Categorieën
Columns & Opinie

Het is hoog tijd om ons recht op stilte terug te eisen – Sander van Walsum

Sommige dingen meen je zeker te weten. Dat we elkaar blootstellen aan steeds meer lawaai bijvoorbeeld. Zeker als het land in zomerse genoegens wordt gedompeld. Motorrijders trekken er in kuddeverband op uit met helse machines die veel harder knetteren dan nodig is. Stadse buitenmensen installeren hun kookeilanden, loungehoeken en geluidsapparatuur in de tuin of op het dakterras zodra de thermometer de 15 graden Celsius overschrijdt. Een uitdijende schare hobbyisten verricht met boor- en schuurmachines achterstallig onderhoud aan huis en tuin. De kinderen van mijn overburen schreeuwen veel harder dan ik mij van vorig jaar herinner. Hun schelle stemmen dringen, als er weer een twist ontstaat bij de trampoline, via geopende balkondeuren tot alle omwonenden door. En hun ouders denken dat dit er nu eenmaal bij hoort, bij kinderen hebben.

Het circuit van Zandvoort is bij aanlandige wind op grote afstand hoorbaar. Prins Bernhard, aan wiens naam sinds kort niet meer ‘junior’ wordt toegevoegd, wil daar ook nog eens formule 1-races laten verrijden. Als inwoner van Haarlem moet ik daar niet aan denken: nu al wordt de lucht boven het Kennemer land enkele weekenden per jaar verscheurd door de herrie waaraan autoliefhebbers zich tegen betaling blootstellen. En dan zijn er nog de achthonderd muziekfestivals die elk jaar in Nederland worden gehouden. De bladblazers. De toeristen met hun rolkoffers. De doffe dreun die opklinkt vanuit passerende auto’s. Uitgaand publiek dat passanten schreeuwend deelgenoot maakt van het eigen vertier. En sinds zeer kort is daar nog een nieuwe bron van lawaai aan toegevoegd, horend bij een nieuwe liefhebberij: het gezoem – het akoestisch equivalent van enkele forse muggen in je oorschelp – van drones die in parken, op het strand en op open plekken in het bos worden opgelaten. Soms vliegt zo’n drone gezellig een stukje met de passerende wandelaar mee.

Consumeren

Waar mensen zijn, is lawaai. En het aantal inwoners van Nederland is sinds 1938 verdubbeld – tot ruim 17 miljoen. Al die mensen zijn enthousiast aan het consumeren geslagen. Veel van hun consumptieartikelen produceren lawaai. Zinloos lawaai. Geen lawaai dat de industriële samenleving nu eenmaal vergezelt – het geluid van de bouwnijverheid, van vrachtwagens en sneltreinen – maar lawaai dat uitdrukking geeft aan een bepaalde leefwijze, die vaak voor levenskúnst wordt gehouden.

Het zijn relatief nieuwe geluiden. En ze horen bij een samenleving die de sociale controle min of meer heeft afgeschaft. Veroorzakers van akoestische vervuiling worden dus zelden op hun gedrag aangesproken (wat in het geval van motorrijders ook praktisch ondoenlijk is). En wie hinder ondervindt van akoestische vervuiling, huivert vaak om daar uiting aan te geven. Wie zich bij een buurtgenoot beklaagt over een middernachtelijk tuinfeest, voelt zich toch een beetje een lul. Een fatsoensrakker – zoals in de jaren zestig een categorie burgers werd omschreven waar niemand bij wilde horen. Iemand die anderen hun feestje wil ontzeggen. Ikzelf heb het enkele maanden geleden toch een keer geprobeerd, nadat een feest bij een van de achterburen zich van binnen naar buiten had verplaatst. Mijn interventie, in ochtendjas, resulteerde in een vruchteloze discussie over de vraag of in het weekend andere geluidsnormen golden dan door de week, en of 1 uur ’s nachts een geschikt tijdstip was voor een onaangekondigd tuinfeest. Zij vonden van wel. Ik vond van niet.

Wat zinloos lawaai voor de een is, is plezier en vrijheid voor de ander. De akoestische ruimte is openbare ruimte waarin belangen en opvattingen vaak botsen. Over het gebruik van die ruimte zijn ook moeilijk afspraken te maken omdat lawaai tot op zekere hoogte een subjectieve grootheid is. De een ervaart het gebeier van kerkklokken op de vroege zondagochtend als akoestisch onderdeel van een dorp of provinciestad. Voor anderen is het een onwelkome en ongevraagde resonantie uit de tijd waarin de kerk het nog voor het zeggen had.

Toch is het niet gezegd dat het lawaai dat in Nederland wordt geproduceerd in dezelfde mate is gegroeid als de bevolking. Een paar jaren geleden was in Amsterdam een tentoonstelling ingericht over het geluid van de grote stad – vroeger en nu. Onderdeel van die tentoonstelling was een simulatie van het lawaai dat in 1935 hoorbaar moet zijn geweest. Wat bleek: destijds was veel meer sprake van harde, naast elkaar staande geluiden: piepende trams, toeterende auto’s met ontploffingsmotors en rammelende carrosserieën, schreeuwende marktkooplieden, het geluid van werkplaatsen die toen nog in de stad waren gevestigd. Het geluid van toen was volgens Karin Bijsterveld, hoogleraar Wetenschap, Technologie en Moderne Cultuur aan de Universiteit Maastricht, chaotischer, nerveuzer en – mogelijk – meer belastend dan de permanente ruis van de hedendaagse stad.

Het karakter van sommige geluiden is bovendien veranderd. Neem de auto. Het aantal auto’s op de Nederlandse wegen was in 1935 weliswaar veel kleiner dan nu, maar ze produceerden destijds wel meer lawaai. De ontploffingsmotor deed zijn naam nog eer aan. Zijn lawaai was onderdeel van het statussymbool dat de auto was, toen nog meer dan nu. En het toeteren werd lange tijd door de overheid aangemoedigd. Omwille van de verkeersveiligheid. Aan die herrie viel destijds wel makkelijker te ontkomen dan aan het alomtegenwoordige geruis van nu. Vroeger trad buiten de bebouwde kom de stilte in. Nu moet de Randstedeling daarvoor de koffers pakken. En dan nog is het de vraag of hij in Vierhouten of de Achterhoek niet op een rally van oldtimers wordt getrakteerd.

De geluiden van de nieuwe tijd bleven overigens niet onweersproken. Zo werden in het holst van de jaren dertig, de economische crisis en het opkomend fascisme ten spijt, stilteacties gehouden tegen noviteiten als de autoradio. De antilawaai-activisten – beschavingsmissionarissen, in hun eigen ogen – zagen hun inzet vaak met succes beloond. Het genot van de autoradio, en later van de transistorradio en de gettoblaster, werd vergaand ‘geprivatiseerd’. De ‘hamerende beroepen’ – smederijen, blikslagerijen en slotenmakers – verdwenen uit de binnensteden, voor zover ze al niet door de tijd waren ingehaald. En zo zal ook de rolkoffer zoals wij die kennen uit de toeristencentra worden geweerd en zal het geluidsniveau van muziekfestivals worden begrensd. In verschillende Amerikaanse staten is de bladblazer al in de ban gedaan. Ooit behoorde het recht om in een stille straat te wonen tot de arbeidsvoorwaarden van hoogleraren. Nu komt het iedereen toe.

Recht op vertier

Maar in een overvol land als het onze staat het recht op stilte van de een al snel op gespannen voet met het veronderstelde recht op vertier van de ander. In 1967, toen het ‘nieuwe Schiphol’ in gebruik werd genomen, deden ruim drie miljoen vertrekkende, aankomende en overstappende passagiers de nationale luchthaven aan. Nu komen er elk jaar ongeveer zoveel passagiers bij, tot ruim 63 miljoen in 2016 – 21 maal meer dan in 1967 en tweemaal meer dan in 1997. Maar nog steeds wordt het recht op grenzeloze mobiliteit – een gekoesterde verworvenheid – niet ter discussie gesteld. We willen anderen hun feestje niet ontzeggen. We willen onszelf ons feestje niet ontzeggen. We willen de vrijheid van de consument niet beknotten. Dus volstaan we met de bestrijding van de groeisymptomen. De vliegtuigen worden stiller. Luchthaven Lelystad voldoet toch aan de geluidsnormen. Airbnb wordt aan banden gelegd. En de rolkoffers krijgen zacht rubberen wieltjes. Maar het recht van de toerist om voor een paar tientjes naar Barcelona te vliegen, blijft onaangetast. Met alle gevolgen van dien voor steeds meer omwonenden van Schiphol en – straks – van Lelystad.

Lawaai is tenslotte het bijproduct van vrijheid. En vrijheid, daar kom je niet aan. Wie in vrijheid wil leven, moet enig lawaai verdragen. Mensen die een dictatuur hebben meegemaakt, herinneren zich onder andere de stilte. De stilte van de avondklok, van het gereglementeerde openbare leven, en van de angst om de aandacht op zichzelf te vestigen. Stilte roept al gauw een gevoel van beklemming op. De bevrijding van de opgelegde stilte gaat gepaard met vreugdevuren en lawaai. Lawaai vergezelt de ontketening.

Er wordt dus veel lawaai gemaakt in Nederland. De indringendste bron van herrie is die van de motorrijders die deze dagen collectief de nieuwe zomer vieren. De luidste motoren zijn zo aanstootgevend omdat het lawaai essentieel is voor het particuliere genoegen van de berijder. Die eist eenzijdig een grote hap van de openbare ruimte voor zichzelf op. Elke zonnige dag opnieuw. En niemand die zijn recht om lawaai te maken ter discussie stelt. De wetgever niet, mogelijk uit beduchtheid voor de electorale consequenties. De politie niet, omdat die wel wat beters heeft te doen. En de medeburger niet, omdat die zichzelf in lijdzaamheid heeft geoefend. Zinloos lawaai? Het hoort er nu eenmaal bij.

Liever sluit hij zich op in zijn eigen akoestische cocon. Met koptelefoons en, meer recent, individuele geluidszones kunnen meerdere mensen in één ruimte gelijktijdig naar hun eigen muziek luisteren. Lawaai of stilte als individuele opties; mensen die hun eigen weg gaan – de een in een wolk van volmaakte stilte, de ander in een wolk van, al dan niet te luide, muziek. Om de een of andere reden klinkt het niet erg aantrekkelijk. De openbare akoestische ruimte verwordt tot een niemandsland waarvoor niemand zich nog verantwoordelijk voelt.

Het lawaai moet niet worden gemaskeerd of ingekapseld, het moet zo veel mogelijk worden uitgebannen. Door het aantal luchtreizen per burger te rantsoeneren. Door lawaaiige voertuigen van de wegen te weren. En door de sociale controle over de openbare ruimte te herstellen. Spreek de buren toch maar aan over die eeuwig blaffende hond of over een onaangekondigd tuinfeest – op het gevaar af voor fatsoensrakker te worden gehouden. Zo kom je nog eens in gesprek met mensen die je anders alleen maar zou horen.

Categorieën
Columns & Opinie

Kinderverjaardag – Marcel van Roosmalen

De jongste dochter werd 1, ze had nu al meer vrienden dan ik. Veel meer vrienden dan we verwacht hadden ook. Wij kwamen nooit op kinderverjaardagen en hadden er een beetje op gerekend dat we met gelijke munt terug zouden worden betaald, maar dat was niet zo. Er kwamen zelfs mensen uit het dorp, de door ons zelf gebakken appeltaart viel van schrik uit elkaar. Op de grond krioelden vijf of zes kinderen over en door de jarige heen.

Ik probeerde wanhopig te communiceren met de volwassenen, wat niet ging omdat ze allemaal wel een kind hadden waar ze op moesten focussen. Alleen met mijn moeder had ik contact. Ze had de jarige een pratend paasei gegeven dat je kon verstoppen en dat dan uit zichzelf ‘ik ben verstopt hoor’ zou roepen, maar het cadeau zweeg nadat ze het had verstopt en dat lag niet aan haar gehoorapparaat.

Ik werd aangeroepen, de oudste werd in mijn richting geduwd. „Ruik jij effe of ze een volle luier heeft.”

Dat aan elkaars gat ruiken in gezelschap vind ik nog steeds moeilijk, maar om me heen keken ze er niet van op dat ik haar tot boven mijn gezicht tilde en nadrukkelijk snoof.

„En?” Ik: „Ja, ik denk wel dat er iets in zit.”

Met een tegenstribbelend kind naar boven, achtervolgd door twee kinderen waarvan ik de namen niet wist en waarvan ik hoopte dat ze niet achterwaarts de trap af zouden vallen. Op het verschoningskussen bleek dat er niet gepoept was.

Groot onrecht, dikke tranen.

Weer beneden genoot ik van de oudste die al de cadeaus uit de handen van haar zusje griste. Ik zag onder andere een plastic piano waaruit dierengeluiden kwamen, een auto met zwaailicht en geluidendoos voorbijkomen, daar gingen we nog veel plezier aan beleven.

Daarna het gevecht om aandacht.

Nadat de eerste gewonde was gevallen – hoofdje tegen een tafelrand – viel de oudste om de zoveel tijd om, waarna ze getroost moest worden. Ik was goed in troosten.

Zo goed, dat ze allemaal door mij getroost moesten worden, want ze begonnen allemaal om te vallen. Het grapje dat ik alleen mijn eigen kinderen troostte werd niet door iedereen begrepen.

Ik roerde door de koffie.

Ik leerde: als je even niets weet te zeggen doet de opmerking dat je nog steeds gestopt met roken het altijd goed.

Moe, maar tevreden in bed, dachten we kort dat er indringers in huis waren. Ik werd erop uitgestuurd. Op de gang lag een plastic paasei dat de hele dag had gezwegen maar nu niet meer kon stoppen met zeggen dat het gevonden wilde worden.

Categorieën
Columns & Opinie

Nick Cave – Marcel van Roosmalen

Nick Cave and the Bad Seeds deden de Ziggo Dome in Amsterdam. Op de dag van het concert belde de vrouw met wie ik in een ander leven samenwoonde in een kamer van twintig vierkante meter in het centrum van Nijmegen. Met haar twee katten, waarvan de oudste een darmprobleem had. Ik kon me weinig activiteit herinneren, behalve dat we zo vaak naar de cd The Good Son luisterden, dat ik me met terugwerkende kracht kan voorstellen waarom de andere bewoners van dat pand er gek van werden.

Ze had kaarten.

„We gaan”, zei ze beslist, alsof het weer 1990 was en we ieder moment naar kelder café Gonzo konden vertrekken. Volgens mij smeerden we toen zeep in onze haren.

Ze kwam in haar Volkswagen.

Ik had om in de sfeer te blijven maar iets met veel groenten gekookt, de maaltijden hingen toen van preitaarten en bietenschotels aan elkaar. De Vriendin parkeerde de jongste op haar schoot, een gesprek voeren ging niet met twee kleine kinderen erbij. Op de fiets van mijn huis naar de Ziggo Dome. Mijn idee: ik zei dat dat het meest praktisch was.

Het regende, ik kreeg een klapband. Dat was dan nog wel steeds hetzelfde, merkte ze iets te terloops op, dat al mijn goede ideeën altijd eindigden in chaos. Ze had zich vooraf veel van de avond voorgesteld, maar niet dat we ergens tussen de weilanden bij Duivendrecht in de stromende regen met een kapotte fiets zouden staan.

Bij de ingang vonden ze haar handtas te groot, toen de woede daarover gezakt was vonden we onszelf terug op de eerste ring, tussen zeventienduizend andere ANWB-leden op stoeltjes met kussentjes. We moesten alle twee een bril op omdat we het podium anders niet konden zien.

Eigenlijk was alleen Nick Cave niet ouder geworden.

Zij moest vier keer naar de wc.

Bier kostte anderhalf muntje.

Tijdens de laatste nummers werd het podium ingenomen door oudere jongeren, die hun leeftijd van zich af probeerden te dansen. Na afloop tussen mensen die het net als wij intens en schitterend hadden gevonden. Bijna iedereen was gestopt met roken.

De volgende dag meldde ze dat pas ze om twee uur ’s nachts haar auto in de vinexwijk parkeerde, vroeger begon het toen. Ze was geen muziek meer gaan luisteren, uit respect voor man en kinderen.

Het was fijn dat we gegaan waren, vooral omdat we anders spijt hadden gehad.