Categorieën
Columns & Opinie

Hoe een broodtrommel van Blue Band tot een bureaucratisch gevecht leidt over privacy – Stijn Bronzwaer

Het is een opvallend blauw, rechthoekig pakje. Op de bovenkant, gedrukt in grote letters, staat het logo van margarinemerk Blue Band. Vlak daarnaast: mijn naam en mijn adres.

Ik scheur het pakket open. Een blauwe boterhammentrommel. Met een brief.

Gefeliciteerd met de vierde verjaardag van je kindje! Nu gaat hij/zij voor het eerst naar de grote school. Blue Band heeft voor deze gebeurtenis een cadeau. Een eigen boterhammentrommeltje.

Mijn eerst reactie: vragen.

Hoe komen ze aan mijn naam?

Hoe komen ze aan mijn adres?

Hoe weten ze dat mijn zoon jarig is?

Hoe weten ze überhaupt dat mijn zoon bestaat?

Voor de geboorte van onze zoon namen mijn vrouw en ik ons iets voor. We wilden proberen zo min mogelijk sporen van hem achter te laten op internet. Om, zo was het idee, te voorkomen dat persoonlijke gegevens van hem in databases van bedrijven terecht zouden komen. Informatie die hem, misschien, later in zijn leven zou kunnen achtervolgen. De reden waarom ik hem in dit artikel ook niet bij naam noem.

Op foto’s op de site van het kinderdagverblijf stond één kind met een knalgele smiley voor zijn gezicht – mijn zoon werd op verzoek geanonimiseerd. Facebookberichten met vragen om babyfoto’s bleven onbeantwoord. Onbegrip bij sommige familieleden, nadat wij hun hadden gemaild of ze ons liever niet op sociale media wilden feliciteren met onze baby.

Dat lukte – al die jaren – vrij goed. Dachten we.

Tot het pakket van Blue Band. De start van, zo zal achteraf blijken, een frustrerend bureaucratisch gevecht om onze gegevens uit databases van allerlei bedrijven door heel Nederland gewist te krijgen.

November 2019

De eerste hint naar een antwoord op mijn vragen staat in kleine letters onderaan de brief die ik van Blue Band ontvang. „Wij hebben uw adres verkregen, omdat u staat ingeschreven bij de blije doos of De Zwangerbox.”

Inderdaad: alle voorzorgsmaatregelen ten spijt hebben we ons tijdens de zwangerschap ingeschreven voor de blije doos – een gesponsord pakket gratis spullen en informatiefolders voor zwangere vrouwen. Een doos ter waarde van een bedrag tussen de 25 en 40 euro. Met onder meer een pakket Pampers, maat 1. Een Avent-speen. Twee blikjes Bavaria 0,0. Inoli-babybadolie. Een nijntje rammelaar.

De blije doos wordt uitgegeven door WIJ Special Media (WSM), een organisatie die zichzelf omschrijft als een ‘datageoriënteerd mediabedrijf’. WSM heeft naar eigen zeggen data van 1 miljoen Nederlandse ouders met kinderen tot 12 jaar in bezit. Denk aan naam, adres, telefoonnummer, IP-adres, de uitgerekende datum, de geboortedatum en de naam van het kind. Elk jaar verstuurt het bedrijf 144.000 uitnodigingen waarmee consumenten de blije doos op kunnen halen bij Prénatal. Volgens WSM meldt 80 procent van de zwangere vrouwen zich voor zo’n doos aan.

Een gratis pakket spullen dus, in ruil voor je persoonlijke data. Gegevens die WSM vervolgens gebruikt „voor het doen van aanbiedingen door zorgvuldig geselecteerde partners [..] via e-mail, post of telefoon”, schrijft het bedrijf in het privacystatement op de site. „Ook kunnen de persoonsgegevens worden gebruikt om data van andere organisaties te verrijken.”

Ofwel: de persoonsdata van degenen die zich inschrijven (98 procent vrouwen met een gemiddelde leeftijd van 29 jaar), worden gedeeld met bedrijven waaronder Prénatal, Nutricia, Rabobank, ING en Procter & Gamble. Inclusief de eerste gegevens van het – dan nog – ongeboren kind, mits klanten hiervoor toestemming geven. Op basis daarvan schotelen die bedrijven de vrouwen onder meer gepersonaliseerde YouTube- of Instagram-advertenties voor of sturen boterhammentrommels toe.

Voor mijn zoon geboren werd, voor hij überhaupt bestond, stond hij al genoteerd in de database van WIJ Special Media met de datum waarop hij waarschijnlijk ter wereld zou komen. Data die, zo meldt WSM-directeur Marcel Bakker desgevraagd, bewaard worden „tot het jongste kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt”.

Dat kan dus zo twintig tot vijfentwintig jaar duren, bevestigt Bakker. „We richten ons op een doelgroep die in een nieuwe levensfase komt en een enorme honger heeft naar informatie. Dat is waar je op inspeelt.” Over wat er precies met die data gebeurt is WSM heel open, zegt Bakker. „En we zijn altijd heel duidelijk over hoe je je ook weer kunt uitschrijven.”

Zwangerschapsboxen blijken een data-goudmijn. „De echte prijs voor zo’n vrolijke cadeaudoos zijn je persoonsgegevens”, constateerde De Consumentenbond al in 2016. „Met een paar muisklikken geef je bijzonder waardevolle informatie over jou én je kind weg. Wat er daarna met die gegevens gebeurt is niet altijd helemaal duidelijk.”

Dat was 2016. Inmiddels is er de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), die deze week precies twee jaar bestaat. Deze wet geeft burgers de mogelijkheid hun data in te zien – en vervolgens precies vast te stellen wat een organisatie met die data heeft gedaan. Bedrijven of overheidsorganisaties zijn wettelijk verplicht aan verzoeken tot inzage of verwijdering te voldoen.

Drie dagen nadat ik de boterhammentrommel heb ontvangen, doen mijn vrouw en ik een verzoek tot data-inzage bij WIJ Special Media.

Enkele dagen later ontvang ik een keurige e-mail, waarmee direct helder wordt wat WSM precies weet. De naam, geboortedatum, mailadres en het 06-nummer van mijn vrouw. Ons adres, de uitgerekende datum, de naam van mijn kind, het geslacht van mijn kind en zijn geboortedatum.

Geslacht, naam en geboortedatum zijn na zijn geboorte toegevoegd. Dat hebben we zelf gedaan – onder meer om een gratis blauw geboortemutsje met zijn naam erop te kunnen ontvangen.

En, zo staat in de e-mail: „Uw gegevens hebben wij in 2015 gedeeld met Procter & Gamble, Partou, Smallsteps en Rabobank.”

Januari 2020

Tijd voor de volgende stap: een bericht naar alle bedrijven waarmee WIJ Special Media mijn data heeft gedeeld. En ook naar Upfield, eigenaar van Blue Band en klant van WSM.

Elk bedrijf dat persoonsgegevens verzamelt, is verplicht een privacystatement op zijn site bij te houden. Veel organisaties hebben na het invoeren van de AVG een privacy officer aangesteld: iemand in de organisatie die verantwoordelijk is voor zaken die gegevensbescherming aangaan. Dataverzoeken als de mijne gaan doorgaans via een e-mail naar de privacy officer, of door invullen van een online formulier.

Ik vul een digitaal formulier in bij Procter & Gamble en Rabobank. En stuur een e-mail naar Upfield, Partou en Smallsteps (beide kinderopvangorganisaties) met het verzoek mijn gegevens in te zien. Organisaties zijn wettelijk verplicht om binnen een maand te reageren op dergelijke verzoeken.

De eerste problemen doemen al snel op: de bedrijven aan wie ik een verzoek heb gestuurd reageren niet, of sturen een e-mail met een verzoek tot identificatie. Ze willen tenslotte zeker zijn dat ze de juiste persoon voor zich hebben. Dat gaat, opnieuw, per bedrijf verschillend.

Procter & Gamble stuurt een brief per post toe met daarin een formulier waarin ik, met tegenzin, opnieuw – en nog meer – persoonsgegevens invul.

Partou mailt terug „ondanks zorgvuldig onderzoek” geen persoonsgegevens aangetroffen te hebben in zijn database. „Om die reden kunnen wij nu niet aan uw verzoek voldoen.” Ik stuur een bezwaar. Na nader onderzoek blijkt Partou mijn persoonsgegevens wel te hebben gehad, maar „niet meer in bezit te hebben”.

Partou stuurt ook meer details over wat het precies doet met de gegevens. De kinderopvangorganisatie blijkt WIJ Special Media te betalen „voor adressen die we (eenmalig) mochten benaderen met een DM (direct marketing) kaart […]. In sommige gevallen hebben we apart betaald aan WIJ Special Media voor adressen om te mogen nabellen.” Na de DM-actie worden gegevens verwijderd, meldt Partou, dat zegt mijn data verder niet met derden te hebben gedeeld. Daarmee is voor mij de kous af.

Bij Rabobank gaat het net weer even anders. De bank stuurt een kopie van mijn persoonsgegevens toe via een beveiligde verzenddienst. Om toegang te krijgen tot de documenten is een sms-code nodig, die achterwege blijft. Rabobank vraagt daarna om mijn woonadres, zodat zij documenten kunnen toesturen – wat ik deze keer toch maar weiger, om zo niet nog meer gegevens toe te hoeven sturen.

Kinderopvangorganisatie Smallsteps kiest weer voor een andere benadering, blijkt als ik op 17 januari een mail van hen ontvang.

In het kader van een zorgvuldige afhandeling van uw verzoek, moeten wij allereerst uw identiteit vaststellen. Hiervoor ontvangen wij u graag op één van onze locaties. U bent voor deze legitimatie van harte welkom op het Smallsteps servicekantoor in Hengelo.

Ik besluit – vanwege corona – niet langs te gaan. Identificatie via post of videobellen blijkt onmogelijk. Het moet fysiek, laat een medewerker van Smallsteps weten aan mijn vrouw: „Dan zien we u graag op een later moment in Hengelo.”

Van Upfield, het bedrijf achter het Blue Band-trommeltje, horen we niets.

Februari 2020

Wat ik al snel leer, door de correspondentie met al deze bedrijven: ze zijn dergelijke verzoeken niet gewend.

Mails worden doorgestuurd naar verschillende afdelingen, er ‘moet even overlegd worden met een collega’. Brieven ‘komen niet aan’, privacyvoorwaarden zijn plots een tijd offline.

Hoeveel Nederlanders jaarlijks een verzoek tot data-inzage doen is onduidelijk. Een indicatie is er wel: ruim tienduizend Nederlanders vulden vorig jaar op de site van privacyorganisatie Bits of Freedom een standaardformulier in, waarmee bedrijven kunnen worden aangeschreven met een dataverzoek. De meeste verzoeken gaan naar grote bedrijven als ING, Albert Heijn of Google. Niet gek dus dat een kinderopvangorganisatie geen raad weet met mijn vragen.

WIJ Special Media krijgt „niet meer dan twintig verzoeken per jaar” binnen, meldt directeur Marcel Bakker. „We verwijderen jaarlijks circa tienduizend accounts uit ons systeem”, zegt hij. „Voor een deel op verzoek van een consument, en voor een deel omdat gegevens niet (meer) juist zijn.”

Intussen boek ik ook een succesje: Rabobank stuurt na wat mails over en weer de documenten op – zonder dat ik extra informatie hoef prijs te geven. De bank gebruikt de informatie uit de blije doos om „te checken of we deze klant aan onze kant herkennen”, laat een medewerker weten. „Zo ja, dan is het mogelijk dat de klant een aanbieding van onze kant krijgt, bijvoorbeeld om een rekening voor de pasgeborene te openen.”

Rabobank belooft binnen twee weken alle persoonsgegevens uit haar database te verwijderen. Dat heeft in totaal vier weken gekost.

Diezelfde week krijg ik ook een brief van Procter & Gamble, waarin het bedrijf belooft mijn via WIJ Special Media verkregen data binnen dertig dagen te verwijderen. Ook dat kostte vier weken: één online formulier, twee papieren formulieren en een handvol e-mails.

Maart 2020

Alleen Blue Band nog, maar eigenaar Upfield weigert nog altijd op e-mails te reageren. Ik besluit na twee reminders te dreigen met een stap naar de Autoriteit Persoonsgegevens, aangezien Upfield door niet aan mijn verzoek te voldoen de wet overtreedt.

Ik krijg direct antwoord.

Many thanks for your email. We are reviewing your request and shall respond shortly. Apologises for the delay.

Mijn e-mails bleken niet ontvangen, vanwege „Upfield-e-mailsystemen en een interne migratie tussen hostingplatforms”, zo mailt het bedrijf later.

Als later, op 6 maart, een overzicht van mijn persoonsgegevens volgt, komt het antwoord. „We begrijpen dat u uw toestemming heeft gegeven aan Upfield om uw persoonsgegevens te verwerken met als specifiek doel het deelnemen aan een promotie. Als onderdeel van de promotie stuurde Upfield u een broodtrommel”, schrijft het bedrijf. „Graag attenderen wij u erop dat u Upfield kunt vragen om al uw persoonlijke gegevens te verwijderen.”

Ik stuur de laatste e-mail, vier maanden nadat ik de boterhammentrommel ontving. Nog één keer 100 kilometer op en neer naar Hengelo – en dan ben ik klaar.

Categorieën
Columns & Opinie Werk

Lang leve het kantoor – Wouter van Noort

Vertel het maar niet door aan mijn collega’s, maar eigenlijk mis ik het kantoor voor geen cent. De dagelijkse trip ernaartoe lijkt na twee maanden thuiswerken een langvervlogen dwangneurose. En als ik einde middag zó de zon in rol, wordt de heimwee er niet bepaald groter op. We zouden wel gek zijn als we weer teruggaan naar oude werkroutines straks. Er zijn echt betere manieren om een derde van je doordeweekse leven door te brengen.

Toch lijken me de doodverklaringen van het kantoor nogal onwenselijk. Twitter kondigde laatst aan dat de meeste medewerkers ook na de crisis permanent thuis mogen werken. De oprichter denkt dat sommige medewerkers nooit meer op kantoor hoeven komen. Mark Zuckerberg verwacht dat de helft van alle Facebook-medewerkers uiteindelijk op afstand kan blijven werken. Het kan hun grootste disruptieve innovatie aller tijden zijn, als anderen hun voorbeeld volgen.

Maar de laatste jaren hebben we wel geleerd om plannen van deze bedrijven die als visionair worden verkocht met een korreltje zout te nemen. Dat lijkt ook nu een goed idee.

Het kantoor blijkt, zeker in crisistijd, de grote gelijkmaker. En Zoom de grote ongelijkmaker. Bij zo’n videovergadering zit de ene collega in een zonnig buitenhuis aan de Kaag, en de ander driehoog tussen de etensresten. Op kantoor zit iedereen onder hetzelfde middelmatige systeemplafond, heerlijk. In het thuiskantoor wordt iedereen een atomaire zzp’er. Of dat goed is voor het inlevingsvermogen tussen baas en werknemer is zeer de vraag. De eerste massaontslagrondes per Zoom zijn al geweest in de VS.

We weten uit de wetenschappelijke literatuur over wat mensen ten diepste motiveert dat voldoening in je werk draait om drie begrippen: autonomy, mastery, purpose – zelf kunnen beslissen over je dagindeling, ergens beter in worden, en het nastreven van een hoger doel. Autonomie ontbrak pre-corona waarschijnlijk te veel, daarvoor is het thuiskantoor een zegen. Maar om te leren van collega’s, voor het voelen van een gedeeld doel met een groep gelijkgestemden is Zoom geen waardige vervanging van de fysieke werkplek.

Het kantoor moet worden heruitgevonden, niet afgeschaft. Medewerkers moeten zich er onderdeel voelen van een groep, het moet een plek zijn voor ideeënuitwisseling, teambuilding, samenwerken én focus. Het moet groener, frisser, de koffie en het eten beter. Het mag misschien ook kleiner zijn omdat thuiswerken voor bepaalde taken zeker beter is. Her en der werd ook voor corona al flink geëxperimenteerd, ook bij Big Tech, dus de omslag moet niet al te moeilijk zijn.

De toekomst van werk is ineens hier. Het compulsieve forenzen mag in 2020 achterblijven. De flexplek waar alles in alles overloopt, tot een grijze, stressvolle en eenzame brij is dood en blijft hopelijk dood. Maar lang leve het kantoor.

Categorieën
Columns & Opinie Mensen

Ruisloos leven, zoals nu, is bij vlagen heerlijk – Wouter van Noort

Hoe langer een geluid duurt, hoe minder je het hoort. Het maakt niet uit hoe irritant het is. Een luidruchtige vliegtuigmotor, een stofzuigende huisgenoot, een buurman met een klopboor: al snel wordt het ruis waar je mee leert leven.

Maar als het rumoer stopt, merk je pas dat je er toch last van had. Als de buurman na een uur ophoudt met boren hoor je ineens de stilte, merk je dat je eigenlijk al de hele tijd met opgetrokken schouders zat, zucht je soms zelfs even van opluchting.

Zo voel ik me de laatste weken. De ruis is door de lockdown in één klap uit het leven verdwenen. Af en toe betrap ik mezelf op een rare gedachte: ik vind het bij vlagen heerlijk.

Geen misverstand: corona is een ramp. Ik heb zelf ook kokhalzend van de zorgen mijn Twitter-nieuwsfeed gelezen , en ik realiseer me heel goed dat ik geen kapper, kroegbaas of IC-patiënt ben. Natuurlijk is het een privilege om even lekker over deze situatie te filosoferen, terwijl duizenden anderen hun baan verliezen of zelfs vechten voor hun leven.

Maar des te belangrijker om juist nu de lichtpuntjes te blijven zien. Want wat als quarantaine ons óók kan leren dat geluk anders werkt dan we massaal dachten? Dat er andere wegen naar een fijn leven bestaan dan de uitgesleten olifantenpaadjes waar we met zijn allen tegelijk overheen probeerden te lopen.

Geluksonderzoekers maken onderscheid tussen twee soorten levensgeluk. De eerste is geluk in het leven: dat is het geluk dat je krijgt van zoveel mogelijk leuke activiteiten, fijne emoties, mooie gebeurtenissen, en van zo min mogelijk negatieve emoties en gebeurtenissen. Geluk in het leven is een optelsom waarbij je de slechte dingen aftrekt van de leuke dingen.

De tweede soort geluk is het geluk met je leven. Dat is hoe tevreden en vervuld je bent met het leven dat je leidt. Dat geluk komt van een dieper besef dat je leven zinvol en goed is. Dat geluk is veel moeilijker te kwantificeren.

Die twee soorten geluk hoeven niet per se samen te gaan: ouders van jonge kinderen kunnen bijvoorbeeld tegelijkertijd ongelukkig zijn ín hun leven vol slaapgebrek, maar zo zielsgelukkig mét hun leven dat ze nooit meer willen ruilen.

Geluk in je leven is een stuk moeilijker geworden in quarantaine. Geen bewegingsvrijheid, familiebezoeken, vrienden, terrassen, festivals, voetbalwedstrijden: dat is allemaal niet bepaald gunstig voor de optelsom. Maar voor de tevredenheid met je leven kan de quarantaine juist goed uitpakken.

Eén belangrijke reden: de quarantaine leert je te willen wat je hebt in plaats van te hebben wat je wilt. De maatregelen maken zo een einde aan een effect waarvan filosofen en geluksonderzoekers al eeuwen weten dat het mensen minder gelukkig maakt met hun leven: het Diderot-effect.

De Franse filosoof Denis Diderot had in de 18de eeuw een behoorlijke naam opgebouwd als schrijver, maar leefde een bescheiden leventje. Hij beschrijft in het essay ‘Treurdicht op mijn oude kamerjas’ hoe dat drastisch veranderde toen hij een cadeau kreeg waar hij in eerste instantie blij mee was: een scharlaken kamerjas. Een sjiek ding dat eigenlijk niet paste bij zijn simpele garderobe en inrichting. Zodra hij de jas aantrok werd hij ontevreden over de spullen die hij al had. Hij verving zijn oude rieten stoel voor een exemplaar van Marokkaans leer, zijn gammele bureau werd vervangen door een dure schrijftafel, gipsen beeldjes die hij van een vriend had gekregen moesten wijken voor een marmeren beeld van Venus, enzovoort. In het essay beklaagt hij zich over dat effect: „Over mijn oude kamerjas was ik de absolute heerser, maar de nieuwe heeft mij tot slaaf gemaakt.”

We moeten het door de quarantaine weer even doen met onze oude kamerjas. In die zin is het ook de ultieme test of het minimalisme dat de laatste jaren zo populair is, meer is dan een passerend lifestyle-trendje. Heeft het echt geleid tot een betekenisvolle, andere houding ten opzichte van de zucht naar gaver, groter, geiler?
Lees ook: Zes tips om veerkrachtig te blijven in tijdens van onrust.

Hoe dat ook uitpakt, zeker is dat de Japanse opruimgoeroe Marie Kondo de geesten onbedoeld rijp heeft gemaakt voor deze quarantaine. We moeten nu massaal winkelen in onze eigen kast, shoppen in ons bestaande leven, terwijl we bewuster dan ooit de vraag stellen: Does it spark joy?

En het antwoord is misschien wel verrassend vaak ja over wat nu overblijft en nee over wat nu wegvalt. Meer tijd doorbrengen met gezin? Ja. Kopjes koffie met vage nieuwe LinkedIn-contacten? Mwa. Dagelijks heen en weer naar kantoor? Hell no. Misschien is het dan ook tijd om die activiteiten op z’n Marie Kondo’s plechtig te bedanken voor hun diensten en ze vervolgens rücksichtslos weg te gooien.

Natuurlijk voelt het de laatste tijd af en toe alsof er een heel jaar is geannuleerd. 2020 gaat hoe dan ook de geschiedenisboeken in als het jaar zonder feest en vakantie. Maar ook zonder feest en vakantie blijft er veel moois over. Kunstenaar David Hockney deelde op zijn Instagram onlangs prachtige platen van bloeiende narcissen en andere bloemen in zijn Normandische tuin. „Vergeet niet dat ze de lente niet kunnen annuleren”, schreef hij erbij. „De enige echte dingen in het leven zijn eten en liefde, in die volgorde.”

Of dat voor iedereen genoeg is, is zeer de vraag – en Hockney heeft als duurste levende kunstenaar makkelijk praten. Maar hoe dan ook: de hedonistische tredmolen waarin we steeds harder moesten rennen om dezelfde kick te krijgen is piepend tot stilstand gekomen.

Niemand zou vrijwillig in quarantaine gaan. En vrijwel iedereen hoopt dat hij snel is afgelopen. We hebben even geen keuze en dat is bij vlagen onverteerbaar. Maar het fijne van keuzes moet ook weer niet worden overdreven.

Een overdaad aan keuzes leidt juist tot minder geluk, dat is de keuzeparadox waar de laatste jaren boeken over zijn volgeschreven. Een overdaad aan opties demotiveert en verlamt. Er is een beroemd experiment van de Amerikaanse universiteiten Columbia en Stanford waarbij de onderzoekers jam gingen verkopen op een markt. De ene dag kregen de bezoekers van de kraam de keuze uit zes jams, de andere uit maar liefst 24.

De tafel met 24 jams trok meer bekijks, maar daar besloot de meerderheid aan die tafel om uiteindelijk toch niks te kopen. Bij de tafel met zes jams bleef het veel rustiger, maar daar kochten veel meer mensen daadwerkelijk wat. Meer opties zijn aantrekkelijk, maar werken ook verlammend – en zorgen ervoor dat je uiteindelijk zonder jam blijft zitten.

Keuzestress was voor de coronacrisis millennial-aandoening nummer één. Veel mensen snakken er al een tijd naar dat keuzes voor hen gemaakt worden. Dat blijkt zelfs nog in quarantaine. We hebben alle tijd van de wereld en de complete bibliotheek aan menselijke creativiteit in onze handpalm, maar we kijken massaal naar The Tiger King op Netflix omdat het algoritme ons dat aanraadt. Er is geen betere remedie tegen keuzestress en fear of missing out dan quarantaine. Je mag niks, maar je mist dus ook niks.

Het KNMI bracht onlangs in een vrolijk persbericht naar buiten dat de seismische meetapparatuur van het instituut veel minder ruis opvangt dan normaal. Het stilvallen van het gebrom van de menselijke samenleving zorgde voor een ongekende rust in de data. Onderzoekers waren enthousiast: ineens konden ze allerlei kleine aardbevinkjes en aardgeluiden oppikken die normaal gesproken zouden wegvallen in het rumoer. Er opende zich een totaal nieuw onderzoeksveld.

Als ik weer eens gefrustreerd ben over de quarantaine probeer ik zo ook maar te kijken naar de lockdown. In plaats van naar de ruis kun je nu luisteren en kijken naar dingen die normaal gesproken werden overstemd. Vogels. Mooie gevels. Bloeiende narcissen voor mijn part. Ik heb nog nooit zoveel rustige stadswandelingen gemaakt als nu – en ontdek elke dag wel weer een ander pareltje in de omgeving.

Laatst kwam ik achter het bestaan van een compleet park op tien minuten van het huis waar ik al vijf jaar woon. Toen ik erover begon tegen de buren keken ze me meewarig aan dat ik het niet allang kende. Ik had geen idee.

Veel van de ruis die nu stilvalt is de ruis die afkomstig is uit ingesleten patronen en gewoontes. Sommige van mijn gewoontes waren zo dominant geworden dat mijn halve leven op de automatische piloot draaide. We zijn de laatste jaren volstrekt geconditioneerd geraakt om de hele tijd hetzelfde gedrag te vertonen: om elke vijf minuten op je smartphone te kijken, steeds weer nieuwe spullen te kopen, elke dag te forenzen naar een ver kantoor, dagelijks weer onweerstaanbare trek te krijgen in een frikadel als je op je vaste tijdstip langs het open buffet van de stationswinkels loopt. Het moderne leven hangt aan elkaar van de gewoontes, compulsies, verslavingen. Er zijn nu in elk geval minder stationsfrikadellen in mijn leven.

Het is zo: nieuwe compulsies steken net zo goed weer de kop op (hallo doordeweekse wijnfles, hallo Bol.com). Maar de grip van mijn oude patronen wordt merkbaar kleiner. Misschien keek ik wel te compulsief naar buiten. Meer, meer, meer, verder, verder, verder. Quarantaine dwingt de blik naar binnen, dichterbij, simpeler, rustiger, beperkter.

Gedragsonderzoekers hebben ooit uitgezocht dat het vormen van een nieuwe gewoonte zo’n 66 dagen duurt. Deze lockdown duurt waarschijnlijk minstens zo lang. Filosoof Charles Eisenstein noemt Covid-19 dan ook „een rehab die de verslavende greep van de normaliteit doorbreekt”.

Het onderbreken van een hardnekkige gewoonte maakt de compulsie zichtbaar. Als de quarantaine straks weer opgeheven wordt, komt vanzelf de vraag op welke routines we terug willen – en welke we liever kwijt zijn. De quarantaine maakt mensen paradoxaal genoeg vrijer. Vrijer om straks bewuster het nieuwe leven in te richten met minder ruis.

Categorieën
Columns & Opinie Mensen Werk

Thuis werken met je familie – dat is de hel – Japke-d. Bouma

O jongens ik had er zo’n zin in – thuiswerken. De aanleiding was natuurlijk afschuwelijk, en ik ben de laatste die lichtzinnig zou doen over de coronacrisis, maar stiekem voelde ik dat ik het land weleens wat zou laten zien als we massaal gedwongen werden om thuis te werken. Dan zou binnen een week al duidelijk worden hoe heerlijk dat is en zou deze nachtmerrie uiteindelijk louter goeds opleveren – waardering voor het thuiskantoor, productieve, gelukkige, blakende, vrolijke werknemers en weg met de kantoortuin!

Daar wezen de eerste antwoorden ook op, toen ik informeerde op Twitter hoe het thuiswerken beviel. Gelukzalige foto’s van katten op toetsenborden, sokken op de bank, voeten op de kachel, honden met de kop op schoot.

Mensen die in een dag thuiswerken afkregen waar ze in de kantoortuin minstens drie weken voor nodig hadden. Mensen die voorzichtig opperden of ze, ook na de crisis, een paar vaste dagen mochten thuiswerken.

Uitgeruste kantoortijgers die niet meer elke dag anderhalf uur in de file heen en terug hoefden en zich afvroegen hoe ze dat ooit hadden volgehouden. Überhaupt minder files. Schonere lucht.

Vergaderingen die ineens in een kwartier bleken te kunnen waar vroeger minstens een uur voor stond of nog beter: een mail in plaats van een ‘mieting’. De geweldige koffie thuis, de stilte, zelfs zonder koptelefoon. „Agilefree tot april, heerlijk!” vond een lezer.

Vertedering over een teckel die blaffend door het huis rent op zoek naar de bron van de stemmen van collega’s die hij op de speaker hoort. De wasjes die je tussendoor kunt draaien. De eitjes die je kunt bakken. De badjassen. Dat je een wijntje open kunt trekken tijdens werktijd (naam bij redactie bekend). „Opvallend hoeveel mogelijk is”, schreef iemand, „als niet iedereen er eerst een plasje over hoeft te doen”.

Natuurlijk, er waren wel wat mensen die pruttelden over het overbelaste netwerk. Dat ze zich ontheemd voelden zonder kantoor. Dat ze in een ‘stand-up’ via Skype niet konden controleren of iedereen ook écht stond. Dat ze te veel snoepten en dat de iPad steeds in de boter viel. Maar die waren in de minderheid. De rest begon langzaam het licht te zien. Er waren er zelfs al die opperden om kantoortuinen om te bouwen tot woningen, ik genóót.

Maar toen begon het. Echtparen die zich aan elkaar begonnen te ergeren. Ruzie over de muismat. „Mijn man blijkt alleen maar thuis te kunnen werken met de televisie aan!” „Mijn man zegt ineens ‘we gaan het probleem platslaan’!” „Mijn man zit al vanaf 7.00 uur vanochtend onafgebroken te bellen!” Irritaties over niet-afgewassen kopjes.

„Samen thuiswerken”, schreef iemand, „hoort in het rijtje ‘samen een Ikea-kast in elkaar zetten’, ‘samen met de boot door de sluis’ en ‘samen naar een vakantieadres navigeren’.” Er waren al mensen die een belcel begonnen te timmeren in de tuin en de eerste echtscheidingen werden stiekem aangevraagd.

Maar de genadeklap kwam zondag, amper één werkdag na de afkondiging van het verplichte thuiswerken. Toen gingen de scholen dicht en veranderde de thuiswerk-utopie in een nachtmerrie.

Want met je levenspartner thuiswerken is al een ‘uitdaging’, met je héle familie is het de hel, zo bleek al heel rap. Lezers begonnen in snel tempo noodberichten te sturen.

De Duplo waar je nu nog vaker je tenen aan openscheurt. De lamlendige pubers die voor je voeten liggen. Kinderen die met stift op de muren kalken terwijl jij in je joggingbroek een scrumsessie probeert te leiden. Dat je geen porno meer kunt kijken omdat iedereen om je heen hangt.

Iemand die spullen op kantoor mocht ophalen, schreef: „Nooit gedacht dat ik zo verlangend naar mijn bureautje zou kijken. En dat na één dag thuiswerken!” „We moeten afspraken gaan maken”, schreef een ander, „want anders hangt het bloed binnen een paar dagen aan de muur”.

En zo wordt al na twee dagen verplicht met kinderen thuiswerken de tweedeling zichtbaar: mensen zonder kinderen krijgen tijdens hun thuisretraite allemaal briljante ideeën voor boeken, trainingen, kunnen uitslapen en tikken rapporten af die al maanden lagen te wachten – de ouders zijn het kind van de rekening.

Toen ik maandagavond de premier het volk zag toespreken, dacht ik dan ook: lieve Mark. Vraag álles van ons in deze sombere tijden. Vraag ons hospitalen te bouwen, dijken te verhogen, toiletpapier aan te voeren, wat dan ook. Maar vraag ons niet om thuis te werken met onze dierbaren.

Ik heb op dit moment maar één oplossing: óf alle kinderen afstaan voor adoptie, of alle ouders met speciaal verlof.

Leve het onderwijs sowieso.