doen’, zegt Stomphorst. ‘Laat je kind altijd voor je uit fietsen, maar blijf er vlak achter, zodat je kunt ingrijpen als het nodig is. Spreek daar ook dingen over af, zoals: wanneer ik je naam roep, stop je direct.’ Maak je aanwijzingen zo specifiek mogelijk. ‘Kinderen draaien hun hoofd wel naar links bij een kruising, maar zien ze ook echt of er een auto aankomt?’

Wellicht heb je zin om een potje te schelden wanneer je in de regen je kinderen al schreeuwend (‘rechts houden!’) veilig op hun bestemming probeert te krijgen. Denk dan aan wat de Amerikaanse Rina Mae Acosta schreef op de site van CNBC, over waarom Nederlandse kinderen tot de gelukkigste kinderen in de wereld behoren: ‘Ze worden aangemoedigd om overal en in alle weersomstandigheden te fietsen omdat het hen leert moedig te zijn. Ze leren dat het leven niet altijd zonnig en vol regenbogen is. Ze leren niet op te geven.’