Categorieën
Columns & Opinie

Kindveiligheid – Loek d’Hont

De ‘verbeterde’ Stint mag binnenkort de weg weer op. Om Sheila Sitalsing aan te halen, weer zo’n typische ‘kool en geit’-beslissing, een centenkwestie dus. Want kinderen vervoeren in solide bussen, dat gaat veel meer geld kosten.

Dus vervoeren we ze maar in een plastic badkuip waar een elektrisch motortje onder hangt, bestuurd door een tiener die eerder middels een blokje rond geoefend had in zo’n ding. Maar liefst tien kinderen gaan erin. Zo de openbare weg op. Geen kreukelzones, geen kooiconstructie, geen gescheiden remsysteem; niets van dat alles. En zo’n stoelriempje dat nu kennelijk verplicht is, gaat ook niet echt helpen wanneer de onvermijdelijke botsing met een veel groter voertuig dan uiteindelijk plaatsvindt.

Je kan zeggen wat je wilt van de VS, maar daar worden kinderen in grote, solide bussen vervoerd. Ongeacht de kosten en ongeacht de afstanden (ja, óók voor korte ritjes). Dat wordt daar betaald uit de lokale onroerendgoedbelasting die in de VS veel hoger is dan in Nederland. Daar stelt men de veiligheid van een kind boven geld. En niemand heeft daar een probleem mee. Nederland zou zich dan ook diep moeten schamen met die plastic doodskisten op wielen.

Categorieën
Columns & Opinie

Onschuldige bomen – Bert Wagendorp

Bomen, kunnen we in alle objectiviteit vaststellen, lopen niet tegen auto’s aan, auto’s rijden wel tegen bomen. Toch krijgen, vanwege de verkeersveiligheid, 343 zomereiken langs de N319 tussen Groenlo en Ruurlo binnenkort de kettingzaag in de flank. Ze moeten om, zodat er niemand meer tegenaan kan rijden.

In het stuk dat Mac van Dinther in de Volkskrant over de kwestie schreef, stond het prachtige woord ‘bladertunnel’. De bladertunnel is de eerste associatie die ik met de Achterhoek heb: een weg en bomen waarvan het bladerdek zich verenigt met dat van de bomen aan de overkant. Het heeft iets beschermends, zo’n groene tunnel waar het zonlicht doorheen prikt. Ze zijn er nog wel, in de Achterhoek en elders, maar ze worden schaars. Auto’s worden breder en de weg blijft even smal: kappen voor een extra strook asfalt.

Ooit muntte kunstenaar Armando het begrip ‘schuldig landschap’: het landschap dat getuige is geweest van verschrikkelijke voorvallen. Als je maar goed genoeg zoekt en ver genoeg teruggaat in de tijd bestaan er in Nederland geen ónschuldige landschappen – Armando beperkte zich tot de landschappen van de Tweede Wereldoorlog. Het ‘schuldige landschap’ is een absurde gedachte, een grappige maar bezopen kunstenaarskronkel – ik heb de berg Ventoux nooit verantwoordelijk gehouden voor de dood van tientallen fietsers. Maar in de discussie over de bomen langs de N319 duikt opeens de ‘schuldige boom’ op. Iemand rijdt zich te pletter tegen een boom en voor straf krijgt die ook de dood aangezegd: had hij daar maar niet moeten gaan staan. Zijn buren worden ook preventief geruimd, we weten waartoe ze in staat zijn.

Ik bekijk bomen meer als getuigen dan als daders. De bomen tussen Groenlo en Ruurlo, sommige anderhalve eeuw oud, hebben mij, mijn vader, grootvader en overgrootvader nog zien langskomen. Bomen zijn deel van het geheugen van een landschap. Je moet ze koesteren in plaats van er biomassa van te maken. Bovendien ruimen ze CO2 op, dat weten ze zelfs bij Shell.

Het gaat hier over waarden. Verkeersveiligheid is er zoeen. Wanneer je de rapporten en nota’s van het ministerie van Infrastructuur en Milieu doorworstelt, valt op dat verkeersveiligheid veruit de belangrijkste waarde is, met verkeersdoden als belangrijk argument. Gevolg is wel dat andere waarden – schoonheid, historie – er niet meer toe lijken te doen.

Het besluit van de provincie Gelderland om te gaan kappen – en de besluiten van al die andere kapgeile provincies – is werk van technocraten. Ik snap hun goede bedoelingen maar de technocraat heeft doorgaans weinig op met culturele, historische en esthetische waarden. Die staan in de weg – letterlijk, in dit geval. De gevolgen zie je in heel Nederland: het enige land ter wereld waar geen vierkante meter meer bestaat die níet is gepland, een strak en efficiënt land waarin je boom mag zijn mits in het bezit van een vergunning. Het streven is een land waar je snel en veilig van A naar B kunt rijden. Dat het karakter van dat land intussen wordt aangetast doet niet terzake, karakter past niet in ruimtelijke nota’s en verkeersveiligheidsstatistieken. Het hoort bij Nederland, waar we in het vooruitgangsstreven tamelijk respectloos omgaan met onze leefomgeving. Niet alleen met bomen, maar ook met gebouwen en hele landschappen. Het verschil tussen vooruitgang en vernielzucht is vaak moeilijk waar te nemen.

Dat de burger daartegen in opstand komt is goed. Het is nodig bestuurders voortdurend te wijzen op hun oogkleppen. Plannen kunnen er op de tekentafel fantastisch uitzien, maar in de werkelijkheid uitlopen op kaalslag en het negeren van waarden die ook van belang zijn. Je kunt in de bladertunnel, net als in echte tunnels, ook snelheidscamera’s ophangen, je kunt verkeersdrempels maken of de hele weg afsluiten voor autoverkeer en er een fietspad van maken. We moeten anders gaan denken, en niet blijven steken in de voordehandliggende oplossingen van dertig jaar geleden, willen we dit kwetsbare land niet naar de ratsmodee helpen en omvormen tot een keurig verkeersparadijs.

Die bomen staan er prima en doen geen vlieg kwaad. Laat ze staan, verdomme.

Categorieën
Columns & Opinie

Shared dining – Hiske Versprille

Laat ik positief beginnen: we leven in gouden restauranttijden. Het stikt in alle prijsklassen in toenemende mate van de goede zaken met keukens uit alle windstreken. Onder chefs heerst een soort fris, progressief enthousiasme, mede ingegeven doordat er een aanbod aan ingrediënten voorradig is van een kwaliteit en diversiteit zoals die beslist nooit eerder heeft bestaan.

Dat gezegd hebbende is er ook een hoeveelheid culinaire onzin in omloop waar de hipsters geen ceviche van lusten. Al die weelde in aanbod lijkt hier en daar tot paniekerige onrust te leiden bij restaurateurs. Begrijpelijk: gasten zijn verwend, mondig en wispelturig terwijl goed personeel schaars is. In de moordende concurrentie worden restaurantideeën gelanceerd die knellen als een te kleine schoen. U weet meteen dat u er zo één te pakken hebt, als er aan het begin van de avond een ober (m/v) aan tafel komt die u veelbetekenend aankijkt en dan zegt: ‘Bent u bekend met ons concept?’

Ik gok dan altijd hoopvol: ‘Eh, jullie brengen mij eten, en dat peuzel ik dan lekker op? Dat concept?’ Helaas: meestal blijkt het een variatie op het uiterst irritante ‘shared dining’-thema. Met de hele tafel uit dezelfde pan of schaal opscheppen is niets nieuws, kan iedereen u vertellen die wel eens op een plek heeft gegeten die geen restaurant was. Maar deze jeuktrend, die een aantal jaar welig tiert, doet net alsof dat iets heel bijzonders is. Vaak worden er ook nog eens allerlei wereldverbeterende en/of liefdesbevorderende krachten aan dat delen toegedicht. ‘Sharing = caring’ staat dan op de menukaart, of ‘share your food, share your experience’ alsof je in restaurants waar je gewoon je eigen bord krijgt van je tafelgenoten bent afgescheiden met geluiddichte schotten.

Vaak wordt dat delen van gerechtjes bovendien als excuus gebruikt om gerechten kleiner dan een voorgerecht te verkopen voor de prijs van een tussengerecht. Als er 14 euro wordt gevraagd voor drie fliebers vis die je vervolgens met zijn vieren moet delen, dan getuigt dat wat mij betreft van weinig ‘caring’ voor de gast. En noem me een hebberd, maar ik vind het ook gewoon irritant als iemand van rechtswege de helft van mijn voorgerecht opeist.

De beste restaurants zijn, van haute tot laag, gestut op vier pijlers: welwillendheid, zorgvuldigheid, vakmanschap en smaak. Hoe je die vier dingen tot uiting brengt op de borden, in de glazen of in de manier waarop het menu is ingedeeld – daar heeft de restaurateur alle vrijheid in, en die strategie mag je wat mij betreft best het concept noemen. Maar zodra een concept wordt gezien als iets dwingends waarvoor één of meer van die pijlers moeten wijken, gaat het mis. Goede concepten zijn ‘net als goede service’ geruisloos. Het enige dat je er van merkt, is dat je, bijna moeiteloos, een hele fijne avond hebt.

Categorieën
Columns & Opinie

Het nut is verslagen door luxe en design bij de nieuwe Volvo – Bas van Putten

Volvo’s kun je tegenwoordig recenseren voor je er een meter mee gereden hebt. De huisstijl is een copypaste-totaalpakket. Je kent dashboard, interieur, automaat en motoren van de S90 en V90, de XC40, XC60 en XC90. Je weet hoe ze rijden, niet te hard en niet te zacht. Hoe ze sturen, niet te scherp en niet te week. Hoe ze ruiken en voelen: heerlijk.

Ook de nieuwe V60 heeft het moeilijk te beschrijven Volvo-DNA dat de transitie van elitebaksteen naar shiny executive hoopgevend heeft overleefd. Achter de premium-façade van chroom, hout, aanraakschermen en wit leer waakt degelijke Zweedse orde over de rustgevende synergie tussen mens en auto. Het fijne grote touchscreen met vrijwel alle bedieningsfuncties is de witte raaf in zijn rampengenre. Het oude welbehagen is geconserveerd, die merkcultuur van meesterlijke stoelen en vijfsterrenzorg voor de inzittenden. Op een iets te snel genomen verkeersdrempel worden spontaan de gordelspanners aangetrokken. Dan weet je dat die auto om je geeft. Mooi is hij ook nog.

Een moeilijk te verwerken stijlbreuk is de motor. Hij is het sporthart in een seniorenlijf. Het is een tweeliter viercilinder turbo met 310 pk, het lijf een vierwielaangedreven station met een leeggewicht, hallo, van 1724 kilo. Op papier mankeert aan de prestaties niets. De trekkracht van 400 Newtonmeter zou voldoende moeten zijn. Zolang je niet het uiterste van hem vraagt, is de V60 inderdaad een kalme, stille auto. De pijn zit in de kramp waarmee de turbo zijn vermogen levert als dat wél moet. Dan schoffeert hij bruusk de zachte, adellijke toon van de klassieke vijfcilinders die Volvo wegens te hoge emissiewaarden uit productie heeft genomen. Bij vol optrekken verslikt de achttraps automaat zich in de ongewenste plicht tot harde actie en het met turbo-hightech opgeblazen miniblokje ridiculiseert het standsgevoel met proletarisch blèren. En dan is dit nog wel de krachtigste benzine-variant. Cultuurloze testosterontechniek.

Royale vijf- en zescilinders? Afgeschaft. Alle leverbare motoren zijn tweeliter viercilinders, diesels en benzines in twee respectievelijk drie sterktegraden, plus een plugin-hybride. Die downsizing had met lichtere modellen vast milieuwinst opgeleverd, maar het structurele overgewicht van nieuwe Volvo’s heeft dramatische gevolgen voor de emissiewaarden; 171 gram CO2 per kilometer en een E-milieulabel zijn stevig en een niet gering praktijkverbruik van krap aan 1 op 10 maakt het nog erger. Financiert Volvo zijn kostbare elektrificatieplannen soms met een moratorium op gewichtsbesparende technologie? Neem dan in godsnaam maar een diesel, die loopt rustiger. Het regenwoud was toch al dood.

Niet meer voor de Volvo-hoogleraar.

Hoe relatief is vooruitgang. Net kocht ik uit nostalgie mijn vierde Volvo, een S60 T5 van 2001. De wittebroodsrit was een leerzame ervaring. De grote turbo-vijfcilinder klinkt altijd beschaafd en stressvrij. Hij haalt op lange reizen 1 op 13. Hij zit zo goed als een nieuwe. En hij is véél sneller. Als reiswagen is het tweedehandsje op majeure punten te verkiezen boven de V60. De met hightech volgestouwde test-V60 schuift zevenentachtig mille; de Volvo-hoogleraar van vroeger koopt maar een Renault. De mijne kreeg ik inclusief wit leer, automatische klimaatregeling en de voortreffelijke stereo voor vijf mee. Daar wil ik die bemoeizuchtig meesturende assistentiesystemen wel voor missen. Het Zen-gevoel kan zonder.

Welke plaats heeft de V60 in een gamma dat tot dusver op grote, functionele stations leunde? Hij verstouwt 120 liter meer bagage dan zijn voorganger, die er uitsluitend voor het oog was. En met zijn rechte achterruit lijkt hij meer op een station dan de grotere V90. Maar geen van beide kunnen ze tippen aan de 1.600 liter opslagruimte van de vorig jaar gesneefde V70. Bij de haast even lange V60 zijn het er 1.364. Teleurstellend.

Van de 1.82 meter lange laadvloer gaat het gat tussen voorstoelen en achterbank nog af. Wel is de vloer vrij vlak, zodat ik er met opgetrokken knieën kantje-boord de nacht kan doorbrengen. Veer met beleid op uit een nachtmerrie, het dak is laag. Op handen en voeten zit ik met mijn rug al tegen het plafond, waar natuurlijk nog wel plaats was voor twee premium-luidsprekers plus panoramaschuifdak. Behalve in het zitcompartiment, dat voor en achter ruim is, werd het nut met modieuze glans door luxe en design verslagen. Voor ruimte mag de Volvorijder à raison van minstens 76.000 euro naar een XC90 uitwijken. Die Gooise SUV slikt alles, maar was de Grote Stationcar niet altijd Volvo’s handelsmerk? Einde oefening. Te gewoontjes.

Categorieën
Columns & Opinie

Uw kind kan stikken – Rosanne Hertzberger

Wij kochten een opblaasbaar zwembadje voor onze oudste. Het is een wonder dat hij dat overleefd heeft. Op het blauwe plastic stond de waarschuwing voor zijn verdrinkingsdood in 27 talen. ‘Zonder toezicht is het leven van uw kind in gevaar’. Verderop: ‘Children have drowned in portable swimming pools’. Zo praten fabrikanten tegen ouders. ‘Let een beetje op’ is niet genoeg. Zoals er plaatjes van verkankerde longen op sigarettenpakjes prijken worden zwembadjes beplakt met de overlijdensberichten van verdronken kinderen. Er stonden trouwens nog meer waarschuwingen op ons zwembad: kinderen konden kleine onderdelen inslikken. En oudere kinderen kunnen zomaar besluiten om in het 20 centimeter diepe water te duiken en daarbij verlamd raken. ‘Inflate your fun’ is de slogan van het product.

Het went nooit echt, dat levensgevaar waarin onze kinderen zich telkens bevinden. Vooral de kleinste balanceert permanent op het randje van de dood. Voor moeders die daar niet 24 uur per dag bij stil staan zijn er gelukkig genoeg waarschuwingen om haar eraan te helpen herinneren. Uw kind kan stikken in de draagzak. Doodvallen uit zijn stoel. Gewurgd worden door de riempjes. Hij kan verpakkingen over zijn hoofd trekken. En alles wat kleiner is dan een tennisbal kan hij inslikken. Als u uw kind een nachtje per ongeluk te warm hebt aangekleed, is dat niet gewoon een beetje onprettig voor hem. Warmtestuwing is een oorzaak van wiegendood. Houd uw kind geen seconde in de zon. Niet omdat een rood randje pijn doet. Nee, zon leidt tot huidkanker, en van huidkanker ga je dood.

Kook je flesjes. Kook je speentjes. Kook je kolfonderdelen. Driemaal daags en nog een keer, voor de zekerheid. Verwarm je flesje, maar pas op voor hete plekken, want je kind verbrandt zijn tong. Volg een kinder-EHBO-cursus voor het geval hij dreigt te stikken bij het drinken. En giet de moedermelk door de gootsteen, na een uur, want die wordt niet zomaar een beetje zuur. Binnen de kortste keren zwermen er enge bacteriën in rond. Borstvoeding is levensgevaarlijk. Flesvoeding is nog erger.

En als het donker wordt, zoekt de dood naar kieren en ramen om uw huis binnen te sluipen. De belangrijkste risicofactoren zijn bekend: buikslapen, roken, dekbedjes. Maar er is altijd meer wat je kan doen. Een veilige kinderkamer lijkt op een isoleercel. Geen speeltjes, geen knuffeltjes. En houd de baby te allen tijde in de buurt. Wist u dat er wel eens een kindje in een hemeltje is gestikt? Slapen is het veiligst met permanente bewaking van een oplettende ouder. Zelfs de producent van het reiswiegje verzekerde me dat mijn kind zonder toezicht gevaar loopt. (Ik beken eerlijk dat ik misschien per ongeluk toch een keer mijn ogen heb durven sluiten.) Maar té dichtbij is ook niet zonder risico. Wie na een nachtvoeding in slaap valt naast het kind, brengt hem in groot gevaar. Houd jezelf dus wakker, desnoods met pijnprikkels. Flitslichten. Harde muziek. Of voed alleen in kaarsrechte positie op een hard bankje. Het zijn heus niet alleen olifanten die hun kind per ongeluk dooddrukken.

Het ergste is dat al die veiligheid effectief is. Waarschuwingen hebben alleen maar winnaars. Elk jaar sterven minder baby’s dankzij de permanente noodtoestand die in huishoudens met jonge kinderen heerst. Nederland had in 1985 191 gevallen van wiegendood, in 1995 nog maar 48. En in 2015 maar 7. We hebben het spelletje bijna uitgespeeld. En die veiligheid is ogenschijnlijk gratis. De effecten van de angst zijn nauwelijks in cijfers te vangen. En zoja, wie geeft er dan om een paar honderdduizenden gevallen van nachtzweten, of vermoeidheid, of dat piepkleine beetje verlies van onschuldig speelplezier als je daarmee jaarlijks één kinderleven kan redden. Of een halve. Of een tiende.

Herhaal dus duizendmaal: mijn kind kan stikken. Mijn kind kan vallen. Mijn kind kan op zijn buik draaien en dan alsnog sterven. Slaap is levensgevaarlijk. Maar vergeet het vooral niet veel te doen. Want niet slapen is erger. Oververmoeide moeders maken fouten, en fouten leiden tot de dood. Na korte nachten vol koortsdromen over dode baby’s, kunt u gefrustreerd raken. Leg uw schreeuwende kind dan in zijn bed en probeer ergens anders tot rust te komen. Dit alles in verband met de veiligheid. Het zou niet de eerste keer zijn dat een wanhopige moeder haar kind door elkaar schudt, met de dood tot gevolg. Voelt u zich trouwens wel eens overbezorgd? Angstig? Ook dat is levensgevaarlijk. Het zou een depressie kunnen zijn en we weten allemaal wat depressieve moeders wel eens doen.