Categorieën
Columns & Opinie Mensen

Waarom jongeren minder lezen – Charlotte Remarque

Ik ben 22. Ik ben omringd door jonge, slimme mensen, die academisch zijn of worden geschoold. Geen natuurkundigen of ingenieurs, maar mensen die een culturele studie doen, ambities hebben in de ‘creatieve sector’, die historisch en filosofisch zijn aangelegd. Boekenwurmen, zou je denken. Maar lezen lijken ze nauwelijks te doen, en nagenoeg geen van hen leest romans. Hoe komt dat?

Een vaak geopperde reden is de digitalisering van vermaak. De trek van het blauwe licht. Mensen van mijn leeftijd zouden een beperkte aandachtsspanne hebben en zich niet kunnen concentreren op iets langers dan een filmpje op TikTok (30 seconden), of een aflevering van bingeable series als Modern Family (20 minuten). Daar is ongetwijfeld iets van waar. Onze breinen zijn door het smartphonescherm geconditioneerd geraakt om snelle prikkels op te schrokken als waren het snoepjes. Boeken zijn in die visie het entertainmentequivalent van een vezelrijke maaltijdsalade. De wilskracht die nodig is om niet voor de snoepjes te kiezen is immens. Dit is het cynische, technofobe argument. Ik ben het er niet mee oneens, maar vind het niet toereikend.

Dan is er het argument dat ik vooral hoor van de generatie onder mij, mijn broertje van 16 (generatie Z): dat veel Netflixseries inmiddels beter zijn dan boeken. Die series vertellen óók een verhaal, maar dan met alle toeters en bellen van een visueel medium. Hier valt ook niet over te twisten. Televisieseries zijn geen dom entertainment. Zeker sinds streamingdiensten hele seizoenen tegelijk online zetten, bootsen ze steeds meer de vertelvorm van de roman na. Het is salonfähig geworden te zeggen dat Breaking Bad de nieuwe Misdaad en straf is. Series hoeven niet, zoals vroeger, iedere week de kijker te herinneren aan het plot. Ze zijn makkelijk terug te kijken. Ze kunnen daardoor grootse verhalen vertellen, net als romans dat kunnen.

Maar waar de tieners van nu veel vaker het boek zonder schaamte links laten liggen, zit dat anders met millennials (grofweg: de twintigers en dertigers). Die willen nog wel lezen. Of ze vinden dat ze het eigenlijk wel zouden moeten. In ieder geval willen ze lezend worden gezien.

De esthetiek van het lezen is in onze cultuur alomtegenwoordig. Dagelijks zie ik op mijn Instagramfeed taferelen ter viering van de literatuur: een Penguin-pocket van Pride and Prejudice naast een latte macchiato, een overvolle tweedehandsboekenwinkel in Parijs waar een meisje met een nonchalante paardenstaart de flaptekst van Ulysses bestudeert. Op straat zie ik ostentatieve ruilboekenkastjes, linnen tassen met I like big books and I cannot lie. Lezen is uit, maar boeken zijn in. Het scherm trekt, maar we verafgoden het boek nog steeds, misschien wel meer dan ooit. We hebben het gevoel dat lezen belangrijk is, dat er van alles is dat we gelezen moeten hebben.

Bildung

Ik vroeg een vrouw die al dertig jaar in het boekenvak werkt wat ik nou moest hebben gelezen. Verontwaardigd keek ze me aan. ‘Wat je moet hebben gelezen? Niks, als je maar niet stopt met lezen.’

Ze vertelde dat je pas écht een intellectuele ontwikkeling doormaakt als je jarenlang romannetjes ligt te lezen in je studentenkamer. Maakt niet uit wat, gewoon, wat je leuk vindt. ‘Als je maar gestaag doorleest, kom je alles wel een beetje tegen. Onopgemerkt telt het bij elkaar op en word je steeds meer mens. Dat noemen we dan bildung. Bedank me maar over dertig jaar.’

Leuk en aardig, dacht ik. Maar wat kan ik lezen om nu resultaat te zien? Waar kan ik jarenlange gestage menswording op mijn cv zetten? Ik heb helemaal geen tijd voor bildung.

Misschien is dit de crux, hét verschil met vroeger, met haar generatie: dat wij het boek niet meer beschouwen als bron van vermaak, maar bovenal als middel tot een doel. Informatie. Eruditie. Reputatie.

Een studiegenoot van mij houdt al jaren vol dat fictie tijdverspilling is. Met non-fictie ligt het anders, volgens hem. Daar léér je tenminste iets van. Jarenlang legde hij zichzelf een houterig geschreven wereldgeschiedenis op. Die zeulde hij mee van café naar college naar studentenkamer. Erin lezen deed hij niet, dat ding was onleesbaar. Zijn kennis nam niet toe; het enige wat toenam was zijn schuldgevoel.

Snel en optimaal

Daar zit het euvel. Mijn generatie is gefixeerd op het optimaliseren van tijd. Productiviteit, of op zijn minst het streven naar productiviteit, is deze cv-oppoetsende, stagelopende burn-outgeneratie eigen. Waar die mentaliteit vandaan komt, daarover kun je boeken vol speculeren. Bindend studieadvies, de wedloop die de freelancewereld met zich meebrengt, een onverbiddelijke arbeids- en woningmarkt, of toch gewoon weer smartphoneschermpjes. De druk is hoog om iedere minuut nuttig in te vullen.

De gamification die we kennen van stappentellers en productiviteitsapps is ook richting het lezen gewoekerd. Op een e-reader staat onderin hoelang het nog duurt tot je het boek uit hebt, als een routebeschrijving. ‘Tijd tot einde hoofdstuk: 12 minuten. Tijd tot einde boek: 4 uur en 28 minuten.’ Het instinct om te winnen neemt je over en je gaat jakkeren – van die 4 uur en 28 minuten kunnen we wel wat afschaven! Advertenties voor luisterboek-apps spelen in op de schaarste van tijd: luister een hoofdstuk terwijl je strijkt, forenst of hardloopt. Vergeet niet de reclames voor speed reading-cursussen die je overal tegenkomt. 70 woorden per minuut? Daar kunnen we 120 van maken.

Het lezen moet niet alleen snel, het boek zelf moet ook optimaal zijn. Aan de bestsellerlijsten kun je aflezen wat de jonge, slimme lezer nog trekt: Yuval Harari, Rutger Bregman. Aan de ene kant sterft boekensnobisme uit en aan de andere kant vinden we het belangrijk om geïnformeerd over te komen. De zucht naar het informatiefste boek dempt logischerwijs de interesse in fictie, waarvan de toegevoegde waarde niet onmiddellijk helder is. We willen niet stukje bij beetje mens worden, we willen de geschiedenis van de mensheid in één keer kunnen kopen.

Angsten

De boeken spelen in op de angsten van deze generatie. Ze bieden een one-stop shop voor al onze behoeften, voor de jonge intellectueel die geen tijd heeft voor bildung: het wereldbeeldverschuivende, allesbevattende non-fictieboek dat je gelezen móét hebben. Ik heb niets tegen dit soort boeken, maar de taal (Everything you need to know about… This will change your entire view on…) en de marketing spelen bewust of onbewust in op de behoefte om van lezen een productieve activiteit te maken. Dat geldt ook voor de vliegveldbestseller over not giving a fuck, de optimalisatiegoeroes achter Flow, The Power of Habit en zelfs Jordan Peterson – het zijn boeken voor deze tijd, omdat ze beloven om in één klap je leven te veranderen. Populaire wetenschap is zelfhulp met andere middelen. Als we bij de voedselmetafoor blijven, zijn dit de proteïneshakes van de boekenwereld. Koken of kauwen hoeft niet, voedingswaarde is gegarandeerd.

Deze houding tegenover leven en lezen – dat er een optimale, efficiënte manier is om het te doen – roeit veel meer uit dan alleen fictie. Het maakt van ieder boek een moetje, een kans om jezelf te verbeteren en om het meeste uit je tijd te halen. Kunst om de kunst delft het onderspit wanneer optimalisatie het hoogste doel is. Terwijl er uit lezen zo veel plezier te halen is. Ergens denk ik dat we ons dat nog kunnen herinneren. Maar dan moeten we wel eerst berusten in het idee dat niet iedere seconde telt.

Categorieën
Columns & Opinie

Hoe een broodtrommel van Blue Band tot een bureaucratisch gevecht leidt over privacy – Stijn Bronzwaer

Het is een opvallend blauw, rechthoekig pakje. Op de bovenkant, gedrukt in grote letters, staat het logo van margarinemerk Blue Band. Vlak daarnaast: mijn naam en mijn adres.

Ik scheur het pakket open. Een blauwe boterhammentrommel. Met een brief.

Gefeliciteerd met de vierde verjaardag van je kindje! Nu gaat hij/zij voor het eerst naar de grote school. Blue Band heeft voor deze gebeurtenis een cadeau. Een eigen boterhammentrommeltje.

Mijn eerst reactie: vragen.

Hoe komen ze aan mijn naam?

Hoe komen ze aan mijn adres?

Hoe weten ze dat mijn zoon jarig is?

Hoe weten ze überhaupt dat mijn zoon bestaat?

Voor de geboorte van onze zoon namen mijn vrouw en ik ons iets voor. We wilden proberen zo min mogelijk sporen van hem achter te laten op internet. Om, zo was het idee, te voorkomen dat persoonlijke gegevens van hem in databases van bedrijven terecht zouden komen. Informatie die hem, misschien, later in zijn leven zou kunnen achtervolgen. De reden waarom ik hem in dit artikel ook niet bij naam noem.

Op foto’s op de site van het kinderdagverblijf stond één kind met een knalgele smiley voor zijn gezicht – mijn zoon werd op verzoek geanonimiseerd. Facebookberichten met vragen om babyfoto’s bleven onbeantwoord. Onbegrip bij sommige familieleden, nadat wij hun hadden gemaild of ze ons liever niet op sociale media wilden feliciteren met onze baby.

Dat lukte – al die jaren – vrij goed. Dachten we.

Tot het pakket van Blue Band. De start van, zo zal achteraf blijken, een frustrerend bureaucratisch gevecht om onze gegevens uit databases van allerlei bedrijven door heel Nederland gewist te krijgen.

November 2019

De eerste hint naar een antwoord op mijn vragen staat in kleine letters onderaan de brief die ik van Blue Band ontvang. „Wij hebben uw adres verkregen, omdat u staat ingeschreven bij de blije doos of De Zwangerbox.”

Inderdaad: alle voorzorgsmaatregelen ten spijt hebben we ons tijdens de zwangerschap ingeschreven voor de blije doos – een gesponsord pakket gratis spullen en informatiefolders voor zwangere vrouwen. Een doos ter waarde van een bedrag tussen de 25 en 40 euro. Met onder meer een pakket Pampers, maat 1. Een Avent-speen. Twee blikjes Bavaria 0,0. Inoli-babybadolie. Een nijntje rammelaar.

De blije doos wordt uitgegeven door WIJ Special Media (WSM), een organisatie die zichzelf omschrijft als een ‘datageoriënteerd mediabedrijf’. WSM heeft naar eigen zeggen data van 1 miljoen Nederlandse ouders met kinderen tot 12 jaar in bezit. Denk aan naam, adres, telefoonnummer, IP-adres, de uitgerekende datum, de geboortedatum en de naam van het kind. Elk jaar verstuurt het bedrijf 144.000 uitnodigingen waarmee consumenten de blije doos op kunnen halen bij Prénatal. Volgens WSM meldt 80 procent van de zwangere vrouwen zich voor zo’n doos aan.

Een gratis pakket spullen dus, in ruil voor je persoonlijke data. Gegevens die WSM vervolgens gebruikt „voor het doen van aanbiedingen door zorgvuldig geselecteerde partners [..] via e-mail, post of telefoon”, schrijft het bedrijf in het privacystatement op de site. „Ook kunnen de persoonsgegevens worden gebruikt om data van andere organisaties te verrijken.”

Ofwel: de persoonsdata van degenen die zich inschrijven (98 procent vrouwen met een gemiddelde leeftijd van 29 jaar), worden gedeeld met bedrijven waaronder Prénatal, Nutricia, Rabobank, ING en Procter & Gamble. Inclusief de eerste gegevens van het – dan nog – ongeboren kind, mits klanten hiervoor toestemming geven. Op basis daarvan schotelen die bedrijven de vrouwen onder meer gepersonaliseerde YouTube- of Instagram-advertenties voor of sturen boterhammentrommels toe.

Voor mijn zoon geboren werd, voor hij überhaupt bestond, stond hij al genoteerd in de database van WIJ Special Media met de datum waarop hij waarschijnlijk ter wereld zou komen. Data die, zo meldt WSM-directeur Marcel Bakker desgevraagd, bewaard worden „tot het jongste kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt”.

Dat kan dus zo twintig tot vijfentwintig jaar duren, bevestigt Bakker. „We richten ons op een doelgroep die in een nieuwe levensfase komt en een enorme honger heeft naar informatie. Dat is waar je op inspeelt.” Over wat er precies met die data gebeurt is WSM heel open, zegt Bakker. „En we zijn altijd heel duidelijk over hoe je je ook weer kunt uitschrijven.”

Zwangerschapsboxen blijken een data-goudmijn. „De echte prijs voor zo’n vrolijke cadeaudoos zijn je persoonsgegevens”, constateerde De Consumentenbond al in 2016. „Met een paar muisklikken geef je bijzonder waardevolle informatie over jou én je kind weg. Wat er daarna met die gegevens gebeurt is niet altijd helemaal duidelijk.”

Dat was 2016. Inmiddels is er de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), die deze week precies twee jaar bestaat. Deze wet geeft burgers de mogelijkheid hun data in te zien – en vervolgens precies vast te stellen wat een organisatie met die data heeft gedaan. Bedrijven of overheidsorganisaties zijn wettelijk verplicht aan verzoeken tot inzage of verwijdering te voldoen.

Drie dagen nadat ik de boterhammentrommel heb ontvangen, doen mijn vrouw en ik een verzoek tot data-inzage bij WIJ Special Media.

Enkele dagen later ontvang ik een keurige e-mail, waarmee direct helder wordt wat WSM precies weet. De naam, geboortedatum, mailadres en het 06-nummer van mijn vrouw. Ons adres, de uitgerekende datum, de naam van mijn kind, het geslacht van mijn kind en zijn geboortedatum.

Geslacht, naam en geboortedatum zijn na zijn geboorte toegevoegd. Dat hebben we zelf gedaan – onder meer om een gratis blauw geboortemutsje met zijn naam erop te kunnen ontvangen.

En, zo staat in de e-mail: „Uw gegevens hebben wij in 2015 gedeeld met Procter & Gamble, Partou, Smallsteps en Rabobank.”

Januari 2020

Tijd voor de volgende stap: een bericht naar alle bedrijven waarmee WIJ Special Media mijn data heeft gedeeld. En ook naar Upfield, eigenaar van Blue Band en klant van WSM.

Elk bedrijf dat persoonsgegevens verzamelt, is verplicht een privacystatement op zijn site bij te houden. Veel organisaties hebben na het invoeren van de AVG een privacy officer aangesteld: iemand in de organisatie die verantwoordelijk is voor zaken die gegevensbescherming aangaan. Dataverzoeken als de mijne gaan doorgaans via een e-mail naar de privacy officer, of door invullen van een online formulier.

Ik vul een digitaal formulier in bij Procter & Gamble en Rabobank. En stuur een e-mail naar Upfield, Partou en Smallsteps (beide kinderopvangorganisaties) met het verzoek mijn gegevens in te zien. Organisaties zijn wettelijk verplicht om binnen een maand te reageren op dergelijke verzoeken.

De eerste problemen doemen al snel op: de bedrijven aan wie ik een verzoek heb gestuurd reageren niet, of sturen een e-mail met een verzoek tot identificatie. Ze willen tenslotte zeker zijn dat ze de juiste persoon voor zich hebben. Dat gaat, opnieuw, per bedrijf verschillend.

Procter & Gamble stuurt een brief per post toe met daarin een formulier waarin ik, met tegenzin, opnieuw – en nog meer – persoonsgegevens invul.

Partou mailt terug „ondanks zorgvuldig onderzoek” geen persoonsgegevens aangetroffen te hebben in zijn database. „Om die reden kunnen wij nu niet aan uw verzoek voldoen.” Ik stuur een bezwaar. Na nader onderzoek blijkt Partou mijn persoonsgegevens wel te hebben gehad, maar „niet meer in bezit te hebben”.

Partou stuurt ook meer details over wat het precies doet met de gegevens. De kinderopvangorganisatie blijkt WIJ Special Media te betalen „voor adressen die we (eenmalig) mochten benaderen met een DM (direct marketing) kaart […]. In sommige gevallen hebben we apart betaald aan WIJ Special Media voor adressen om te mogen nabellen.” Na de DM-actie worden gegevens verwijderd, meldt Partou, dat zegt mijn data verder niet met derden te hebben gedeeld. Daarmee is voor mij de kous af.

Bij Rabobank gaat het net weer even anders. De bank stuurt een kopie van mijn persoonsgegevens toe via een beveiligde verzenddienst. Om toegang te krijgen tot de documenten is een sms-code nodig, die achterwege blijft. Rabobank vraagt daarna om mijn woonadres, zodat zij documenten kunnen toesturen – wat ik deze keer toch maar weiger, om zo niet nog meer gegevens toe te hoeven sturen.

Kinderopvangorganisatie Smallsteps kiest weer voor een andere benadering, blijkt als ik op 17 januari een mail van hen ontvang.

In het kader van een zorgvuldige afhandeling van uw verzoek, moeten wij allereerst uw identiteit vaststellen. Hiervoor ontvangen wij u graag op één van onze locaties. U bent voor deze legitimatie van harte welkom op het Smallsteps servicekantoor in Hengelo.

Ik besluit – vanwege corona – niet langs te gaan. Identificatie via post of videobellen blijkt onmogelijk. Het moet fysiek, laat een medewerker van Smallsteps weten aan mijn vrouw: „Dan zien we u graag op een later moment in Hengelo.”

Van Upfield, het bedrijf achter het Blue Band-trommeltje, horen we niets.

Februari 2020

Wat ik al snel leer, door de correspondentie met al deze bedrijven: ze zijn dergelijke verzoeken niet gewend.

Mails worden doorgestuurd naar verschillende afdelingen, er ‘moet even overlegd worden met een collega’. Brieven ‘komen niet aan’, privacyvoorwaarden zijn plots een tijd offline.

Hoeveel Nederlanders jaarlijks een verzoek tot data-inzage doen is onduidelijk. Een indicatie is er wel: ruim tienduizend Nederlanders vulden vorig jaar op de site van privacyorganisatie Bits of Freedom een standaardformulier in, waarmee bedrijven kunnen worden aangeschreven met een dataverzoek. De meeste verzoeken gaan naar grote bedrijven als ING, Albert Heijn of Google. Niet gek dus dat een kinderopvangorganisatie geen raad weet met mijn vragen.

WIJ Special Media krijgt „niet meer dan twintig verzoeken per jaar” binnen, meldt directeur Marcel Bakker. „We verwijderen jaarlijks circa tienduizend accounts uit ons systeem”, zegt hij. „Voor een deel op verzoek van een consument, en voor een deel omdat gegevens niet (meer) juist zijn.”

Intussen boek ik ook een succesje: Rabobank stuurt na wat mails over en weer de documenten op – zonder dat ik extra informatie hoef prijs te geven. De bank gebruikt de informatie uit de blije doos om „te checken of we deze klant aan onze kant herkennen”, laat een medewerker weten. „Zo ja, dan is het mogelijk dat de klant een aanbieding van onze kant krijgt, bijvoorbeeld om een rekening voor de pasgeborene te openen.”

Rabobank belooft binnen twee weken alle persoonsgegevens uit haar database te verwijderen. Dat heeft in totaal vier weken gekost.

Diezelfde week krijg ik ook een brief van Procter & Gamble, waarin het bedrijf belooft mijn via WIJ Special Media verkregen data binnen dertig dagen te verwijderen. Ook dat kostte vier weken: één online formulier, twee papieren formulieren en een handvol e-mails.

Maart 2020

Alleen Blue Band nog, maar eigenaar Upfield weigert nog altijd op e-mails te reageren. Ik besluit na twee reminders te dreigen met een stap naar de Autoriteit Persoonsgegevens, aangezien Upfield door niet aan mijn verzoek te voldoen de wet overtreedt.

Ik krijg direct antwoord.

Many thanks for your email. We are reviewing your request and shall respond shortly. Apologises for the delay.

Mijn e-mails bleken niet ontvangen, vanwege „Upfield-e-mailsystemen en een interne migratie tussen hostingplatforms”, zo mailt het bedrijf later.

Als later, op 6 maart, een overzicht van mijn persoonsgegevens volgt, komt het antwoord. „We begrijpen dat u uw toestemming heeft gegeven aan Upfield om uw persoonsgegevens te verwerken met als specifiek doel het deelnemen aan een promotie. Als onderdeel van de promotie stuurde Upfield u een broodtrommel”, schrijft het bedrijf. „Graag attenderen wij u erop dat u Upfield kunt vragen om al uw persoonlijke gegevens te verwijderen.”

Ik stuur de laatste e-mail, vier maanden nadat ik de boterhammentrommel ontving. Nog één keer 100 kilometer op en neer naar Hengelo – en dan ben ik klaar.

Categorieën
Columns & Opinie Werk

Lang leve het kantoor – Wouter van Noort

Vertel het maar niet door aan mijn collega’s, maar eigenlijk mis ik het kantoor voor geen cent. De dagelijkse trip ernaartoe lijkt na twee maanden thuiswerken een langvervlogen dwangneurose. En als ik einde middag zó de zon in rol, wordt de heimwee er niet bepaald groter op. We zouden wel gek zijn als we weer teruggaan naar oude werkroutines straks. Er zijn echt betere manieren om een derde van je doordeweekse leven door te brengen.

Toch lijken me de doodverklaringen van het kantoor nogal onwenselijk. Twitter kondigde laatst aan dat de meeste medewerkers ook na de crisis permanent thuis mogen werken. De oprichter denkt dat sommige medewerkers nooit meer op kantoor hoeven komen. Mark Zuckerberg verwacht dat de helft van alle Facebook-medewerkers uiteindelijk op afstand kan blijven werken. Het kan hun grootste disruptieve innovatie aller tijden zijn, als anderen hun voorbeeld volgen.

Maar de laatste jaren hebben we wel geleerd om plannen van deze bedrijven die als visionair worden verkocht met een korreltje zout te nemen. Dat lijkt ook nu een goed idee.

Het kantoor blijkt, zeker in crisistijd, de grote gelijkmaker. En Zoom de grote ongelijkmaker. Bij zo’n videovergadering zit de ene collega in een zonnig buitenhuis aan de Kaag, en de ander driehoog tussen de etensresten. Op kantoor zit iedereen onder hetzelfde middelmatige systeemplafond, heerlijk. In het thuiskantoor wordt iedereen een atomaire zzp’er. Of dat goed is voor het inlevingsvermogen tussen baas en werknemer is zeer de vraag. De eerste massaontslagrondes per Zoom zijn al geweest in de VS.

We weten uit de wetenschappelijke literatuur over wat mensen ten diepste motiveert dat voldoening in je werk draait om drie begrippen: autonomy, mastery, purpose – zelf kunnen beslissen over je dagindeling, ergens beter in worden, en het nastreven van een hoger doel. Autonomie ontbrak pre-corona waarschijnlijk te veel, daarvoor is het thuiskantoor een zegen. Maar om te leren van collega’s, voor het voelen van een gedeeld doel met een groep gelijkgestemden is Zoom geen waardige vervanging van de fysieke werkplek.

Het kantoor moet worden heruitgevonden, niet afgeschaft. Medewerkers moeten zich er onderdeel voelen van een groep, het moet een plek zijn voor ideeënuitwisseling, teambuilding, samenwerken én focus. Het moet groener, frisser, de koffie en het eten beter. Het mag misschien ook kleiner zijn omdat thuiswerken voor bepaalde taken zeker beter is. Her en der werd ook voor corona al flink geëxperimenteerd, ook bij Big Tech, dus de omslag moet niet al te moeilijk zijn.

De toekomst van werk is ineens hier. Het compulsieve forenzen mag in 2020 achterblijven. De flexplek waar alles in alles overloopt, tot een grijze, stressvolle en eenzame brij is dood en blijft hopelijk dood. Maar lang leve het kantoor.

Categorieën
Columns & Opinie Mensen

Ruisloos leven, zoals nu, is bij vlagen heerlijk – Wouter van Noort

Hoe langer een geluid duurt, hoe minder je het hoort. Het maakt niet uit hoe irritant het is. Een luidruchtige vliegtuigmotor, een stofzuigende huisgenoot, een buurman met een klopboor: al snel wordt het ruis waar je mee leert leven.

Maar als het rumoer stopt, merk je pas dat je er toch last van had. Als de buurman na een uur ophoudt met boren hoor je ineens de stilte, merk je dat je eigenlijk al de hele tijd met opgetrokken schouders zat, zucht je soms zelfs even van opluchting.

Zo voel ik me de laatste weken. De ruis is door de lockdown in één klap uit het leven verdwenen. Af en toe betrap ik mezelf op een rare gedachte: ik vind het bij vlagen heerlijk.

Geen misverstand: corona is een ramp. Ik heb zelf ook kokhalzend van de zorgen mijn Twitter-nieuwsfeed gelezen , en ik realiseer me heel goed dat ik geen kapper, kroegbaas of IC-patiënt ben. Natuurlijk is het een privilege om even lekker over deze situatie te filosoferen, terwijl duizenden anderen hun baan verliezen of zelfs vechten voor hun leven.

Maar des te belangrijker om juist nu de lichtpuntjes te blijven zien. Want wat als quarantaine ons óók kan leren dat geluk anders werkt dan we massaal dachten? Dat er andere wegen naar een fijn leven bestaan dan de uitgesleten olifantenpaadjes waar we met zijn allen tegelijk overheen probeerden te lopen.

Geluksonderzoekers maken onderscheid tussen twee soorten levensgeluk. De eerste is geluk in het leven: dat is het geluk dat je krijgt van zoveel mogelijk leuke activiteiten, fijne emoties, mooie gebeurtenissen, en van zo min mogelijk negatieve emoties en gebeurtenissen. Geluk in het leven is een optelsom waarbij je de slechte dingen aftrekt van de leuke dingen.

De tweede soort geluk is het geluk met je leven. Dat is hoe tevreden en vervuld je bent met het leven dat je leidt. Dat geluk komt van een dieper besef dat je leven zinvol en goed is. Dat geluk is veel moeilijker te kwantificeren.

Die twee soorten geluk hoeven niet per se samen te gaan: ouders van jonge kinderen kunnen bijvoorbeeld tegelijkertijd ongelukkig zijn ín hun leven vol slaapgebrek, maar zo zielsgelukkig mét hun leven dat ze nooit meer willen ruilen.

Geluk in je leven is een stuk moeilijker geworden in quarantaine. Geen bewegingsvrijheid, familiebezoeken, vrienden, terrassen, festivals, voetbalwedstrijden: dat is allemaal niet bepaald gunstig voor de optelsom. Maar voor de tevredenheid met je leven kan de quarantaine juist goed uitpakken.

Eén belangrijke reden: de quarantaine leert je te willen wat je hebt in plaats van te hebben wat je wilt. De maatregelen maken zo een einde aan een effect waarvan filosofen en geluksonderzoekers al eeuwen weten dat het mensen minder gelukkig maakt met hun leven: het Diderot-effect.

De Franse filosoof Denis Diderot had in de 18de eeuw een behoorlijke naam opgebouwd als schrijver, maar leefde een bescheiden leventje. Hij beschrijft in het essay ‘Treurdicht op mijn oude kamerjas’ hoe dat drastisch veranderde toen hij een cadeau kreeg waar hij in eerste instantie blij mee was: een scharlaken kamerjas. Een sjiek ding dat eigenlijk niet paste bij zijn simpele garderobe en inrichting. Zodra hij de jas aantrok werd hij ontevreden over de spullen die hij al had. Hij verving zijn oude rieten stoel voor een exemplaar van Marokkaans leer, zijn gammele bureau werd vervangen door een dure schrijftafel, gipsen beeldjes die hij van een vriend had gekregen moesten wijken voor een marmeren beeld van Venus, enzovoort. In het essay beklaagt hij zich over dat effect: „Over mijn oude kamerjas was ik de absolute heerser, maar de nieuwe heeft mij tot slaaf gemaakt.”

We moeten het door de quarantaine weer even doen met onze oude kamerjas. In die zin is het ook de ultieme test of het minimalisme dat de laatste jaren zo populair is, meer is dan een passerend lifestyle-trendje. Heeft het echt geleid tot een betekenisvolle, andere houding ten opzichte van de zucht naar gaver, groter, geiler?
Lees ook: Zes tips om veerkrachtig te blijven in tijdens van onrust.

Hoe dat ook uitpakt, zeker is dat de Japanse opruimgoeroe Marie Kondo de geesten onbedoeld rijp heeft gemaakt voor deze quarantaine. We moeten nu massaal winkelen in onze eigen kast, shoppen in ons bestaande leven, terwijl we bewuster dan ooit de vraag stellen: Does it spark joy?

En het antwoord is misschien wel verrassend vaak ja over wat nu overblijft en nee over wat nu wegvalt. Meer tijd doorbrengen met gezin? Ja. Kopjes koffie met vage nieuwe LinkedIn-contacten? Mwa. Dagelijks heen en weer naar kantoor? Hell no. Misschien is het dan ook tijd om die activiteiten op z’n Marie Kondo’s plechtig te bedanken voor hun diensten en ze vervolgens rücksichtslos weg te gooien.

Natuurlijk voelt het de laatste tijd af en toe alsof er een heel jaar is geannuleerd. 2020 gaat hoe dan ook de geschiedenisboeken in als het jaar zonder feest en vakantie. Maar ook zonder feest en vakantie blijft er veel moois over. Kunstenaar David Hockney deelde op zijn Instagram onlangs prachtige platen van bloeiende narcissen en andere bloemen in zijn Normandische tuin. „Vergeet niet dat ze de lente niet kunnen annuleren”, schreef hij erbij. „De enige echte dingen in het leven zijn eten en liefde, in die volgorde.”

Of dat voor iedereen genoeg is, is zeer de vraag – en Hockney heeft als duurste levende kunstenaar makkelijk praten. Maar hoe dan ook: de hedonistische tredmolen waarin we steeds harder moesten rennen om dezelfde kick te krijgen is piepend tot stilstand gekomen.

Niemand zou vrijwillig in quarantaine gaan. En vrijwel iedereen hoopt dat hij snel is afgelopen. We hebben even geen keuze en dat is bij vlagen onverteerbaar. Maar het fijne van keuzes moet ook weer niet worden overdreven.

Een overdaad aan keuzes leidt juist tot minder geluk, dat is de keuzeparadox waar de laatste jaren boeken over zijn volgeschreven. Een overdaad aan opties demotiveert en verlamt. Er is een beroemd experiment van de Amerikaanse universiteiten Columbia en Stanford waarbij de onderzoekers jam gingen verkopen op een markt. De ene dag kregen de bezoekers van de kraam de keuze uit zes jams, de andere uit maar liefst 24.

De tafel met 24 jams trok meer bekijks, maar daar besloot de meerderheid aan die tafel om uiteindelijk toch niks te kopen. Bij de tafel met zes jams bleef het veel rustiger, maar daar kochten veel meer mensen daadwerkelijk wat. Meer opties zijn aantrekkelijk, maar werken ook verlammend – en zorgen ervoor dat je uiteindelijk zonder jam blijft zitten.

Keuzestress was voor de coronacrisis millennial-aandoening nummer één. Veel mensen snakken er al een tijd naar dat keuzes voor hen gemaakt worden. Dat blijkt zelfs nog in quarantaine. We hebben alle tijd van de wereld en de complete bibliotheek aan menselijke creativiteit in onze handpalm, maar we kijken massaal naar The Tiger King op Netflix omdat het algoritme ons dat aanraadt. Er is geen betere remedie tegen keuzestress en fear of missing out dan quarantaine. Je mag niks, maar je mist dus ook niks.

Het KNMI bracht onlangs in een vrolijk persbericht naar buiten dat de seismische meetapparatuur van het instituut veel minder ruis opvangt dan normaal. Het stilvallen van het gebrom van de menselijke samenleving zorgde voor een ongekende rust in de data. Onderzoekers waren enthousiast: ineens konden ze allerlei kleine aardbevinkjes en aardgeluiden oppikken die normaal gesproken zouden wegvallen in het rumoer. Er opende zich een totaal nieuw onderzoeksveld.

Als ik weer eens gefrustreerd ben over de quarantaine probeer ik zo ook maar te kijken naar de lockdown. In plaats van naar de ruis kun je nu luisteren en kijken naar dingen die normaal gesproken werden overstemd. Vogels. Mooie gevels. Bloeiende narcissen voor mijn part. Ik heb nog nooit zoveel rustige stadswandelingen gemaakt als nu – en ontdek elke dag wel weer een ander pareltje in de omgeving.

Laatst kwam ik achter het bestaan van een compleet park op tien minuten van het huis waar ik al vijf jaar woon. Toen ik erover begon tegen de buren keken ze me meewarig aan dat ik het niet allang kende. Ik had geen idee.

Veel van de ruis die nu stilvalt is de ruis die afkomstig is uit ingesleten patronen en gewoontes. Sommige van mijn gewoontes waren zo dominant geworden dat mijn halve leven op de automatische piloot draaide. We zijn de laatste jaren volstrekt geconditioneerd geraakt om de hele tijd hetzelfde gedrag te vertonen: om elke vijf minuten op je smartphone te kijken, steeds weer nieuwe spullen te kopen, elke dag te forenzen naar een ver kantoor, dagelijks weer onweerstaanbare trek te krijgen in een frikadel als je op je vaste tijdstip langs het open buffet van de stationswinkels loopt. Het moderne leven hangt aan elkaar van de gewoontes, compulsies, verslavingen. Er zijn nu in elk geval minder stationsfrikadellen in mijn leven.

Het is zo: nieuwe compulsies steken net zo goed weer de kop op (hallo doordeweekse wijnfles, hallo Bol.com). Maar de grip van mijn oude patronen wordt merkbaar kleiner. Misschien keek ik wel te compulsief naar buiten. Meer, meer, meer, verder, verder, verder. Quarantaine dwingt de blik naar binnen, dichterbij, simpeler, rustiger, beperkter.

Gedragsonderzoekers hebben ooit uitgezocht dat het vormen van een nieuwe gewoonte zo’n 66 dagen duurt. Deze lockdown duurt waarschijnlijk minstens zo lang. Filosoof Charles Eisenstein noemt Covid-19 dan ook „een rehab die de verslavende greep van de normaliteit doorbreekt”.

Het onderbreken van een hardnekkige gewoonte maakt de compulsie zichtbaar. Als de quarantaine straks weer opgeheven wordt, komt vanzelf de vraag op welke routines we terug willen – en welke we liever kwijt zijn. De quarantaine maakt mensen paradoxaal genoeg vrijer. Vrijer om straks bewuster het nieuwe leven in te richten met minder ruis.

Categorieën
Columns & Opinie Mensen Wetenschap

‘Misschien zeggen we straks wel tegen elkaar: ik ga even in de coronastand’ – Interview Witte Hoogendijk

Natuurlijk brengt de coronacrisis onzekerheid en stress met zich mee. Maar psychiater Witte Hoogendijk ziet ook positieve effecten op de psyche. Want is het stiekem niet heerlijk, zo’n lege agenda?

Een tijdje geleden, het woord ‘corona’ werd nog vooral geassocieerd met bier, zat psychiater Witte Hoogendijk het archief van zijn twee jaar geleden overleden moeder uit te pluizen. ‘We lazen de brieven die ze schreef toen ze zat ondergedoken en waren verrast door de hoeveelheid heel normale dingen die daarin voorkwamen. Niemand weet hoe de komende weken en maanden eruit gaan zien, maar mensen zijn geneigd zo veel mogelijk het gewone leven te volgen, onder alle omstandigheden, ook als ze beperkte bewegingsvrijheid hebben.’

Witte Hoogendijk (1960) is hoofd van de afdeling psychiatrie bij het Erasmus MC in Rotterdam en gespecialiseerd in depressie. Op zijn kaartje staat prof. dr. W.J.G. Hoogendijk, maar ik mag Witte zeggen want we hebben samen twee boeken over de evolutionaire achtergrond van stress geschreven. We spreken elkaar telefonisch over de lessen die deze tijd ons mogelijk leert – en uiteraard over de stress die de coronacrisis teweegbrengt.

Om met dat laatste te beginnen: of je nu wel of geen last hebt van coronastress, het is in alle gevallen verstandig te stoppen met het lezen van de oeverloze stroom aan berichten die via sociale media over de wereld wordt uitgestort. Witte Hoogendijk: ‘Die vormen een stressor van jewelste, eentje waar we niet op gebouwd zijn. Problematisch is niet alleen de veelheid van de berichten, maar ook het feit dat ze ongecontroleerd zijn en je geen idee hebt wat ervan klopt. Intussen zetten ze je stressresponssysteem wel non-stop op scherp, je blijft continu alert en gespannen. Daar worden mensen op den duur horendol van.’

Maar soms lees je er toch ook wel iets zinnigs?

‘Natuurlijk. Alleen is het lastig dat in alle berichtgeving over corona geen goed onderscheid wordt gemaakt tussen epidemiologische data en casuïstiek. Als je naar de epidemiologische data kijkt, gebouwd op 100 duizend bevestigde coronapatiënten, kun je concluderen dat verreweg de meeste mensen die aan corona overlijden ouderen zijn of mensen met een lichamelijke kwetsbaarheid. Die specifieke groepen moeten dus in quarantaine blijven.

‘Voor de jongeren die aan de bedden staan zouden die epidemiologische data een geruststelling kunnen zijn. Alleen worden ze voortdurend geconfronteerd met gevalsbeschrijvingen die ‘viraal’ gaan en waarin uitgebreid beschreven wordt dat een Zuid-Koreaan de ziekte heeft overgedragen terwijl hij geen symptomen had, niet eens lichte keelpijn. En dat leidt tot paniek. Je kunt de hoeveelheid berichtgeving die je tot je neemt het best doseren – twee keer per dag – en je daarbij beperken tot de officiële bronnen, dan mis je heus niks. Ik kijk alleen naar de site van het RIVM en het NOS Journaal.’

Welke lessen leert deze tijd ons over onze psyche? Wat kunnen we ervan ‘meenemen’?

‘De eerste les lijkt me dat we minder rauwe gordeldieren dan wel besmette vleermuizen afkomstig van Chinese markten moeten eten. De tweede heeft te maken met hoe we onze dagen vullen. Wat ik veel om me heen hoor – en ook duidelijk bij mezelf bemerk – is dat mensen een enorm gevoel van opluchting ervaren bij alle dingen die nu worden afgezegd. Niet alleen op het werk, ook privé. Opeens besef je in wat voor tredmolen je normaal gesproken zit, als elke minuut van de dag wordt volgeplempt met van alles en nog wat.

‘Les drie is het gemak waarmee dingen afgezegd blijken te kunnen worden. Het gaat gewoon niet door! De belangrijkste interventie bij overspanning en burn-out is het leegmaken van de agenda, wat altijd moeilijk wordt gevonden, want alles is belangrijk. Maar de situatie van vandaag leert ons dat het gewoon kan door het te doen.’

Als straks alles weer normaal is, krijg je de rust van nu misschien als een boemerang terug, ook omdat er van alles moet worden ingehaald.

‘Ik weet niet of er zo’n enorm inhaaleffect zal zijn. Ik denk dat veel mensen de relatieve rust ook wel fijn vinden en daarom best een beetje bij zich kunnen houden – hoewel dat vermoedelijk net zo moeilijk is als het vasthouden van het vakantiegevoel. Maar je moet het wel proberen. Je ervaart nu dat het kan. Misschien zeggen we straks tegen elkaar: ik ga even in de coronastand.’

Zie je nog meer dingen die we moeten zien vast te houden?

‘De flexibiliteit. Bij allerlei oplossingen worden nu een heleboel stappen overgeslagen. Je weet elkaar snel te vinden, de lijntjes zijn kort; je ziet opeens hoe nodeloos procedureel en bureaucratisch we in het normale leven zijn. Verder de solidariteit die je om je heen ziet, een prettig soort wij-gevoel. Dat mag ook wel even voortduren.’

Heeft Rutger Bregman dan toch gelijk dat de meeste mensen deugen? Blijken we eigenlijk heel lief en goed en aardig…

‘Nee, dat denk ik niet, helaas. Je ziet nu veel altruïsme, maar zodra schaarste om de hoek komt kijken, wordt alles anders. Nu al zie je een milde vorm van egoïstisch gedrag in de vorm van hamsteren. Als die schaarste toeneemt, wordt de mens snel het beest dat hij onder zijn vernisje van sociaal gewenst gedrag is. Je hoeft alleen maar naar de mondkapjesschaarste te kijken. Onze mensen stuiten op boeven en oplichters die woekerprijzen vragen. Je kunt in deze crisis alles verwachten. Ik denk dat het een goeie testcase is voor onze samenleving hoelang we dit altruïstische gedrag overeind kunnen houden. We zullen ons heus niet allemaal als beesten gaan gedragen, maar sommigen van ons wel, dat weten we uit het verleden – en de mens is in de afgelopen decennia natuurlijk niet wezenlijk veranderd.’

Zie je dat bepaalde menstypen zich nu gemakkelijker staande houden dan andere?

‘Over het algemeen geldt dat hoe rationeler je bent, hoe beter het je afgaat. Want als je alle scenario’s goed bekijkt, kun je concluderen dat voor bijvoorbeeld een zorgverlener het risico om te overlijden aan een corona-infectie erg laag is. In het nieuws heet het dat de zorg een hoog-risicoberoep is, maar dan moet je wel bedenken dat er in de zorg veel meer wordt getest. Uit genetisch stamboomonderzoek naar het virus in het Erasmus MC blijkt dat onze besmette medewerkers het tot nu toe allemaal buiten het ziekenhuis hebben opgelopen. Rationeel blijven, dus.

‘Ook je emoties kun je op die manier te lijf gaan. Concrete angst, bijvoorbeeld voor een hoester, is prima: die maakt dat je opzijstapt. Abstractere angst, bijvoorbeeld voor wat er in de toekomst zou kunnen gaan gebeuren, kun je relativeren. De toekomst is per definitie abstract want de factor ‘tijd’ zit erin, en tijd is een abstractie. Bedenk dat het normaal is om dat soort angstgevoelens te hebben, maar besef ook dat je aan abstracte, niet tastbare zaken niets kunt doen.’

Veel mensen ervaren een gevoel van verlies van controle.

‘Ja, je stuit hier op de existentiële angst, de achtergrondangst die we elke dag allemaal onbewust hebben en waarbij we niet steeds stilstaan: dat we kunnen sterven. Onder normale omstandigheden popt die af en toe op, bijvoorbeeld bij begrafenissen; mensen moeten vaak huilen omdat ze zich inbeelden hoe het is als zíj daar liggen, of een dierbare. Maar nu slaat die existentiële angst keihard toe en hij gaat ook niet weg, hij blijft om ons heen spoken.

‘Het is om te beginnen belangrijk te erkennen dat dergelijke emoties normaal zijn. Vervolgens kun je de ratio erbij halen om te bedenken dat de kans dat je doodziek wordt hoe dan ook klein is – en áls je doodziek wordt, is er altijd nog de intensive care. Blijf je toch tobben, doe dan een gedachtenstop. Je moet daarvoor een alternatieve gedachte paraat hebben. Eerst ga je hardop piekeren, dan zeg je ‘stop’ en breng je die andere gedachte erin. Let ook op de psychologische hygiëne tegenover huisgenoten en collega’s: praat elkaar niet de put in. Zoek afleiding, ga naar buiten, verzin leuke dingen.’

We passen ons tot dusver gemakkelijk aan.

‘Mensen zijn heel adaptief. Mijn opa zat in de Tweede Wereldoorlog gevangen en ging schaakstukken maken van papier-maché. Daar heeft hij maanden in zijn eentje mee geschaakt. Overigens zijn de veranderingen die we nu om ons heen zien niet fundamenteel. We blijven communiceren, om maar wat te noemen. Voedsel is geen issue en dat wordt het vermoedelijk ook niet. Op het vlak van de primaire levensbehoeften gaat alles gewoon door.’

Belanden mensen tijdens crises als deze sneller in een depressie of psychose dan normaal?

‘Nee, eerder het tegenovergestelde. Ik heb het idee dat bij veel patiënten nu vooral een gezond deel van hun psyche wordt aangesproken, doordat er opeens concreet iets aan de hand is. Maar als de ambulante zorgverlening komt stil te vallen, zouden patiënten kunnen terugvallen of ontregelen.’

En lichtere klachten als burn-out en overspannenheid? Lopen die ook terug als er echt iets aan de hand is?

‘Te lang alert zijn kan tot gevoelens van overspannenheid leiden, dat weet iedereen die een bepaalde periode heel lange dagen maakt; je krijgt een kort lontje. Maar als het gaat om burn-outklachten die op een milde depressie lijken, met daarnaast gevoelens van uitputting en een sluimerende onvrede, waarvan vooral veel jongeren last hebben, zou het best kunnen dat we een afname gaan zien.’

Omdat mensen opeens veel minder moeten: niet meer elke ochtend vroeg uit bed, niet de hele dag hoeven presteren, geen slopende feesten meer.

‘Precies, het aantal stressoren neemt af. Als je ziet wat er allemaal wordt afgezegd, echt ongelooflijk. En dan hebben we nog niet eens een lockdown.’

Zieke mensen zeggen dat er iets troostends uitgaat van de wetenschap dat iederéén nu thuiszit.

‘Het fenomeen van fear of missing out, dat normaal enorm wordt aangewakkerd door sociale media met alle opgeklopte verwachtingen en beelden die daar geschetst worden, valt weg. De situatie is nu voor iedereen gelijk. Je mag alleen hopen dat mensen niet op sociale media gaan opscheppen over hoe fantástisch ze het thuis hebben, want dan ben je terug bij af.’

Hoe vind je dat we in Nederland over het algemeen met de coronacrisis omgaan?

‘Goed. Met veel gevoel voor humor, ik krijg het ene lollige appje na het andere. Dat is niet alleen grappig, maar breekt ook de spanning. Heel lang doodserieus zijn houd je ten eerste niet vol, en is ten tweede niet gezond. Rutte doet het ook goed, deze situatie leent zicht voor directief leiderschap: vasthouden aan genomen besluiten, totdat je ze door veranderende omstandigheden moet bijstellen.’

Een arts gooit doorgaans meteen het slechte nieuws erin. Maar onze regering bouwt het langzaam op. Is dat verstandig?

‘Toch wel, omdat dit een ongekende situatie is; men wéét ook niet hoe de ontwikkelingen zijn. Dus ik vind het wel verstandig dat ze steeds zeggen dat er verschillende scenario’s openliggen, dat het best kan zijn dat we volgende stappen moeten zetten, maar nu nog even niet.’

Deze tijd heeft wel een back-to-basicskarakter.

‘Je raakt meer doordrongen van waar het in het leven eigenlijk om gaat. Ook dat is iets om vast te houden. Net als de effecten van deze periode op het klimaat: de lucht klaart op, in Venetië zwemmen weer vissen in het kanaal. In die zin is deze coronacrisis een wake-upcall. Dat is hét experiment of nature dat nu is gedaan. Kunnen we dingen veranderen? Ja dus.’