Categorieën
Columns & Opinie Mensen Wetenschap

‘Misschien zeggen we straks wel tegen elkaar: ik ga even in de coronastand’ – Interview Witte Hoogendijk

Natuurlijk brengt de coronacrisis onzekerheid en stress met zich mee. Maar psychiater Witte Hoogendijk ziet ook positieve effecten op de psyche. Want is het stiekem niet heerlijk, zo’n lege agenda?

Een tijdje geleden, het woord ‘corona’ werd nog vooral geassocieerd met bier, zat psychiater Witte Hoogendijk het archief van zijn twee jaar geleden overleden moeder uit te pluizen. ‘We lazen de brieven die ze schreef toen ze zat ondergedoken en waren verrast door de hoeveelheid heel normale dingen die daarin voorkwamen. Niemand weet hoe de komende weken en maanden eruit gaan zien, maar mensen zijn geneigd zo veel mogelijk het gewone leven te volgen, onder alle omstandigheden, ook als ze beperkte bewegingsvrijheid hebben.’

Witte Hoogendijk (1960) is hoofd van de afdeling psychiatrie bij het Erasmus MC in Rotterdam en gespecialiseerd in depressie. Op zijn kaartje staat prof. dr. W.J.G. Hoogendijk, maar ik mag Witte zeggen want we hebben samen twee boeken over de evolutionaire achtergrond van stress geschreven. We spreken elkaar telefonisch over de lessen die deze tijd ons mogelijk leert – en uiteraard over de stress die de coronacrisis teweegbrengt.

Om met dat laatste te beginnen: of je nu wel of geen last hebt van coronastress, het is in alle gevallen verstandig te stoppen met het lezen van de oeverloze stroom aan berichten die via sociale media over de wereld wordt uitgestort. Witte Hoogendijk: ‘Die vormen een stressor van jewelste, eentje waar we niet op gebouwd zijn. Problematisch is niet alleen de veelheid van de berichten, maar ook het feit dat ze ongecontroleerd zijn en je geen idee hebt wat ervan klopt. Intussen zetten ze je stressresponssysteem wel non-stop op scherp, je blijft continu alert en gespannen. Daar worden mensen op den duur horendol van.’

Maar soms lees je er toch ook wel iets zinnigs?

‘Natuurlijk. Alleen is het lastig dat in alle berichtgeving over corona geen goed onderscheid wordt gemaakt tussen epidemiologische data en casuïstiek. Als je naar de epidemiologische data kijkt, gebouwd op 100 duizend bevestigde coronapatiënten, kun je concluderen dat verreweg de meeste mensen die aan corona overlijden ouderen zijn of mensen met een lichamelijke kwetsbaarheid. Die specifieke groepen moeten dus in quarantaine blijven.

‘Voor de jongeren die aan de bedden staan zouden die epidemiologische data een geruststelling kunnen zijn. Alleen worden ze voortdurend geconfronteerd met gevalsbeschrijvingen die ‘viraal’ gaan en waarin uitgebreid beschreven wordt dat een Zuid-Koreaan de ziekte heeft overgedragen terwijl hij geen symptomen had, niet eens lichte keelpijn. En dat leidt tot paniek. Je kunt de hoeveelheid berichtgeving die je tot je neemt het best doseren – twee keer per dag – en je daarbij beperken tot de officiële bronnen, dan mis je heus niks. Ik kijk alleen naar de site van het RIVM en het NOS Journaal.’

Welke lessen leert deze tijd ons over onze psyche? Wat kunnen we ervan ‘meenemen’?

‘De eerste les lijkt me dat we minder rauwe gordeldieren dan wel besmette vleermuizen afkomstig van Chinese markten moeten eten. De tweede heeft te maken met hoe we onze dagen vullen. Wat ik veel om me heen hoor – en ook duidelijk bij mezelf bemerk – is dat mensen een enorm gevoel van opluchting ervaren bij alle dingen die nu worden afgezegd. Niet alleen op het werk, ook privé. Opeens besef je in wat voor tredmolen je normaal gesproken zit, als elke minuut van de dag wordt volgeplempt met van alles en nog wat.

‘Les drie is het gemak waarmee dingen afgezegd blijken te kunnen worden. Het gaat gewoon niet door! De belangrijkste interventie bij overspanning en burn-out is het leegmaken van de agenda, wat altijd moeilijk wordt gevonden, want alles is belangrijk. Maar de situatie van vandaag leert ons dat het gewoon kan door het te doen.’

Als straks alles weer normaal is, krijg je de rust van nu misschien als een boemerang terug, ook omdat er van alles moet worden ingehaald.

‘Ik weet niet of er zo’n enorm inhaaleffect zal zijn. Ik denk dat veel mensen de relatieve rust ook wel fijn vinden en daarom best een beetje bij zich kunnen houden – hoewel dat vermoedelijk net zo moeilijk is als het vasthouden van het vakantiegevoel. Maar je moet het wel proberen. Je ervaart nu dat het kan. Misschien zeggen we straks tegen elkaar: ik ga even in de coronastand.’

Zie je nog meer dingen die we moeten zien vast te houden?

‘De flexibiliteit. Bij allerlei oplossingen worden nu een heleboel stappen overgeslagen. Je weet elkaar snel te vinden, de lijntjes zijn kort; je ziet opeens hoe nodeloos procedureel en bureaucratisch we in het normale leven zijn. Verder de solidariteit die je om je heen ziet, een prettig soort wij-gevoel. Dat mag ook wel even voortduren.’

Heeft Rutger Bregman dan toch gelijk dat de meeste mensen deugen? Blijken we eigenlijk heel lief en goed en aardig…

‘Nee, dat denk ik niet, helaas. Je ziet nu veel altruïsme, maar zodra schaarste om de hoek komt kijken, wordt alles anders. Nu al zie je een milde vorm van egoïstisch gedrag in de vorm van hamsteren. Als die schaarste toeneemt, wordt de mens snel het beest dat hij onder zijn vernisje van sociaal gewenst gedrag is. Je hoeft alleen maar naar de mondkapjesschaarste te kijken. Onze mensen stuiten op boeven en oplichters die woekerprijzen vragen. Je kunt in deze crisis alles verwachten. Ik denk dat het een goeie testcase is voor onze samenleving hoelang we dit altruïstische gedrag overeind kunnen houden. We zullen ons heus niet allemaal als beesten gaan gedragen, maar sommigen van ons wel, dat weten we uit het verleden – en de mens is in de afgelopen decennia natuurlijk niet wezenlijk veranderd.’

Zie je dat bepaalde menstypen zich nu gemakkelijker staande houden dan andere?

‘Over het algemeen geldt dat hoe rationeler je bent, hoe beter het je afgaat. Want als je alle scenario’s goed bekijkt, kun je concluderen dat voor bijvoorbeeld een zorgverlener het risico om te overlijden aan een corona-infectie erg laag is. In het nieuws heet het dat de zorg een hoog-risicoberoep is, maar dan moet je wel bedenken dat er in de zorg veel meer wordt getest. Uit genetisch stamboomonderzoek naar het virus in het Erasmus MC blijkt dat onze besmette medewerkers het tot nu toe allemaal buiten het ziekenhuis hebben opgelopen. Rationeel blijven, dus.

‘Ook je emoties kun je op die manier te lijf gaan. Concrete angst, bijvoorbeeld voor een hoester, is prima: die maakt dat je opzijstapt. Abstractere angst, bijvoorbeeld voor wat er in de toekomst zou kunnen gaan gebeuren, kun je relativeren. De toekomst is per definitie abstract want de factor ‘tijd’ zit erin, en tijd is een abstractie. Bedenk dat het normaal is om dat soort angstgevoelens te hebben, maar besef ook dat je aan abstracte, niet tastbare zaken niets kunt doen.’

Veel mensen ervaren een gevoel van verlies van controle.

‘Ja, je stuit hier op de existentiële angst, de achtergrondangst die we elke dag allemaal onbewust hebben en waarbij we niet steeds stilstaan: dat we kunnen sterven. Onder normale omstandigheden popt die af en toe op, bijvoorbeeld bij begrafenissen; mensen moeten vaak huilen omdat ze zich inbeelden hoe het is als zíj daar liggen, of een dierbare. Maar nu slaat die existentiële angst keihard toe en hij gaat ook niet weg, hij blijft om ons heen spoken.

‘Het is om te beginnen belangrijk te erkennen dat dergelijke emoties normaal zijn. Vervolgens kun je de ratio erbij halen om te bedenken dat de kans dat je doodziek wordt hoe dan ook klein is – en áls je doodziek wordt, is er altijd nog de intensive care. Blijf je toch tobben, doe dan een gedachtenstop. Je moet daarvoor een alternatieve gedachte paraat hebben. Eerst ga je hardop piekeren, dan zeg je ‘stop’ en breng je die andere gedachte erin. Let ook op de psychologische hygiëne tegenover huisgenoten en collega’s: praat elkaar niet de put in. Zoek afleiding, ga naar buiten, verzin leuke dingen.’

We passen ons tot dusver gemakkelijk aan.

‘Mensen zijn heel adaptief. Mijn opa zat in de Tweede Wereldoorlog gevangen en ging schaakstukken maken van papier-maché. Daar heeft hij maanden in zijn eentje mee geschaakt. Overigens zijn de veranderingen die we nu om ons heen zien niet fundamenteel. We blijven communiceren, om maar wat te noemen. Voedsel is geen issue en dat wordt het vermoedelijk ook niet. Op het vlak van de primaire levensbehoeften gaat alles gewoon door.’

Belanden mensen tijdens crises als deze sneller in een depressie of psychose dan normaal?

‘Nee, eerder het tegenovergestelde. Ik heb het idee dat bij veel patiënten nu vooral een gezond deel van hun psyche wordt aangesproken, doordat er opeens concreet iets aan de hand is. Maar als de ambulante zorgverlening komt stil te vallen, zouden patiënten kunnen terugvallen of ontregelen.’

En lichtere klachten als burn-out en overspannenheid? Lopen die ook terug als er echt iets aan de hand is?

‘Te lang alert zijn kan tot gevoelens van overspannenheid leiden, dat weet iedereen die een bepaalde periode heel lange dagen maakt; je krijgt een kort lontje. Maar als het gaat om burn-outklachten die op een milde depressie lijken, met daarnaast gevoelens van uitputting en een sluimerende onvrede, waarvan vooral veel jongeren last hebben, zou het best kunnen dat we een afname gaan zien.’

Omdat mensen opeens veel minder moeten: niet meer elke ochtend vroeg uit bed, niet de hele dag hoeven presteren, geen slopende feesten meer.

‘Precies, het aantal stressoren neemt af. Als je ziet wat er allemaal wordt afgezegd, echt ongelooflijk. En dan hebben we nog niet eens een lockdown.’

Zieke mensen zeggen dat er iets troostends uitgaat van de wetenschap dat iederéén nu thuiszit.

‘Het fenomeen van fear of missing out, dat normaal enorm wordt aangewakkerd door sociale media met alle opgeklopte verwachtingen en beelden die daar geschetst worden, valt weg. De situatie is nu voor iedereen gelijk. Je mag alleen hopen dat mensen niet op sociale media gaan opscheppen over hoe fantástisch ze het thuis hebben, want dan ben je terug bij af.’

Hoe vind je dat we in Nederland over het algemeen met de coronacrisis omgaan?

‘Goed. Met veel gevoel voor humor, ik krijg het ene lollige appje na het andere. Dat is niet alleen grappig, maar breekt ook de spanning. Heel lang doodserieus zijn houd je ten eerste niet vol, en is ten tweede niet gezond. Rutte doet het ook goed, deze situatie leent zicht voor directief leiderschap: vasthouden aan genomen besluiten, totdat je ze door veranderende omstandigheden moet bijstellen.’

Een arts gooit doorgaans meteen het slechte nieuws erin. Maar onze regering bouwt het langzaam op. Is dat verstandig?

‘Toch wel, omdat dit een ongekende situatie is; men wéét ook niet hoe de ontwikkelingen zijn. Dus ik vind het wel verstandig dat ze steeds zeggen dat er verschillende scenario’s openliggen, dat het best kan zijn dat we volgende stappen moeten zetten, maar nu nog even niet.’

Deze tijd heeft wel een back-to-basicskarakter.

‘Je raakt meer doordrongen van waar het in het leven eigenlijk om gaat. Ook dat is iets om vast te houden. Net als de effecten van deze periode op het klimaat: de lucht klaart op, in Venetië zwemmen weer vissen in het kanaal. In die zin is deze coronacrisis een wake-upcall. Dat is hét experiment of nature dat nu is gedaan. Kunnen we dingen veranderen? Ja dus.’

Categorieën
Columns & Opinie

Wanneer kan een kind alleen naar school fietsen? – Anna van den Breemer

Geen Hollandser tafereel dan een groepje kinderen dat naar school fietst (de bammetjes pindakaas in de rugzak fantaseer ik er even bij). Maar wanneer laat je je kind ‘los’ in het verkeer? Die vraag kreeg ik van Loes uit Zwolle. Haar 7-jarige dochter mag in haar uppie vooruit fietsen, maar ze moet wél wachten aan het eind van de straat. Dat deed ze niet. Twee drukke rotonden verder waren haar ouders in lichte paniek, en dochter juist trots als een pauw omdat het haar was gelukt. Hoe moedig je zelfstandigheid in het verkeer aan, zonder dat de veiligheid in het geding komt?

Dit zeggen de deskundigen

Gemiddeld genomen is een kind vanaf 9 jaar in staat om zelfstandig naar school te fietsen. Tot die leeftijd hebben kinderen nog niet de concentratie, het inschattingsvermogen en de motoriek om zich solo in het verkeer te mengen. Voor een kind van 7 kan het nog lastig zijn om de balans te houden én een hand uit te steken. Ze kunnen ook niet goed inschatten wat de snelheid van een auto is.

Toch gaat maar zo’n 17 procent van de basisschoolkinderen zelfstandig naar school. Is dat niet weinig? ‘Het ligt natuurlijk aan de woonplek’, zegt Ineke Spapé van onderzoeksbureau SOAB, dat zich met mobiliteitsvraagstukken bezighoudt. ‘Het is logisch dat kinderen in een drukke stad als Amsterdam niet zelf gaan fietsen.’ Feit is dat de zelfstandigheid van kinderen in het verkeer gemiddeld iets afneemt, vertelt Spapé. Ouders hebben het beeld dat het op straat onveiliger is, terwijl het aantal verkeersongelukken met kinderen juist terugloopt: volgens cijfers van het de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid vielen er in 2000 58 verkeersdoden in de leeftijdscategorie 0-14 jaar, in 2018 waren dat er slechts 19.

Zo’n 12 procent van de kinderen wordt altijd met de auto gebracht. Is er sprake van slecht weer, dan stijgt dit aantal met 5 procent. ‘Het is vaak ook een logistieke kwestie: papa of mama wil direct door naar zijn werk, dus dan is brengen met de auto handig’, zegt Rob Stomphorst van Veilig Verkeer Nederland. ‘Scheelt je inderdaad tijd, maar op die manier ontwikkelt je kind geen verkeersinzicht.’

Hoe pak je het wél aan?

Verkeersgevoel rijpt met de jaren. ‘Dat begint al als je peuter nog bij jou in een stoeltje op de fiets zit’, zegt Spapé. ‘Vertel dat je je hand uitsteekt voordat je een afslag neemt en dat je bij rood licht moet stoppen.’ Je kunt ’s avonds ook voorlezen uit het prentenboek Fiep in het verkeer. Met behulp van de tekeningen van Fiep Westendorp leren ze dingen als: ‘De stoep is de veiligste plek in het verkeer’.

Bij kinderen van 7 fiets je de route samen. Sommige ouders willen het goede voorbeeld geven en fietsen voorop. ‘Niet doen’, zegt Stomphorst. ‘Laat je kind altijd voor je uit fietsen, maar blijf er vlak achter, zodat je kunt ingrijpen als het nodig is. Spreek daar ook dingen over af, zoals: wanneer ik je naam roep, stop je direct.’ Maak je aanwijzingen zo specifiek mogelijk. ‘Kinderen draaien hun hoofd wel naar links bij een kruising, maar zien ze ook echt of er een auto aankomt?’

Wellicht heb je zin om een potje te schelden wanneer je in de regen je kinderen al schreeuwend (‘rechts houden!’) veilig op hun bestemming probeert te krijgen. Denk dan aan wat de Amerikaanse Rina Mae Acosta schreef op de site van CNBC, over waarom Nederlandse kinderen tot de gelukkigste kinderen in de wereld behoren: ‘Ze worden aangemoedigd om overal en in alle weersomstandigheden te fietsen omdat het hen leert moedig te zijn. Ze leren dat het leven niet altijd zonnig en vol regenbogen is. Ze leren niet op te geven.’

Categorieën
Columns & Opinie

Ja, sfeer is belangrijk op school, maar die sfeer gaat niet achteruit als de juf foutloos schrijft – Sylvia Witteman

‘Wat zou u doen?’, is een van de leukste rubrieken in de Volkskrant. Lezers leggen daarin hun problemen voor aan andere lezers en die laatsten geven vervolgens hun welgemeende advies. Het zijn meestal boeiende vraagstukken, zoals ‘mijn man kijkt porno’ of ‘mijn vriendin is vegetariër, maar soms eet ze een bitterbal’. Daar komen dan allerlei doorwrochte replieken op, over dierenleed, het klimaat, de juridische afbakening van het begrip ‘vegetariër’ of een goed gesprek met aansluitend psychische hulp voor de pornokijker.

Míjn advies in dergelijke gevallen is meestal simpel: ‘Laat iedereen lekker op zijn gemak porno kijken/ bitterballen eten en bemoei je met je eigen zaken.’ Maar afgelopen zaterdag kreeg ik toch sterk de neiging om me níét met mijn eigen zaken te bemoeien. Een briefschrijver vertelde hoe haar kind in groep 4 van een ‘leuke school’ zat, met een ‘lieve juf’. Addertje onder het groene gras: de lieve juf maakte veel taal- en grammaticafouten.

Met stijgende verbazing las ik de antwoorden op dit vraagstuk. Ik parafraseer: ‘De sfeer in de klas is veel belangrijker dan grammatica’, zei er een. ‘De juf heeft het druk, wees dankbaar dat het kind met liefde en aandacht door de basisschool wordt geloodst’, zei een ander. ‘Kinderen in groep 4 hebben nog geen grammatica nodig, dat komt later wel’, vond een derde. ‘Ja, het onderwijs holt achteruit, maar die mensen krijgen dan ook slecht betaald’, vergoelijkte een vierde. En een vijfde constateerde monter: ‘Laat ze maar rommelen daar op school en verbeter de fouten van het kind thuis aan tafel.’

Schuimbekkend hing ik boven de zaterdagkrant. Ja, sfeer is belangrijk op school en ja, leerkrachten krijgen te weinig betaald. Maar die sfeer gaat niet achteruit als de juf foutloos schrijft en ook maakt een forse salarisverhoging niet als bij toverslag een eind aan dt-fouten. Maar vooral het laatste antwoord zette me aan het tobben: ouders die prijs stellen op goed taalgebruik moeten hun kinderen thuis de fouten maar afleren.

Wat bereik je daarmee? ‘Nee, Django/ Fender/ Robijn/ Dokus, het is niet ‘de broodje’ maar ‘het broodje’ en ‘de juf vertelt’ is niet met een d maar met een t. Veel plezier met de sfeer en aandacht en liefde op school vandaag, maar neem alles wat ze je leren maar met een korreltje zout.’

Zo leren de kindertjes van de elite, behalve behoorlijk praten en schrijven, ook neer te kijken op hun leerkracht. De rest begint al op jonge leeftijd met een achterstand die maar moeilijk in te lopen is. Zo werk je mee aan iets waarop niemand zit te wachten: een standenmaatschappij. 

Categorieën
Columns & Opinie

Naturel wel – Marcel van Roosmalen

We kregen een televisieproducent op bezoek. Wij kenden hem niet, hij ons wel. Slechte timing, de vriendin moest ’s avonds op televisie, een grappig toeval, en ik had er al een dag met de kinderen op zitten. De vriendin vroeg zich hardop af welke gek met ambities dit allemaal zo gepland had, en of het nog af te zeggen viel, maar hij stond al in de file.

„Echt, zoals het leven zelf”, concludeerde de televisieman, terwijl hij op halfhoge laarzen over de troep in onze huiskamer stapte.

Dat was dan het leuke aan die beroepsgroep: televisieproducenten vinden niets vreemd. Als er overal stukken rauw vlees hadden gelegen was hij er ook overheen gestapt. Een ontmoeting is altijd oriënterend, ze doen maar wat en denken daarbij hardop.

Hij had zelf ook nog geen idee wat hij eigenlijk bij ons deed, behalve dan dat hij beroepshalve altijd geïnteresseerd was in ‘tegengestelde karakters’.

We moesten maar gewoon naturel doen.

Wij naturel. De kinderen ook naturel.

Hij telde er twee, twee meisjes.

Ik telde er ook twee, de een gooide de ander tegen een lamp.

Ze kroop huilend bij haar moeder op schoot.

„Sorry hoor”, riep de vriendin, „het is een soort van spitsuur. En ik moet zo weg.”

„Spitsuur, net als op de weg”, zei ik. „Jij stond toch juist ook in de file?”

Er was niemand die om dat grapje lachte, maar naturel was het wel. Een kort gesprek over ambities, waarbij heel naturel een koffiekopje werd omgestoten.

De vriendin ging een lapje halen.

Bij hem thuis was het ook een troep, zei hij ondertussen, we hoefden ons dus nergens voor te schamen.

De dochters van twee en vier sloten de gordijnen en deden de lampen uit. Toen zaten we in het donker.

Ik probeerde een gordijn open te doen, maar daar hing de oudste met haar hele lichaam aan. Ik trok haar eruit, ze brulde van zoveel onrecht.

De jongste dochter roofde zijn stroopwafel. De oudste tekende in zijn kladblok. Ik zette kindermuziek aan.

‘Handjes draaien’ van K3, niet mijn favoriete nummer.

De oudste zette het geluid op 51, de jongste draaide daadwerkelijk met haar handjes. Ze waren door het dolle nu.

„Heb jij ook kinderen?” schreeuwde ik.

Ja, iets ouder, maar niet minder druk.

Ik moest nog naar de supermarkt, de vriendin moest zich omkleden, we moesten kortom van alles, het was allemaal geen probleem. Misschien wilde hij nog eens afspreken, maar dan wellicht in een andere setting. „Minder naturel”, zei ik.

Toen hij weg was lag zijn kladblok er nog. Hij had Donald Duck getekend, niet onverdienstelijk.

De vriendin zei: „Alleen mensen met kinderen begrijpen mensen met kinderen.”

Categorieën
Columns & Opinie

Bestandsnamenlogica – Jasper van Kuijk

Grote kans dat de downloadfolder op je computer een flinke collectie bevat van pdf’jes met mysterieuze cijfercodes als bestandsnaam. Zo trof ik zelf onder andere aan: 8000668348_M.pdf, 1-s2.0-S0142694X97000033-main.pdf en declaratieoverzicht_02102019323565.pdf. Dat bleken achtereenvolgens de handleiding van onze vaatwasser, een wetenschappelijk artikel en een declaratieoverzicht van de ov-chipkaart. Vaak zit er wel een bepaalde logica in de bestandsnamen, met klantnummers en volgnummers, en soms blijkt er na lang staren zelfs een datum in verwerkt te zitten (‘O, hallo 20200411 alias 11 april 2020’).

Die mistige naamgeving maakt het niet bepaald makkelijk om na het downloaden het juiste bestand te openen, zeker als je de folder niet op ‘sorteren op datum’ hebt staan. Een paar weken later het juiste bestand terugvinden is al helemaal onbegonnen werk. De zoekfunctie kan dan uitkomst bieden, maar die werkt een stuk beter als de zoektermen in de bestandsnaam staan.

Dus wat je als gebruiker eigenlijk wilt zijn bestandsnamen met een informatieve, makkelijk te lezen opbouw. Met bij een handleiding bijvoorbeeld het merk, typenummer en wat het is (handleiding, installatie-instructies). En bij een factuur de naam van de afzender, type document (factuur, jaaroverzicht, etc.) en datumaanduiding. Die ov-chipkaartdeclaratie wordt dan bijvoorbeeld ‘OVchipkaart_declaratie_nov-2019.pdf’.

Discussiepuntje is wellicht de datum. Als je die in getallen doet, met het jaartal eerst en daarna maand en dag, dan kan de computer dat vrij makkelijk sorteren, maar aan de andere kant leest het voor mensen een stuk moeilijker. Dus dat is een afweging. Maar bij de getalsnotatie zouden voor de leesbaarheid in ieder geval streepjes tussen jaartal, maand en datum moeten staan. Zo zou de factuur van T-mobile, die qua naamgeving al best oké is, nog verder opknappen als het ‘T-mobile_Factuur_2019-10-25.pdf’ zou zijn, in plaats van 20191025 op het eind.

Wat er dus níét in de bestandsnaam moet: de naam van de klant. Dus geen Jasper-van-Kuijk_nov-2019. Prima dat jij je facturen uit elkaar wil houden, maar ik weet al dat ik Jasper van Kuijk heet en als iedereen mij bestandsnamen gaat sturen met mijn naam erin, zit ik straks met het schoolkrantprobleem. Iedereen die weleens in de redactie van welk krantje dan ook heeft gezeten zal het akelig bekend voorkomen: dat je 25 bestanden aangeleverd krijgt met namen die varianten zijn op ‘stukje_schoolkrant.doc’. Mooi stukje denken vanuit de afzender.

Dat is in feite wat er ook aan de hand is bij die bestandsnamen. Die werken goed voor de betrokken bedrijven en hun computers, maar mensen kunnen er weinig van maken. Eigenlijk best een gemiste kans, omdat het aanpassen van de bestandsnaam weinig kost. Je moet het programmeren, maar je hoeft geen duurdere componenten te kopen of een productielijn aan te passen. Het enige wat je nodig hebt is een programmeur met een beetje goeie wil en wat affiniteit met de gebruiker.