Categorieën
Werk

Met deze 6 tips houd je je inbox in bedwang: Urgente e-mails bestaan niet – Jennie Barbier

De enorme hoeveelheid e-mails waar we dagelijks mee bestookt worden, zorgt bij veel mensen voor stress en onwelkome afleiding. Maar ermee stoppen? Dat is eigenlijk geen optie. Met deze tips krijg je die overstromende inbox weer onder controle.

Van alle verslavende techproducten die de moderne tijd heeft voortgebracht, steekt er één met kop en schouders boven uit. En nee, dat is niet Facebook of Instagram, maar hét oorspronkelijke sociale medium: e-mail. Een product ‘dat niemand leuk vindt, maar we kunnen niet ophouden het te gebruiken’, zoals Nir Eyal, auteur van Hooked: hoe je mensen ‘verslaafd’ maakt aan je product, het eerder dit jaar verwoordde in een interview met de Volkskrant.

‘E-mail heeft echt alles om je te bedwelmen en gaat voorlopig niet verdwijnen’, aldus Eyal. ‘Vooral de variabele beloning ervan: wat staat er in mijn inbox? Soms is het goed nieuws, soms slecht. Wie heeft me gemaild, wat staat erin? En het voelt productief, ook al is het dat niet. Het vóélt alsof je iets nuttigs aan het doen bent.’

Anno 2018 worden er zo’n 281 miljard e-mails per dag verzonden tussen 3,8 miljard gebruikers, becijferde het Amerikaanse onderzoeksbureau Radicati. En beide aantallen zullen blijven groeien. Je kunt je Facebookaccount verwijderen, WhatsApp van je smartphone gooien of een oude Nokia aanschaffen die je in één keer van alle mobiele internetfratsen verlost, maar stoppen met e-mail? Dat doet eigenlijk niemand. Deelnemen aan het internetverkeer is een stuk lastiger zonder digitaal postadres en op zakelijk gebied is het nog altijd de belangrijkste vorm van communicatie.

Ondertussen hebben de afgelopen jaren verschillende onderzoeken uitgewezen dat de constante stroom e-mails zorgt voor stress en afleiding. Vooral op de werkvloer is het voortdurend gestoord worden door binnenkomende berichten slecht voor de productiviteit. En een makkelijke uitvlucht tijdens een saaie klus: mails lezen en beantwoorden hoort immers óók bij werk, dus in zoverre het een afleiding is, is het er tenminste een die je kunt verantwoorden. Toch zul je aan het eind van de werkdag met een onvoldaan gevoel huiswaarts keren, jezelf afvragend wat je nou eigenlijk hebt gedaan die dag. Om ‘s avonds na het eten tóch nog even je mail te checken.

Dat moet anders kunnen. Met hulp van Richard Wolfe, oprichter van Email Handyman, en spreker en trainer Jelle Drijver, die cursussen slimmer werken organiseert, leren we je het e-mailmonster temmen met onderstaande tips.

1. Zet je meldingen uit

Als bij elke binnenkomende mail nog een deuntje klinkt, doe dan jezelf – en je nabije collega’s – een plezier en zet het uit. En die desktopnotificaties die onderin je scherm verschijnen ook, eigenlijk alle meldingen die je attenderen op binnenkomende mail.

‘Er is een cultuur rondom e-mailen ontstaan, waarin we ons bijna verplicht voelen direct te reageren’, zegt Richard Wolfe. Terwijl het medium meestal juist wordt gebruikt voor minder dringende communicatie. Uit dus, die meldingen – ook op je telefoon. Ga in plaats daarvan een paar keer per dag, als het kan op vaste momenten, door je inbox. Toch bang dat je iets urgents mist? Daar is Wolfe duidelijk over: ‘Urgente e-mails bestaan niet. Als het een spoedgeval is, bellen ze wel.’

In de meeste mailprogramma’s kun je trouwens instellen dat je van geselecteerde adressen wel een notificatie ontvangt, mocht je op een heel belangrijke mail wachten. Met een app als Pushover kun je op je smartphone hetzelfde doen. Of je kunt de afzender vragen om je een ouderwetse sms te sturen zodra de mail verstuurd is.

2. Zorg altijd voor een lege inbox

‘Een lege inbox is een leeg hoofd’, zegt Jelle Drijver. Geen toeval dat vrijwel alle e-mail-opruimmethodes werken met het zero-inboxbeleid. Het idee is dat je inbox alleen nog fungeert als verzamelplek voor binnenkomende, ongelezen mails en dat gelezen berichten netjes worden opgeruimd.

Veel mensen werken vanuit hun inbox, legt Wolfe uit. Logisch: daar vind je in één oogopslag al je projecten, uitstaande vragen, notulen, opdrachten en contacten bij elkaar. Maar met tientallen binnenkomende mails per dag stapelt de post zich op en kun je, net als in een overvolle kledingkast, al gauw niet meer zien wat er onder die bovenste stapel schuilgaat. Weg oogopslag.

Een uitpuilende inbox, zegt Wolfe, is ‘alsof je je bureau op een druk schoolplein hebt staan’. ‘Hier gebeurt wat, daar roepen mensen naar je en hé, is het al tijd om naar binnen te gaan? Zo kun je niet werken. Een lege inbox zorgt voor rust, zodat je je op je echte taken kunt focussen.

3. Sorteer je mails op taken

Oké, een lege inbox dus, maar wat doe je dan met je berichten? Afhankelijk van welke e-mailgoeroe je raadpleegt, luidt het advies je mails te sorteren in drie, vier of vijf mappen gebaseerd op de taak die eraan verbonden is. Moet je nog iets met deze mail, ja of nee? En moet dat op korte of lange termijn?

Wolfe werkt in zijn trainingen met vier mappen: ‘doen deze week’, ‘later/misschien’, ‘wachten op’ en ‘bewaren’. Bevat het bericht een vraag of verzoek dat je binnen twee minuten kunt afhandelen, dan doe je het meteen. Ja, de vergadering vrijdag gaat door; nee, ik ga niet mee met het bedrijfsuitje discobowlen. Als er meer tijd in gaat zitten, verplaats je de mail naar ‘doen deze week’, waar al je taken op een rij staan en je makkelijker prioriteiten kunt aanbrengen. Is het niet urgent, maar wil je er in de toekomst nog eens aan herinnerd worden, dan vindt het bericht een plek in ‘later/misschien’. En moet je eerst een actie van een ander afwachten, dan hoort het thuis in, je raadt het al, ‘wachten op’. Wat je hebt afgehandeld verplaats je naar de map ‘bewaren’ of naar je archief, en wat niet relevant is en geen belangrijke informatie bevat mag in de prullenbak.

Maar wat nou als je inbox op moment van aanvang meer dan vierduizend mails telt, zoals bij ondergetekende het geval was? Dan pas je wat Wolfe de ‘terug van vakantie’-aanpak noemt toe. Begin bovenaan, bij de meest recente mail, en werk de stapel door totdat je merkt dat je alleen nog aan het archiveren of verwijderen bent. Op dat punt ben je meestal al enkele weken in je mailhistorie afgedaald, dus de kans dat er nog urgente zaken tussen staan is niet zo groot – en anders ben je daar toch al te laat mee. Selecteer alle overgebleven mails en kieper de hele bups zó je archief in. Voilà: een lege inbox.

Nog sneller met sneltoetsen

‘Speedmailen’, heet de methode van Richard Wolfe en een belangrijke tip is dan ook om gebruik te maken van sneltoetsen. Waar die allemaal verstopt zitten, vind je door het vraagteken in te toetsen (oftewel shift + /). Heb je het een beetje onder de knie, dan kun je van mail naar mail springen, antwoorden verzenden en alles naar de juiste mapjes verplaatsen zonder je vingers van het toetsenbord te halen.

4. Pile, don’t file

Word je nerveus van het idee dat al je oude mailwisselingen, ongeacht onderwerp of afzender, in het archief op één grote hoop terechtkomen? Nergens voor nodig. De zoekfunctie van mailprogramma’s als Outlook en Gmail is tegenwoordig zo geavanceerd dat alles met de juiste termen terug te vinden is. Zelfs bijlagen worden doorzocht op steekwoorden.

‘Pile, don’t file’, is dan ook het adagium van Jelle Drijver; stapelen in plaats van sorteren. Het maken van e-mailmapjes op basis van onderwerp, bijvoorbeeld projecten of klanten, is ‘zonde van je tijd’, vindt Drijver. ‘Steek die tijd liever in het verbeteren van je zoekvaardigheden.’ Wie zweert bij zijn zorgvuldig gesorteerde themamappen moet zich afvragen hoe vaak die daadwerkelijk geopend worden om mails in terug te vinden. Is dat regelmatig, dan laat je ze lekker staan. Maar als ze liggen te verstoffen (en wees eerlijk, waarschijnlijk is dat zo), kan de inhoud net zo goed in het grote archief gestort worden.

Ook het opsporen en verwijderen van oude junkmail en andere overbodige post die nog ergens in je mailbox verscholen ligt is niet nodig, zegt Drijver. Bijna alle e-maildiensten bieden genoeg opslagruimte om hele jaargangen aan webshop-nieuwsbrieven in op te slaan. Ze liggen niet in de weg en je hoeft ze nooit meer tegen te komen. Wil je toch graag ruimte maken, dan biedt wederom de zoekfunctie uitkomst. Met de term ‘unsubscribe’ of ‘uitschrijven’ hengel je de nieuwsbrieven eruit. En door te zoeken op mails met bijlagen groter dan 2MB kun je snel de grootste bestanden verwijderen.

5. Houd het bij

Nu je inbox leeg is, is het natuurlijk zaak dit zo te houden. Zorg dat je je mailbox altijd leeg achterlaat en loop wekelijks door de mappen om te kijken of je iets hebt gemist en om inmiddels afgehandelde berichten te archiveren. Is het toch weer een rommeltje geworden, pas dan de ‘terug van vakantie’-aanpak toe.

Over vakantie gesproken: bang om na een ontspannend verlof weer de werkstress in gekatapulteerd te worden door een ontploffende mailbox? Dan geeft Jelle Drijver nog de tip om, zeker als je langere tijd weg bent, in je out-of-office-reply te vermelden dat alle in die periode ontvangen berichten helemaal niet gelezen zullen worden, met het vriendelijke verzoek om voor belangrijke zaken na de vakantieperiode nog eens te mailen. ‘Zo leg je de verantwoordelijkheid bij de ander en zul je zien dat de meeste mensen in de tussentijd zelf op zoek zijn gegaan naar een andere oplossing.’

Je hoeft natuurlijk niet daadwerkelijk alle mails ongelezen weg te gooien, maar het geeft rust te weten dat je niet overal op terug hoeft te komen. En je hebt binnen no time weer een lege brievenbus.

Stel standaardantwoorden in

Stuur je vaak min of meer hetzelfde mailtje? Dan kun je tijd besparen door standaardantwoorden aan te maken, waarin je alleen nog maar enkele details hoeft in te vullen. En ja, dit is ook sneller dan het opzoeken en copy-pasten van een eerder verzonden mailtje.

6. Voor wie het aandurft: geen ongelezen e-mails meer

Wat het beleid rondom ongelezen berichten betreft zijn er twee soorten mensen op de wereld: degenen die ongelezen berichten zo snel mogelijk lezen, of in ieder geval openen, om dat vervelende rode bolletje of die vetgedrukte (1) weg te krijgen, en zij die dat getal gerust laten oplopen in de honderden of zelfs duizenden. Die alleen de relevante berichten openen en de rest onaangeroerd laten.

Voor de eerste groep, de mensen die getergd worden door rode bolletjes met cijfertjes erin, heeft Richard Wolfe een ietwat gewaagde oplossing (‘dit vinden mensen altijd heel eng’): alle binnenkomende mails direct laten markeren als gelezen. Dit kan door in het instellingenmenu een filter (Gmail) of een regel (Outlook) aan te maken. Zo zien al die nieuwe berichten er een stuk minder urgent uit. Je hoeft niet bang te zijn om iets te missen als je je aan de regel van de lege inbox houdt. En heb je meteen nog een belangrijke reden om die plek voortaan opgeruimd te houden.

Categorieën
Columns & Opinie

Het nut is verslagen door luxe en design bij de nieuwe Volvo – Bas van Putten

Volvo’s kun je tegenwoordig recenseren voor je er een meter mee gereden hebt. De huisstijl is een copypaste-totaalpakket. Je kent dashboard, interieur, automaat en motoren van de S90 en V90, de XC40, XC60 en XC90. Je weet hoe ze rijden, niet te hard en niet te zacht. Hoe ze sturen, niet te scherp en niet te week. Hoe ze ruiken en voelen: heerlijk.

Ook de nieuwe V60 heeft het moeilijk te beschrijven Volvo-DNA dat de transitie van elitebaksteen naar shiny executive hoopgevend heeft overleefd. Achter de premium-façade van chroom, hout, aanraakschermen en wit leer waakt degelijke Zweedse orde over de rustgevende synergie tussen mens en auto. Het fijne grote touchscreen met vrijwel alle bedieningsfuncties is de witte raaf in zijn rampengenre. Het oude welbehagen is geconserveerd, die merkcultuur van meesterlijke stoelen en vijfsterrenzorg voor de inzittenden. Op een iets te snel genomen verkeersdrempel worden spontaan de gordelspanners aangetrokken. Dan weet je dat die auto om je geeft. Mooi is hij ook nog.

Een moeilijk te verwerken stijlbreuk is de motor. Hij is het sporthart in een seniorenlijf. Het is een tweeliter viercilinder turbo met 310 pk, het lijf een vierwielaangedreven station met een leeggewicht, hallo, van 1724 kilo. Op papier mankeert aan de prestaties niets. De trekkracht van 400 Newtonmeter zou voldoende moeten zijn. Zolang je niet het uiterste van hem vraagt, is de V60 inderdaad een kalme, stille auto. De pijn zit in de kramp waarmee de turbo zijn vermogen levert als dat wél moet. Dan schoffeert hij bruusk de zachte, adellijke toon van de klassieke vijfcilinders die Volvo wegens te hoge emissiewaarden uit productie heeft genomen. Bij vol optrekken verslikt de achttraps automaat zich in de ongewenste plicht tot harde actie en het met turbo-hightech opgeblazen miniblokje ridiculiseert het standsgevoel met proletarisch blèren. En dan is dit nog wel de krachtigste benzine-variant. Cultuurloze testosterontechniek.

Royale vijf- en zescilinders? Afgeschaft. Alle leverbare motoren zijn tweeliter viercilinders, diesels en benzines in twee respectievelijk drie sterktegraden, plus een plugin-hybride. Die downsizing had met lichtere modellen vast milieuwinst opgeleverd, maar het structurele overgewicht van nieuwe Volvo’s heeft dramatische gevolgen voor de emissiewaarden; 171 gram CO2 per kilometer en een E-milieulabel zijn stevig en een niet gering praktijkverbruik van krap aan 1 op 10 maakt het nog erger. Financiert Volvo zijn kostbare elektrificatieplannen soms met een moratorium op gewichtsbesparende technologie? Neem dan in godsnaam maar een diesel, die loopt rustiger. Het regenwoud was toch al dood.

Niet meer voor de Volvo-hoogleraar.

Hoe relatief is vooruitgang. Net kocht ik uit nostalgie mijn vierde Volvo, een S60 T5 van 2001. De wittebroodsrit was een leerzame ervaring. De grote turbo-vijfcilinder klinkt altijd beschaafd en stressvrij. Hij haalt op lange reizen 1 op 13. Hij zit zo goed als een nieuwe. En hij is véél sneller. Als reiswagen is het tweedehandsje op majeure punten te verkiezen boven de V60. De met hightech volgestouwde test-V60 schuift zevenentachtig mille; de Volvo-hoogleraar van vroeger koopt maar een Renault. De mijne kreeg ik inclusief wit leer, automatische klimaatregeling en de voortreffelijke stereo voor vijf mee. Daar wil ik die bemoeizuchtig meesturende assistentiesystemen wel voor missen. Het Zen-gevoel kan zonder.

Welke plaats heeft de V60 in een gamma dat tot dusver op grote, functionele stations leunde? Hij verstouwt 120 liter meer bagage dan zijn voorganger, die er uitsluitend voor het oog was. En met zijn rechte achterruit lijkt hij meer op een station dan de grotere V90. Maar geen van beide kunnen ze tippen aan de 1.600 liter opslagruimte van de vorig jaar gesneefde V70. Bij de haast even lange V60 zijn het er 1.364. Teleurstellend.

Van de 1.82 meter lange laadvloer gaat het gat tussen voorstoelen en achterbank nog af. Wel is de vloer vrij vlak, zodat ik er met opgetrokken knieën kantje-boord de nacht kan doorbrengen. Veer met beleid op uit een nachtmerrie, het dak is laag. Op handen en voeten zit ik met mijn rug al tegen het plafond, waar natuurlijk nog wel plaats was voor twee premium-luidsprekers plus panoramaschuifdak. Behalve in het zitcompartiment, dat voor en achter ruim is, werd het nut met modieuze glans door luxe en design verslagen. Voor ruimte mag de Volvorijder à raison van minstens 76.000 euro naar een XC90 uitwijken. Die Gooise SUV slikt alles, maar was de Grote Stationcar niet altijd Volvo’s handelsmerk? Einde oefening. Te gewoontjes.

Categorieën
Columns & Opinie

Uw kind kan stikken – Rosanne Hertzberger

Wij kochten een opblaasbaar zwembadje voor onze oudste. Het is een wonder dat hij dat overleefd heeft. Op het blauwe plastic stond de waarschuwing voor zijn verdrinkingsdood in 27 talen. ‘Zonder toezicht is het leven van uw kind in gevaar’. Verderop: ‘Children have drowned in portable swimming pools’. Zo praten fabrikanten tegen ouders. ‘Let een beetje op’ is niet genoeg. Zoals er plaatjes van verkankerde longen op sigarettenpakjes prijken worden zwembadjes beplakt met de overlijdensberichten van verdronken kinderen. Er stonden trouwens nog meer waarschuwingen op ons zwembad: kinderen konden kleine onderdelen inslikken. En oudere kinderen kunnen zomaar besluiten om in het 20 centimeter diepe water te duiken en daarbij verlamd raken. ‘Inflate your fun’ is de slogan van het product.

Het went nooit echt, dat levensgevaar waarin onze kinderen zich telkens bevinden. Vooral de kleinste balanceert permanent op het randje van de dood. Voor moeders die daar niet 24 uur per dag bij stil staan zijn er gelukkig genoeg waarschuwingen om haar eraan te helpen herinneren. Uw kind kan stikken in de draagzak. Doodvallen uit zijn stoel. Gewurgd worden door de riempjes. Hij kan verpakkingen over zijn hoofd trekken. En alles wat kleiner is dan een tennisbal kan hij inslikken. Als u uw kind een nachtje per ongeluk te warm hebt aangekleed, is dat niet gewoon een beetje onprettig voor hem. Warmtestuwing is een oorzaak van wiegendood. Houd uw kind geen seconde in de zon. Niet omdat een rood randje pijn doet. Nee, zon leidt tot huidkanker, en van huidkanker ga je dood.

Kook je flesjes. Kook je speentjes. Kook je kolfonderdelen. Driemaal daags en nog een keer, voor de zekerheid. Verwarm je flesje, maar pas op voor hete plekken, want je kind verbrandt zijn tong. Volg een kinder-EHBO-cursus voor het geval hij dreigt te stikken bij het drinken. En giet de moedermelk door de gootsteen, na een uur, want die wordt niet zomaar een beetje zuur. Binnen de kortste keren zwermen er enge bacteriën in rond. Borstvoeding is levensgevaarlijk. Flesvoeding is nog erger.

En als het donker wordt, zoekt de dood naar kieren en ramen om uw huis binnen te sluipen. De belangrijkste risicofactoren zijn bekend: buikslapen, roken, dekbedjes. Maar er is altijd meer wat je kan doen. Een veilige kinderkamer lijkt op een isoleercel. Geen speeltjes, geen knuffeltjes. En houd de baby te allen tijde in de buurt. Wist u dat er wel eens een kindje in een hemeltje is gestikt? Slapen is het veiligst met permanente bewaking van een oplettende ouder. Zelfs de producent van het reiswiegje verzekerde me dat mijn kind zonder toezicht gevaar loopt. (Ik beken eerlijk dat ik misschien per ongeluk toch een keer mijn ogen heb durven sluiten.) Maar té dichtbij is ook niet zonder risico. Wie na een nachtvoeding in slaap valt naast het kind, brengt hem in groot gevaar. Houd jezelf dus wakker, desnoods met pijnprikkels. Flitslichten. Harde muziek. Of voed alleen in kaarsrechte positie op een hard bankje. Het zijn heus niet alleen olifanten die hun kind per ongeluk dooddrukken.

Het ergste is dat al die veiligheid effectief is. Waarschuwingen hebben alleen maar winnaars. Elk jaar sterven minder baby’s dankzij de permanente noodtoestand die in huishoudens met jonge kinderen heerst. Nederland had in 1985 191 gevallen van wiegendood, in 1995 nog maar 48. En in 2015 maar 7. We hebben het spelletje bijna uitgespeeld. En die veiligheid is ogenschijnlijk gratis. De effecten van de angst zijn nauwelijks in cijfers te vangen. En zoja, wie geeft er dan om een paar honderdduizenden gevallen van nachtzweten, of vermoeidheid, of dat piepkleine beetje verlies van onschuldig speelplezier als je daarmee jaarlijks één kinderleven kan redden. Of een halve. Of een tiende.

Herhaal dus duizendmaal: mijn kind kan stikken. Mijn kind kan vallen. Mijn kind kan op zijn buik draaien en dan alsnog sterven. Slaap is levensgevaarlijk. Maar vergeet het vooral niet veel te doen. Want niet slapen is erger. Oververmoeide moeders maken fouten, en fouten leiden tot de dood. Na korte nachten vol koortsdromen over dode baby’s, kunt u gefrustreerd raken. Leg uw schreeuwende kind dan in zijn bed en probeer ergens anders tot rust te komen. Dit alles in verband met de veiligheid. Het zou niet de eerste keer zijn dat een wanhopige moeder haar kind door elkaar schudt, met de dood tot gevolg. Voelt u zich trouwens wel eens overbezorgd? Angstig? Ook dat is levensgevaarlijk. Het zou een depressie kunnen zijn en we weten allemaal wat depressieve moeders wel eens doen.

Categorieën
Columns & Opinie

Het is hoog tijd om ons recht op stilte terug te eisen – Sander van Walsum

Sommige dingen meen je zeker te weten. Dat we elkaar blootstellen aan steeds meer lawaai bijvoorbeeld. Zeker als het land in zomerse genoegens wordt gedompeld. Motorrijders trekken er in kuddeverband op uit met helse machines die veel harder knetteren dan nodig is. Stadse buitenmensen installeren hun kookeilanden, loungehoeken en geluidsapparatuur in de tuin of op het dakterras zodra de thermometer de 15 graden Celsius overschrijdt. Een uitdijende schare hobbyisten verricht met boor- en schuurmachines achterstallig onderhoud aan huis en tuin. De kinderen van mijn overburen schreeuwen veel harder dan ik mij van vorig jaar herinner. Hun schelle stemmen dringen, als er weer een twist ontstaat bij de trampoline, via geopende balkondeuren tot alle omwonenden door. En hun ouders denken dat dit er nu eenmaal bij hoort, bij kinderen hebben.

Het circuit van Zandvoort is bij aanlandige wind op grote afstand hoorbaar. Prins Bernhard, aan wiens naam sinds kort niet meer ‘junior’ wordt toegevoegd, wil daar ook nog eens formule 1-races laten verrijden. Als inwoner van Haarlem moet ik daar niet aan denken: nu al wordt de lucht boven het Kennemer land enkele weekenden per jaar verscheurd door de herrie waaraan autoliefhebbers zich tegen betaling blootstellen. En dan zijn er nog de achthonderd muziekfestivals die elk jaar in Nederland worden gehouden. De bladblazers. De toeristen met hun rolkoffers. De doffe dreun die opklinkt vanuit passerende auto’s. Uitgaand publiek dat passanten schreeuwend deelgenoot maakt van het eigen vertier. En sinds zeer kort is daar nog een nieuwe bron van lawaai aan toegevoegd, horend bij een nieuwe liefhebberij: het gezoem – het akoestisch equivalent van enkele forse muggen in je oorschelp – van drones die in parken, op het strand en op open plekken in het bos worden opgelaten. Soms vliegt zo’n drone gezellig een stukje met de passerende wandelaar mee.

Consumeren

Waar mensen zijn, is lawaai. En het aantal inwoners van Nederland is sinds 1938 verdubbeld – tot ruim 17 miljoen. Al die mensen zijn enthousiast aan het consumeren geslagen. Veel van hun consumptieartikelen produceren lawaai. Zinloos lawaai. Geen lawaai dat de industriële samenleving nu eenmaal vergezelt – het geluid van de bouwnijverheid, van vrachtwagens en sneltreinen – maar lawaai dat uitdrukking geeft aan een bepaalde leefwijze, die vaak voor levenskúnst wordt gehouden.

Het zijn relatief nieuwe geluiden. En ze horen bij een samenleving die de sociale controle min of meer heeft afgeschaft. Veroorzakers van akoestische vervuiling worden dus zelden op hun gedrag aangesproken (wat in het geval van motorrijders ook praktisch ondoenlijk is). En wie hinder ondervindt van akoestische vervuiling, huivert vaak om daar uiting aan te geven. Wie zich bij een buurtgenoot beklaagt over een middernachtelijk tuinfeest, voelt zich toch een beetje een lul. Een fatsoensrakker – zoals in de jaren zestig een categorie burgers werd omschreven waar niemand bij wilde horen. Iemand die anderen hun feestje wil ontzeggen. Ikzelf heb het enkele maanden geleden toch een keer geprobeerd, nadat een feest bij een van de achterburen zich van binnen naar buiten had verplaatst. Mijn interventie, in ochtendjas, resulteerde in een vruchteloze discussie over de vraag of in het weekend andere geluidsnormen golden dan door de week, en of 1 uur ’s nachts een geschikt tijdstip was voor een onaangekondigd tuinfeest. Zij vonden van wel. Ik vond van niet.

Wat zinloos lawaai voor de een is, is plezier en vrijheid voor de ander. De akoestische ruimte is openbare ruimte waarin belangen en opvattingen vaak botsen. Over het gebruik van die ruimte zijn ook moeilijk afspraken te maken omdat lawaai tot op zekere hoogte een subjectieve grootheid is. De een ervaart het gebeier van kerkklokken op de vroege zondagochtend als akoestisch onderdeel van een dorp of provinciestad. Voor anderen is het een onwelkome en ongevraagde resonantie uit de tijd waarin de kerk het nog voor het zeggen had.

Toch is het niet gezegd dat het lawaai dat in Nederland wordt geproduceerd in dezelfde mate is gegroeid als de bevolking. Een paar jaren geleden was in Amsterdam een tentoonstelling ingericht over het geluid van de grote stad – vroeger en nu. Onderdeel van die tentoonstelling was een simulatie van het lawaai dat in 1935 hoorbaar moet zijn geweest. Wat bleek: destijds was veel meer sprake van harde, naast elkaar staande geluiden: piepende trams, toeterende auto’s met ontploffingsmotors en rammelende carrosserieën, schreeuwende marktkooplieden, het geluid van werkplaatsen die toen nog in de stad waren gevestigd. Het geluid van toen was volgens Karin Bijsterveld, hoogleraar Wetenschap, Technologie en Moderne Cultuur aan de Universiteit Maastricht, chaotischer, nerveuzer en – mogelijk – meer belastend dan de permanente ruis van de hedendaagse stad.

Het karakter van sommige geluiden is bovendien veranderd. Neem de auto. Het aantal auto’s op de Nederlandse wegen was in 1935 weliswaar veel kleiner dan nu, maar ze produceerden destijds wel meer lawaai. De ontploffingsmotor deed zijn naam nog eer aan. Zijn lawaai was onderdeel van het statussymbool dat de auto was, toen nog meer dan nu. En het toeteren werd lange tijd door de overheid aangemoedigd. Omwille van de verkeersveiligheid. Aan die herrie viel destijds wel makkelijker te ontkomen dan aan het alomtegenwoordige geruis van nu. Vroeger trad buiten de bebouwde kom de stilte in. Nu moet de Randstedeling daarvoor de koffers pakken. En dan nog is het de vraag of hij in Vierhouten of de Achterhoek niet op een rally van oldtimers wordt getrakteerd.

De geluiden van de nieuwe tijd bleven overigens niet onweersproken. Zo werden in het holst van de jaren dertig, de economische crisis en het opkomend fascisme ten spijt, stilteacties gehouden tegen noviteiten als de autoradio. De antilawaai-activisten – beschavingsmissionarissen, in hun eigen ogen – zagen hun inzet vaak met succes beloond. Het genot van de autoradio, en later van de transistorradio en de gettoblaster, werd vergaand ‘geprivatiseerd’. De ‘hamerende beroepen’ – smederijen, blikslagerijen en slotenmakers – verdwenen uit de binnensteden, voor zover ze al niet door de tijd waren ingehaald. En zo zal ook de rolkoffer zoals wij die kennen uit de toeristencentra worden geweerd en zal het geluidsniveau van muziekfestivals worden begrensd. In verschillende Amerikaanse staten is de bladblazer al in de ban gedaan. Ooit behoorde het recht om in een stille straat te wonen tot de arbeidsvoorwaarden van hoogleraren. Nu komt het iedereen toe.

Recht op vertier

Maar in een overvol land als het onze staat het recht op stilte van de een al snel op gespannen voet met het veronderstelde recht op vertier van de ander. In 1967, toen het ‘nieuwe Schiphol’ in gebruik werd genomen, deden ruim drie miljoen vertrekkende, aankomende en overstappende passagiers de nationale luchthaven aan. Nu komen er elk jaar ongeveer zoveel passagiers bij, tot ruim 63 miljoen in 2016 – 21 maal meer dan in 1967 en tweemaal meer dan in 1997. Maar nog steeds wordt het recht op grenzeloze mobiliteit – een gekoesterde verworvenheid – niet ter discussie gesteld. We willen anderen hun feestje niet ontzeggen. We willen onszelf ons feestje niet ontzeggen. We willen de vrijheid van de consument niet beknotten. Dus volstaan we met de bestrijding van de groeisymptomen. De vliegtuigen worden stiller. Luchthaven Lelystad voldoet toch aan de geluidsnormen. Airbnb wordt aan banden gelegd. En de rolkoffers krijgen zacht rubberen wieltjes. Maar het recht van de toerist om voor een paar tientjes naar Barcelona te vliegen, blijft onaangetast. Met alle gevolgen van dien voor steeds meer omwonenden van Schiphol en – straks – van Lelystad.

Lawaai is tenslotte het bijproduct van vrijheid. En vrijheid, daar kom je niet aan. Wie in vrijheid wil leven, moet enig lawaai verdragen. Mensen die een dictatuur hebben meegemaakt, herinneren zich onder andere de stilte. De stilte van de avondklok, van het gereglementeerde openbare leven, en van de angst om de aandacht op zichzelf te vestigen. Stilte roept al gauw een gevoel van beklemming op. De bevrijding van de opgelegde stilte gaat gepaard met vreugdevuren en lawaai. Lawaai vergezelt de ontketening.

Er wordt dus veel lawaai gemaakt in Nederland. De indringendste bron van herrie is die van de motorrijders die deze dagen collectief de nieuwe zomer vieren. De luidste motoren zijn zo aanstootgevend omdat het lawaai essentieel is voor het particuliere genoegen van de berijder. Die eist eenzijdig een grote hap van de openbare ruimte voor zichzelf op. Elke zonnige dag opnieuw. En niemand die zijn recht om lawaai te maken ter discussie stelt. De wetgever niet, mogelijk uit beduchtheid voor de electorale consequenties. De politie niet, omdat die wel wat beters heeft te doen. En de medeburger niet, omdat die zichzelf in lijdzaamheid heeft geoefend. Zinloos lawaai? Het hoort er nu eenmaal bij.

Liever sluit hij zich op in zijn eigen akoestische cocon. Met koptelefoons en, meer recent, individuele geluidszones kunnen meerdere mensen in één ruimte gelijktijdig naar hun eigen muziek luisteren. Lawaai of stilte als individuele opties; mensen die hun eigen weg gaan – de een in een wolk van volmaakte stilte, de ander in een wolk van, al dan niet te luide, muziek. Om de een of andere reden klinkt het niet erg aantrekkelijk. De openbare akoestische ruimte verwordt tot een niemandsland waarvoor niemand zich nog verantwoordelijk voelt.

Het lawaai moet niet worden gemaskeerd of ingekapseld, het moet zo veel mogelijk worden uitgebannen. Door het aantal luchtreizen per burger te rantsoeneren. Door lawaaiige voertuigen van de wegen te weren. En door de sociale controle over de openbare ruimte te herstellen. Spreek de buren toch maar aan over die eeuwig blaffende hond of over een onaangekondigd tuinfeest – op het gevaar af voor fatsoensrakker te worden gehouden. Zo kom je nog eens in gesprek met mensen die je anders alleen maar zou horen.

Categorieën
Columns & Opinie

Kinderverjaardag – Marcel van Roosmalen

De jongste dochter werd 1, ze had nu al meer vrienden dan ik. Veel meer vrienden dan we verwacht hadden ook. Wij kwamen nooit op kinderverjaardagen en hadden er een beetje op gerekend dat we met gelijke munt terug zouden worden betaald, maar dat was niet zo. Er kwamen zelfs mensen uit het dorp, de door ons zelf gebakken appeltaart viel van schrik uit elkaar. Op de grond krioelden vijf of zes kinderen over en door de jarige heen.

Ik probeerde wanhopig te communiceren met de volwassenen, wat niet ging omdat ze allemaal wel een kind hadden waar ze op moesten focussen. Alleen met mijn moeder had ik contact. Ze had de jarige een pratend paasei gegeven dat je kon verstoppen en dat dan uit zichzelf ‘ik ben verstopt hoor’ zou roepen, maar het cadeau zweeg nadat ze het had verstopt en dat lag niet aan haar gehoorapparaat.

Ik werd aangeroepen, de oudste werd in mijn richting geduwd. „Ruik jij effe of ze een volle luier heeft.”

Dat aan elkaars gat ruiken in gezelschap vind ik nog steeds moeilijk, maar om me heen keken ze er niet van op dat ik haar tot boven mijn gezicht tilde en nadrukkelijk snoof.

„En?” Ik: „Ja, ik denk wel dat er iets in zit.”

Met een tegenstribbelend kind naar boven, achtervolgd door twee kinderen waarvan ik de namen niet wist en waarvan ik hoopte dat ze niet achterwaarts de trap af zouden vallen. Op het verschoningskussen bleek dat er niet gepoept was.

Groot onrecht, dikke tranen.

Weer beneden genoot ik van de oudste die al de cadeaus uit de handen van haar zusje griste. Ik zag onder andere een plastic piano waaruit dierengeluiden kwamen, een auto met zwaailicht en geluidendoos voorbijkomen, daar gingen we nog veel plezier aan beleven.

Daarna het gevecht om aandacht.

Nadat de eerste gewonde was gevallen – hoofdje tegen een tafelrand – viel de oudste om de zoveel tijd om, waarna ze getroost moest worden. Ik was goed in troosten.

Zo goed, dat ze allemaal door mij getroost moesten worden, want ze begonnen allemaal om te vallen. Het grapje dat ik alleen mijn eigen kinderen troostte werd niet door iedereen begrepen.

Ik roerde door de koffie.

Ik leerde: als je even niets weet te zeggen doet de opmerking dat je nog steeds gestopt met roken het altijd goed.

Moe, maar tevreden in bed, dachten we kort dat er indringers in huis waren. Ik werd erop uitgestuurd. Op de gang lag een plastic paasei dat de hele dag had gezwegen maar nu niet meer kon stoppen met zeggen dat het gevonden wilde worden.