Categorieën
Columns & Opinie Mensen

Ruisloos leven, zoals nu, is bij vlagen heerlijk – Wouter van Noort

Hoe langer een geluid duurt, hoe minder je het hoort. Het maakt niet uit hoe irritant het is. Een luidruchtige vliegtuigmotor, een stofzuigende huisgenoot, een buurman met een klopboor: al snel wordt het ruis waar je mee leert leven.

Maar als het rumoer stopt, merk je pas dat je er toch last van had. Als de buurman na een uur ophoudt met boren hoor je ineens de stilte, merk je dat je eigenlijk al de hele tijd met opgetrokken schouders zat, zucht je soms zelfs even van opluchting.

Zo voel ik me de laatste weken. De ruis is door de lockdown in één klap uit het leven verdwenen. Af en toe betrap ik mezelf op een rare gedachte: ik vind het bij vlagen heerlijk.

Geen misverstand: corona is een ramp. Ik heb zelf ook kokhalzend van de zorgen mijn Twitter-nieuwsfeed gelezen , en ik realiseer me heel goed dat ik geen kapper, kroegbaas of IC-patiënt ben. Natuurlijk is het een privilege om even lekker over deze situatie te filosoferen, terwijl duizenden anderen hun baan verliezen of zelfs vechten voor hun leven.

Maar des te belangrijker om juist nu de lichtpuntjes te blijven zien. Want wat als quarantaine ons óók kan leren dat geluk anders werkt dan we massaal dachten? Dat er andere wegen naar een fijn leven bestaan dan de uitgesleten olifantenpaadjes waar we met zijn allen tegelijk overheen probeerden te lopen.

Geluksonderzoekers maken onderscheid tussen twee soorten levensgeluk. De eerste is geluk in het leven: dat is het geluk dat je krijgt van zoveel mogelijk leuke activiteiten, fijne emoties, mooie gebeurtenissen, en van zo min mogelijk negatieve emoties en gebeurtenissen. Geluk in het leven is een optelsom waarbij je de slechte dingen aftrekt van de leuke dingen.

De tweede soort geluk is het geluk met je leven. Dat is hoe tevreden en vervuld je bent met het leven dat je leidt. Dat geluk komt van een dieper besef dat je leven zinvol en goed is. Dat geluk is veel moeilijker te kwantificeren.

Die twee soorten geluk hoeven niet per se samen te gaan: ouders van jonge kinderen kunnen bijvoorbeeld tegelijkertijd ongelukkig zijn ín hun leven vol slaapgebrek, maar zo zielsgelukkig mét hun leven dat ze nooit meer willen ruilen.

Geluk in je leven is een stuk moeilijker geworden in quarantaine. Geen bewegingsvrijheid, familiebezoeken, vrienden, terrassen, festivals, voetbalwedstrijden: dat is allemaal niet bepaald gunstig voor de optelsom. Maar voor de tevredenheid met je leven kan de quarantaine juist goed uitpakken.

Eén belangrijke reden: de quarantaine leert je te willen wat je hebt in plaats van te hebben wat je wilt. De maatregelen maken zo een einde aan een effect waarvan filosofen en geluksonderzoekers al eeuwen weten dat het mensen minder gelukkig maakt met hun leven: het Diderot-effect.

De Franse filosoof Denis Diderot had in de 18de eeuw een behoorlijke naam opgebouwd als schrijver, maar leefde een bescheiden leventje. Hij beschrijft in het essay ‘Treurdicht op mijn oude kamerjas’ hoe dat drastisch veranderde toen hij een cadeau kreeg waar hij in eerste instantie blij mee was: een scharlaken kamerjas. Een sjiek ding dat eigenlijk niet paste bij zijn simpele garderobe en inrichting. Zodra hij de jas aantrok werd hij ontevreden over de spullen die hij al had. Hij verving zijn oude rieten stoel voor een exemplaar van Marokkaans leer, zijn gammele bureau werd vervangen door een dure schrijftafel, gipsen beeldjes die hij van een vriend had gekregen moesten wijken voor een marmeren beeld van Venus, enzovoort. In het essay beklaagt hij zich over dat effect: „Over mijn oude kamerjas was ik de absolute heerser, maar de nieuwe heeft mij tot slaaf gemaakt.”

We moeten het door de quarantaine weer even doen met onze oude kamerjas. In die zin is het ook de ultieme test of het minimalisme dat de laatste jaren zo populair is, meer is dan een passerend lifestyle-trendje. Heeft het echt geleid tot een betekenisvolle, andere houding ten opzichte van de zucht naar gaver, groter, geiler?
Lees ook: Zes tips om veerkrachtig te blijven in tijdens van onrust.

Hoe dat ook uitpakt, zeker is dat de Japanse opruimgoeroe Marie Kondo de geesten onbedoeld rijp heeft gemaakt voor deze quarantaine. We moeten nu massaal winkelen in onze eigen kast, shoppen in ons bestaande leven, terwijl we bewuster dan ooit de vraag stellen: Does it spark joy?

En het antwoord is misschien wel verrassend vaak ja over wat nu overblijft en nee over wat nu wegvalt. Meer tijd doorbrengen met gezin? Ja. Kopjes koffie met vage nieuwe LinkedIn-contacten? Mwa. Dagelijks heen en weer naar kantoor? Hell no. Misschien is het dan ook tijd om die activiteiten op z’n Marie Kondo’s plechtig te bedanken voor hun diensten en ze vervolgens rücksichtslos weg te gooien.

Natuurlijk voelt het de laatste tijd af en toe alsof er een heel jaar is geannuleerd. 2020 gaat hoe dan ook de geschiedenisboeken in als het jaar zonder feest en vakantie. Maar ook zonder feest en vakantie blijft er veel moois over. Kunstenaar David Hockney deelde op zijn Instagram onlangs prachtige platen van bloeiende narcissen en andere bloemen in zijn Normandische tuin. „Vergeet niet dat ze de lente niet kunnen annuleren”, schreef hij erbij. „De enige echte dingen in het leven zijn eten en liefde, in die volgorde.”

Of dat voor iedereen genoeg is, is zeer de vraag – en Hockney heeft als duurste levende kunstenaar makkelijk praten. Maar hoe dan ook: de hedonistische tredmolen waarin we steeds harder moesten rennen om dezelfde kick te krijgen is piepend tot stilstand gekomen.

Niemand zou vrijwillig in quarantaine gaan. En vrijwel iedereen hoopt dat hij snel is afgelopen. We hebben even geen keuze en dat is bij vlagen onverteerbaar. Maar het fijne van keuzes moet ook weer niet worden overdreven.

Een overdaad aan keuzes leidt juist tot minder geluk, dat is de keuzeparadox waar de laatste jaren boeken over zijn volgeschreven. Een overdaad aan opties demotiveert en verlamt. Er is een beroemd experiment van de Amerikaanse universiteiten Columbia en Stanford waarbij de onderzoekers jam gingen verkopen op een markt. De ene dag kregen de bezoekers van de kraam de keuze uit zes jams, de andere uit maar liefst 24.

De tafel met 24 jams trok meer bekijks, maar daar besloot de meerderheid aan die tafel om uiteindelijk toch niks te kopen. Bij de tafel met zes jams bleef het veel rustiger, maar daar kochten veel meer mensen daadwerkelijk wat. Meer opties zijn aantrekkelijk, maar werken ook verlammend – en zorgen ervoor dat je uiteindelijk zonder jam blijft zitten.

Keuzestress was voor de coronacrisis millennial-aandoening nummer één. Veel mensen snakken er al een tijd naar dat keuzes voor hen gemaakt worden. Dat blijkt zelfs nog in quarantaine. We hebben alle tijd van de wereld en de complete bibliotheek aan menselijke creativiteit in onze handpalm, maar we kijken massaal naar The Tiger King op Netflix omdat het algoritme ons dat aanraadt. Er is geen betere remedie tegen keuzestress en fear of missing out dan quarantaine. Je mag niks, maar je mist dus ook niks.

Het KNMI bracht onlangs in een vrolijk persbericht naar buiten dat de seismische meetapparatuur van het instituut veel minder ruis opvangt dan normaal. Het stilvallen van het gebrom van de menselijke samenleving zorgde voor een ongekende rust in de data. Onderzoekers waren enthousiast: ineens konden ze allerlei kleine aardbevinkjes en aardgeluiden oppikken die normaal gesproken zouden wegvallen in het rumoer. Er opende zich een totaal nieuw onderzoeksveld.

Als ik weer eens gefrustreerd ben over de quarantaine probeer ik zo ook maar te kijken naar de lockdown. In plaats van naar de ruis kun je nu luisteren en kijken naar dingen die normaal gesproken werden overstemd. Vogels. Mooie gevels. Bloeiende narcissen voor mijn part. Ik heb nog nooit zoveel rustige stadswandelingen gemaakt als nu – en ontdek elke dag wel weer een ander pareltje in de omgeving.

Laatst kwam ik achter het bestaan van een compleet park op tien minuten van het huis waar ik al vijf jaar woon. Toen ik erover begon tegen de buren keken ze me meewarig aan dat ik het niet allang kende. Ik had geen idee.

Veel van de ruis die nu stilvalt is de ruis die afkomstig is uit ingesleten patronen en gewoontes. Sommige van mijn gewoontes waren zo dominant geworden dat mijn halve leven op de automatische piloot draaide. We zijn de laatste jaren volstrekt geconditioneerd geraakt om de hele tijd hetzelfde gedrag te vertonen: om elke vijf minuten op je smartphone te kijken, steeds weer nieuwe spullen te kopen, elke dag te forenzen naar een ver kantoor, dagelijks weer onweerstaanbare trek te krijgen in een frikadel als je op je vaste tijdstip langs het open buffet van de stationswinkels loopt. Het moderne leven hangt aan elkaar van de gewoontes, compulsies, verslavingen. Er zijn nu in elk geval minder stationsfrikadellen in mijn leven.

Het is zo: nieuwe compulsies steken net zo goed weer de kop op (hallo doordeweekse wijnfles, hallo Bol.com). Maar de grip van mijn oude patronen wordt merkbaar kleiner. Misschien keek ik wel te compulsief naar buiten. Meer, meer, meer, verder, verder, verder. Quarantaine dwingt de blik naar binnen, dichterbij, simpeler, rustiger, beperkter.

Gedragsonderzoekers hebben ooit uitgezocht dat het vormen van een nieuwe gewoonte zo’n 66 dagen duurt. Deze lockdown duurt waarschijnlijk minstens zo lang. Filosoof Charles Eisenstein noemt Covid-19 dan ook „een rehab die de verslavende greep van de normaliteit doorbreekt”.

Het onderbreken van een hardnekkige gewoonte maakt de compulsie zichtbaar. Als de quarantaine straks weer opgeheven wordt, komt vanzelf de vraag op welke routines we terug willen – en welke we liever kwijt zijn. De quarantaine maakt mensen paradoxaal genoeg vrijer. Vrijer om straks bewuster het nieuwe leven in te richten met minder ruis.

Categorieën
Columns & Opinie Mensen Wetenschap

‘Misschien zeggen we straks wel tegen elkaar: ik ga even in de coronastand’ – Interview Witte Hoogendijk

Natuurlijk brengt de coronacrisis onzekerheid en stress met zich mee. Maar psychiater Witte Hoogendijk ziet ook positieve effecten op de psyche. Want is het stiekem niet heerlijk, zo’n lege agenda?

Een tijdje geleden, het woord ‘corona’ werd nog vooral geassocieerd met bier, zat psychiater Witte Hoogendijk het archief van zijn twee jaar geleden overleden moeder uit te pluizen. ‘We lazen de brieven die ze schreef toen ze zat ondergedoken en waren verrast door de hoeveelheid heel normale dingen die daarin voorkwamen. Niemand weet hoe de komende weken en maanden eruit gaan zien, maar mensen zijn geneigd zo veel mogelijk het gewone leven te volgen, onder alle omstandigheden, ook als ze beperkte bewegingsvrijheid hebben.’

Witte Hoogendijk (1960) is hoofd van de afdeling psychiatrie bij het Erasmus MC in Rotterdam en gespecialiseerd in depressie. Op zijn kaartje staat prof. dr. W.J.G. Hoogendijk, maar ik mag Witte zeggen want we hebben samen twee boeken over de evolutionaire achtergrond van stress geschreven. We spreken elkaar telefonisch over de lessen die deze tijd ons mogelijk leert – en uiteraard over de stress die de coronacrisis teweegbrengt.

Om met dat laatste te beginnen: of je nu wel of geen last hebt van coronastress, het is in alle gevallen verstandig te stoppen met het lezen van de oeverloze stroom aan berichten die via sociale media over de wereld wordt uitgestort. Witte Hoogendijk: ‘Die vormen een stressor van jewelste, eentje waar we niet op gebouwd zijn. Problematisch is niet alleen de veelheid van de berichten, maar ook het feit dat ze ongecontroleerd zijn en je geen idee hebt wat ervan klopt. Intussen zetten ze je stressresponssysteem wel non-stop op scherp, je blijft continu alert en gespannen. Daar worden mensen op den duur horendol van.’

Maar soms lees je er toch ook wel iets zinnigs?

‘Natuurlijk. Alleen is het lastig dat in alle berichtgeving over corona geen goed onderscheid wordt gemaakt tussen epidemiologische data en casuïstiek. Als je naar de epidemiologische data kijkt, gebouwd op 100 duizend bevestigde coronapatiënten, kun je concluderen dat verreweg de meeste mensen die aan corona overlijden ouderen zijn of mensen met een lichamelijke kwetsbaarheid. Die specifieke groepen moeten dus in quarantaine blijven.

‘Voor de jongeren die aan de bedden staan zouden die epidemiologische data een geruststelling kunnen zijn. Alleen worden ze voortdurend geconfronteerd met gevalsbeschrijvingen die ‘viraal’ gaan en waarin uitgebreid beschreven wordt dat een Zuid-Koreaan de ziekte heeft overgedragen terwijl hij geen symptomen had, niet eens lichte keelpijn. En dat leidt tot paniek. Je kunt de hoeveelheid berichtgeving die je tot je neemt het best doseren – twee keer per dag – en je daarbij beperken tot de officiële bronnen, dan mis je heus niks. Ik kijk alleen naar de site van het RIVM en het NOS Journaal.’

Welke lessen leert deze tijd ons over onze psyche? Wat kunnen we ervan ‘meenemen’?

‘De eerste les lijkt me dat we minder rauwe gordeldieren dan wel besmette vleermuizen afkomstig van Chinese markten moeten eten. De tweede heeft te maken met hoe we onze dagen vullen. Wat ik veel om me heen hoor – en ook duidelijk bij mezelf bemerk – is dat mensen een enorm gevoel van opluchting ervaren bij alle dingen die nu worden afgezegd. Niet alleen op het werk, ook privé. Opeens besef je in wat voor tredmolen je normaal gesproken zit, als elke minuut van de dag wordt volgeplempt met van alles en nog wat.

‘Les drie is het gemak waarmee dingen afgezegd blijken te kunnen worden. Het gaat gewoon niet door! De belangrijkste interventie bij overspanning en burn-out is het leegmaken van de agenda, wat altijd moeilijk wordt gevonden, want alles is belangrijk. Maar de situatie van vandaag leert ons dat het gewoon kan door het te doen.’

Als straks alles weer normaal is, krijg je de rust van nu misschien als een boemerang terug, ook omdat er van alles moet worden ingehaald.

‘Ik weet niet of er zo’n enorm inhaaleffect zal zijn. Ik denk dat veel mensen de relatieve rust ook wel fijn vinden en daarom best een beetje bij zich kunnen houden – hoewel dat vermoedelijk net zo moeilijk is als het vasthouden van het vakantiegevoel. Maar je moet het wel proberen. Je ervaart nu dat het kan. Misschien zeggen we straks tegen elkaar: ik ga even in de coronastand.’

Zie je nog meer dingen die we moeten zien vast te houden?

‘De flexibiliteit. Bij allerlei oplossingen worden nu een heleboel stappen overgeslagen. Je weet elkaar snel te vinden, de lijntjes zijn kort; je ziet opeens hoe nodeloos procedureel en bureaucratisch we in het normale leven zijn. Verder de solidariteit die je om je heen ziet, een prettig soort wij-gevoel. Dat mag ook wel even voortduren.’

Heeft Rutger Bregman dan toch gelijk dat de meeste mensen deugen? Blijken we eigenlijk heel lief en goed en aardig…

‘Nee, dat denk ik niet, helaas. Je ziet nu veel altruïsme, maar zodra schaarste om de hoek komt kijken, wordt alles anders. Nu al zie je een milde vorm van egoïstisch gedrag in de vorm van hamsteren. Als die schaarste toeneemt, wordt de mens snel het beest dat hij onder zijn vernisje van sociaal gewenst gedrag is. Je hoeft alleen maar naar de mondkapjesschaarste te kijken. Onze mensen stuiten op boeven en oplichters die woekerprijzen vragen. Je kunt in deze crisis alles verwachten. Ik denk dat het een goeie testcase is voor onze samenleving hoelang we dit altruïstische gedrag overeind kunnen houden. We zullen ons heus niet allemaal als beesten gaan gedragen, maar sommigen van ons wel, dat weten we uit het verleden – en de mens is in de afgelopen decennia natuurlijk niet wezenlijk veranderd.’

Zie je dat bepaalde menstypen zich nu gemakkelijker staande houden dan andere?

‘Over het algemeen geldt dat hoe rationeler je bent, hoe beter het je afgaat. Want als je alle scenario’s goed bekijkt, kun je concluderen dat voor bijvoorbeeld een zorgverlener het risico om te overlijden aan een corona-infectie erg laag is. In het nieuws heet het dat de zorg een hoog-risicoberoep is, maar dan moet je wel bedenken dat er in de zorg veel meer wordt getest. Uit genetisch stamboomonderzoek naar het virus in het Erasmus MC blijkt dat onze besmette medewerkers het tot nu toe allemaal buiten het ziekenhuis hebben opgelopen. Rationeel blijven, dus.

‘Ook je emoties kun je op die manier te lijf gaan. Concrete angst, bijvoorbeeld voor een hoester, is prima: die maakt dat je opzijstapt. Abstractere angst, bijvoorbeeld voor wat er in de toekomst zou kunnen gaan gebeuren, kun je relativeren. De toekomst is per definitie abstract want de factor ‘tijd’ zit erin, en tijd is een abstractie. Bedenk dat het normaal is om dat soort angstgevoelens te hebben, maar besef ook dat je aan abstracte, niet tastbare zaken niets kunt doen.’

Veel mensen ervaren een gevoel van verlies van controle.

‘Ja, je stuit hier op de existentiële angst, de achtergrondangst die we elke dag allemaal onbewust hebben en waarbij we niet steeds stilstaan: dat we kunnen sterven. Onder normale omstandigheden popt die af en toe op, bijvoorbeeld bij begrafenissen; mensen moeten vaak huilen omdat ze zich inbeelden hoe het is als zíj daar liggen, of een dierbare. Maar nu slaat die existentiële angst keihard toe en hij gaat ook niet weg, hij blijft om ons heen spoken.

‘Het is om te beginnen belangrijk te erkennen dat dergelijke emoties normaal zijn. Vervolgens kun je de ratio erbij halen om te bedenken dat de kans dat je doodziek wordt hoe dan ook klein is – en áls je doodziek wordt, is er altijd nog de intensive care. Blijf je toch tobben, doe dan een gedachtenstop. Je moet daarvoor een alternatieve gedachte paraat hebben. Eerst ga je hardop piekeren, dan zeg je ‘stop’ en breng je die andere gedachte erin. Let ook op de psychologische hygiëne tegenover huisgenoten en collega’s: praat elkaar niet de put in. Zoek afleiding, ga naar buiten, verzin leuke dingen.’

We passen ons tot dusver gemakkelijk aan.

‘Mensen zijn heel adaptief. Mijn opa zat in de Tweede Wereldoorlog gevangen en ging schaakstukken maken van papier-maché. Daar heeft hij maanden in zijn eentje mee geschaakt. Overigens zijn de veranderingen die we nu om ons heen zien niet fundamenteel. We blijven communiceren, om maar wat te noemen. Voedsel is geen issue en dat wordt het vermoedelijk ook niet. Op het vlak van de primaire levensbehoeften gaat alles gewoon door.’

Belanden mensen tijdens crises als deze sneller in een depressie of psychose dan normaal?

‘Nee, eerder het tegenovergestelde. Ik heb het idee dat bij veel patiënten nu vooral een gezond deel van hun psyche wordt aangesproken, doordat er opeens concreet iets aan de hand is. Maar als de ambulante zorgverlening komt stil te vallen, zouden patiënten kunnen terugvallen of ontregelen.’

En lichtere klachten als burn-out en overspannenheid? Lopen die ook terug als er echt iets aan de hand is?

‘Te lang alert zijn kan tot gevoelens van overspannenheid leiden, dat weet iedereen die een bepaalde periode heel lange dagen maakt; je krijgt een kort lontje. Maar als het gaat om burn-outklachten die op een milde depressie lijken, met daarnaast gevoelens van uitputting en een sluimerende onvrede, waarvan vooral veel jongeren last hebben, zou het best kunnen dat we een afname gaan zien.’

Omdat mensen opeens veel minder moeten: niet meer elke ochtend vroeg uit bed, niet de hele dag hoeven presteren, geen slopende feesten meer.

‘Precies, het aantal stressoren neemt af. Als je ziet wat er allemaal wordt afgezegd, echt ongelooflijk. En dan hebben we nog niet eens een lockdown.’

Zieke mensen zeggen dat er iets troostends uitgaat van de wetenschap dat iederéén nu thuiszit.

‘Het fenomeen van fear of missing out, dat normaal enorm wordt aangewakkerd door sociale media met alle opgeklopte verwachtingen en beelden die daar geschetst worden, valt weg. De situatie is nu voor iedereen gelijk. Je mag alleen hopen dat mensen niet op sociale media gaan opscheppen over hoe fantástisch ze het thuis hebben, want dan ben je terug bij af.’

Hoe vind je dat we in Nederland over het algemeen met de coronacrisis omgaan?

‘Goed. Met veel gevoel voor humor, ik krijg het ene lollige appje na het andere. Dat is niet alleen grappig, maar breekt ook de spanning. Heel lang doodserieus zijn houd je ten eerste niet vol, en is ten tweede niet gezond. Rutte doet het ook goed, deze situatie leent zicht voor directief leiderschap: vasthouden aan genomen besluiten, totdat je ze door veranderende omstandigheden moet bijstellen.’

Een arts gooit doorgaans meteen het slechte nieuws erin. Maar onze regering bouwt het langzaam op. Is dat verstandig?

‘Toch wel, omdat dit een ongekende situatie is; men wéét ook niet hoe de ontwikkelingen zijn. Dus ik vind het wel verstandig dat ze steeds zeggen dat er verschillende scenario’s openliggen, dat het best kan zijn dat we volgende stappen moeten zetten, maar nu nog even niet.’

Deze tijd heeft wel een back-to-basicskarakter.

‘Je raakt meer doordrongen van waar het in het leven eigenlijk om gaat. Ook dat is iets om vast te houden. Net als de effecten van deze periode op het klimaat: de lucht klaart op, in Venetië zwemmen weer vissen in het kanaal. In die zin is deze coronacrisis een wake-upcall. Dat is hét experiment of nature dat nu is gedaan. Kunnen we dingen veranderen? Ja dus.’

Categorieën
Columns & Opinie Mensen Werk

Thuis werken met je familie – dat is de hel – Japke-d. Bouma

O jongens ik had er zo’n zin in – thuiswerken. De aanleiding was natuurlijk afschuwelijk, en ik ben de laatste die lichtzinnig zou doen over de coronacrisis, maar stiekem voelde ik dat ik het land weleens wat zou laten zien als we massaal gedwongen werden om thuis te werken. Dan zou binnen een week al duidelijk worden hoe heerlijk dat is en zou deze nachtmerrie uiteindelijk louter goeds opleveren – waardering voor het thuiskantoor, productieve, gelukkige, blakende, vrolijke werknemers en weg met de kantoortuin!

Daar wezen de eerste antwoorden ook op, toen ik informeerde op Twitter hoe het thuiswerken beviel. Gelukzalige foto’s van katten op toetsenborden, sokken op de bank, voeten op de kachel, honden met de kop op schoot.

Mensen die in een dag thuiswerken afkregen waar ze in de kantoortuin minstens drie weken voor nodig hadden. Mensen die voorzichtig opperden of ze, ook na de crisis, een paar vaste dagen mochten thuiswerken.

Uitgeruste kantoortijgers die niet meer elke dag anderhalf uur in de file heen en terug hoefden en zich afvroegen hoe ze dat ooit hadden volgehouden. Überhaupt minder files. Schonere lucht.

Vergaderingen die ineens in een kwartier bleken te kunnen waar vroeger minstens een uur voor stond of nog beter: een mail in plaats van een ‘mieting’. De geweldige koffie thuis, de stilte, zelfs zonder koptelefoon. „Agilefree tot april, heerlijk!” vond een lezer.

Vertedering over een teckel die blaffend door het huis rent op zoek naar de bron van de stemmen van collega’s die hij op de speaker hoort. De wasjes die je tussendoor kunt draaien. De eitjes die je kunt bakken. De badjassen. Dat je een wijntje open kunt trekken tijdens werktijd (naam bij redactie bekend). „Opvallend hoeveel mogelijk is”, schreef iemand, „als niet iedereen er eerst een plasje over hoeft te doen”.

Natuurlijk, er waren wel wat mensen die pruttelden over het overbelaste netwerk. Dat ze zich ontheemd voelden zonder kantoor. Dat ze in een ‘stand-up’ via Skype niet konden controleren of iedereen ook écht stond. Dat ze te veel snoepten en dat de iPad steeds in de boter viel. Maar die waren in de minderheid. De rest begon langzaam het licht te zien. Er waren er zelfs al die opperden om kantoortuinen om te bouwen tot woningen, ik genóót.

Maar toen begon het. Echtparen die zich aan elkaar begonnen te ergeren. Ruzie over de muismat. „Mijn man blijkt alleen maar thuis te kunnen werken met de televisie aan!” „Mijn man zegt ineens ‘we gaan het probleem platslaan’!” „Mijn man zit al vanaf 7.00 uur vanochtend onafgebroken te bellen!” Irritaties over niet-afgewassen kopjes.

„Samen thuiswerken”, schreef iemand, „hoort in het rijtje ‘samen een Ikea-kast in elkaar zetten’, ‘samen met de boot door de sluis’ en ‘samen naar een vakantieadres navigeren’.” Er waren al mensen die een belcel begonnen te timmeren in de tuin en de eerste echtscheidingen werden stiekem aangevraagd.

Maar de genadeklap kwam zondag, amper één werkdag na de afkondiging van het verplichte thuiswerken. Toen gingen de scholen dicht en veranderde de thuiswerk-utopie in een nachtmerrie.

Want met je levenspartner thuiswerken is al een ‘uitdaging’, met je héle familie is het de hel, zo bleek al heel rap. Lezers begonnen in snel tempo noodberichten te sturen.

De Duplo waar je nu nog vaker je tenen aan openscheurt. De lamlendige pubers die voor je voeten liggen. Kinderen die met stift op de muren kalken terwijl jij in je joggingbroek een scrumsessie probeert te leiden. Dat je geen porno meer kunt kijken omdat iedereen om je heen hangt.

Iemand die spullen op kantoor mocht ophalen, schreef: „Nooit gedacht dat ik zo verlangend naar mijn bureautje zou kijken. En dat na één dag thuiswerken!” „We moeten afspraken gaan maken”, schreef een ander, „want anders hangt het bloed binnen een paar dagen aan de muur”.

En zo wordt al na twee dagen verplicht met kinderen thuiswerken de tweedeling zichtbaar: mensen zonder kinderen krijgen tijdens hun thuisretraite allemaal briljante ideeën voor boeken, trainingen, kunnen uitslapen en tikken rapporten af die al maanden lagen te wachten – de ouders zijn het kind van de rekening.

Toen ik maandagavond de premier het volk zag toespreken, dacht ik dan ook: lieve Mark. Vraag álles van ons in deze sombere tijden. Vraag ons hospitalen te bouwen, dijken te verhogen, toiletpapier aan te voeren, wat dan ook. Maar vraag ons niet om thuis te werken met onze dierbaren.

Ik heb op dit moment maar één oplossing: óf alle kinderen afstaan voor adoptie, of alle ouders met speciaal verlof.

Leve het onderwijs sowieso.

Categorieën
Mensen

Ridicuul idee, een stiltecoupé in een Italiaanse trein – Jarl van der Ploeg

Iedere Nederlander die in het buitenland woont, denkt vroeg of laat dat hij veranderd is. Vaak is dat ook wel zo, alleen betreft het meestal geen blijvende verandering, zo merkte ik deze week. Het is meer zoals die steen die in een rivier terechtkomt, en tijdens zijn verblijf onder water weliswaar nat is, maar gewoon weer diezelfde, gortdroge steen blijkt zodra hij weer op het droge belandt, en de druppels van hem afdruppen.

Ik kwam tot dit filosofisch hoogstandje toen ik in de trein naar Milaan stapte en op het raam ‘Standard Silenzio’ zag staan – stiltecoupé. Dat is een fonkelnieuwe innovatie van het Italiaanse spoorwegbedrijf die met recht ridicuul te noemen is, want als er iets niet standaard is in Italië, is het wel de stilte. Dat komt door de aard van de taal – Italiaans kent een lage informatiedichtheid, waardoor veel woorden nodig zijn om relatief weinig te zeggen – maar vooral door de aard van het beestje, dat stilte verafschuwt.

Ik kan mij een Italiaanse huwelijksceremonie herinneren waar het geroezemoes zelfs tijdens het ja-woord doorging, ‘want zo’n gelukkig moment wil je toch juist met elkaar delen?’ Iedere zichzelf respecterende pizzeria heeft een televisie en ook in de meeste huiskamers mag de lokale Eva Jinek meebabbelen tijdens het diner. Niet omdat Italianen zo graag naar haar programma kijken, maar puur ter voorkoming dat het stilvalt.

Stilte is in Italië een zuiver intellectueel begrip. Geen concreet concept dat je dagelijks tegenkomt, laat staan iets dat je in stickervorm op een treindeur plakt. Erg groot was mijn verbazing dan ook niet dat zeven van de acht mensen in de stiltecoupé aan het praten waren, en ik nummer acht was.

Naast mij zat een jong gezin waarvan de moeder tussen Florence en Bologna aan een stuk door praatte, hoewel het eigenlijk meer op pruttelen leek dan op praten. Haar mond deed mij denken aan het blaasgat van een walvis, waar om de zoveel tijd nu eenmaal een pufje stoom uit moet ontsnappen, anders sterft het dier.

Uit principe weigerde ik mijn medepassagiers te wijzen op hun overtreding. De stiltecoupé bestond pas net, ze hadden bij binnenkomst allemaal vriendelijk naar mij gelachen en bovendien is de Italiaanse gave je geen snars van de regels aan te trekken juist de reden dat dit land mij zo trekt. In Nederlandse stiltecoupés walgde ik altijd van die klikgrage burgermannen die met een totaal misplaatste trots moeders tot stilte maanden omdat hun kind wat lag te murmelen. In zo’n land wil ik niet wonen, dacht ik altijd.

Maar hier, in deze trein tussen Rome en Milaan, in dit land der blinden, bleek ik opeens koning Eenoog. In dit gezelschap was ik opeens die rigide fatsoensrakker die continu de neiging voelde ‘ssst’ te roepen.

Ik zat in een stiltecoupé waar iedereen gelukkig leek, maar niemand zijn mond hield, behalve dan die ene chagrijnige Hollander die zichzelf zat te verbijten omdat alle anderen lachten en met hun kinderen speelden en hij, stijve sukkelaar, daarom niet efficiënt kon werken. Ik was precies zoals die natte steen onder water, die van binnen altijd droog blijft, hoe lang hij ook in de vijver ligt.

Ik kreeg zin om hardop te vloeken, maar hield uiteindelijk netjes mijn mond.

Categorieën
Mensen

Reis met de trein en je ziet premium- en budgetmensen – Arjen van Veelen

Sinds kort behoor ik tot een Geheim Genootschap van Nederlanders die weten waarom er aan de buitenkant van sommige treinstellen een dunne blauwe streep loopt. Het is geen mysterie of staatsgeheim, maar dat streepje geeft aan waar je de eersteklascoupés kunt vinden. Het lijntje is zo subtiel, dat ik het pas zie sinds ik zelf eersteklas reis.

Begin dit jaar trakteerde ik mijzelf op een eersteklas Dal Vrij Abonnement.

Ik had een upgrade verdiend, vond ik, want mijn boek had goed verkocht. Bovendien viel de prijs echt mee: voor 134 euro per maand had ik al een zetel te midden van notabelen. Alleen buiten de spits, maar dat leek me juist een voordeel (over de spits hoor ik enkel horrorverhalen). In de eersteklas kon ik bovendien heerlijk lezen en schrijven, redeneerde ik: voor een prikkie huurde ik in feite een flexibele werkplek.

Allemaal calvinistische zelfrechtvaardiging voor wat gewoon een statussprongetje was, hoor. Aanvankelijk zat ik in mijn eersteklasfauteuil vooral voldaan na te hijgen van mijn klimpartij op de sociale ladder. Laat mijn premiumleven maar beginnen, jongens.

Nou ja, premium…. Het meest spectaculaire privilege van de eerste klas, leerde ik, is het hendeltje waarmee je je stoel kunt laten zakken alsof je op een trans-Atlantische vlucht zit. Dat is eigenlijk alles. Oké, iets meer ruimte, meer kans op een zitplek. Maar verder gewoon dezelfde wifi en dezelfde wc als de tweede klas (en exact dezelfde vertraging). Zelfs geen gordijntje tussen jou en het plebs.

Vroeger zat je in de eersteklas op pluche; arbeiders zaten op hout. Nu verschilt alleen de kleur van de stoel en het cijfer 1 of 2. De NS gumt de verschillen trouwens nog verder uit. Bijvoorbeeld met de klassenwisselservice: een app waarmee je last minute, zelfs in de trein nog, kunt beslissen dat je sociaal wilt stijgen, als een soort flex-elite.

Wat zijn we toch een heerlijk egalitair landje, zou je zeggen, waar je sociaal kunt stijgen via een appje.

Nederland kent geen bergen, geen hiërarchie en dus ook in de trein geen grote verschillen tussen plebs en happy few. Slechts een blauwe streep.

Maar dat zou helemaal de verkeerde conclusie zijn, weet ik nu. Ten eerste is onze samenleving niet echt egalitair. En ten tweede is dat subtiele blauwe lijntje veel scherper, veel vileiner dan ik dacht.

In mijn vorige leven als miserabele tweedeklasser, nog geen jaar geleden dus, liep ik meestal zo vlug mogelijk door het gangpad van die eersteklascoupés heen. Ik voelde me er ongemakkelijk. Het zat ’m niet in de kleur van de stoelen. Waarin wel?

In de eerste klas, daar zaten andere mensen, met gewichtige lichamen, die ze louter omwille van het landsbelang verplaatsten. Bestuurders, consultants, professoren. Pakken. Ze leken immer declarabel, staarden nooit zomaar uit het raam; ze zochten nieuwe horizonten. In de tweedeklas, daar zaten de mensen die maar wat aanklooiden in het leven, miserabelen zonder plan – onder wie ik.

En dan waren er de blikken. De manier waarop andere mensen vanuit hun zetels even opkeken, licht verstoord dat ze werden gestoord bij het redden van het land – hoe ze je dan peilden: hoor jij hier wel? Kaartjescontrole met hun ogen.

En nee ik hoorde er niet, toen niet. Maar het rare is dat dit gevoel van ongemak nog een poosje aanhield, zelfs nadat ik een eersteklasabonnement had gekocht.

Hieruit concludeer ik dat het verschil tussen de klassen niet zozeer de luxe is of de beschikbaarheid van zitplaatsen; het is een psychologische barrière.

Je voelt je er thuis of juist niet.

Je kijkt of je wordt bekeken.

Zo werkt het denk ik met standsverschil in ons land. We zijn geen India en zelfs geen Engeland, nee, maar verschil is er zeker.

Klasse is hier geen kwestie van geld, maar van weggekeken worden. Zo had het altijd gevoeld, ook buiten de trein, op alle plekken waar je niet hoorde: niet als een muur, maar als de blik van de verkopers wanneer je op oude sneakers een Louis Vuitton-zaak zou binnenlopen, of een deftig restaurant. Niemand houdt je tegen, niemand stuurt je weg; nee, veel erger: na een paar van die monsterende blikken trek je zélf de conclusie. Ik hoor hier niet.

Sociale zelfcensuur kan venijnig zijn. Toen ik 17 was overwoog ik om naar het University College te gaan, een opleiding die – denk ik nu – mij op het lijf geschreven was geweest en precies even duur als eender welke studie. Maar ik dacht: te elitair, ander slag mensen, ik hoor hier niet.

Klassenverschil is in ons land minder een kwestie van centen; de voornaamste indicator is deze: hebben je ouders een universiteitsdiploma of niet?

Zijn ze wereldwijs? Dat is een subtiele kwestie van kennis, omgangsvormen, weten wanneer je welke vork moet pakken. En van ongrijpbare, onmeetbare zaken zoals je ergens al dan niet senang voelen of het al dan niet vanzelfsprekend vinden dat de hele wereld voor jou is weggelegd.

Onze oudste gaat binnenkort naar de basisschool. Nu bestaan er in Rotterdam goede en slechte scholen, officieel allemaal even duur, voor iedereen toegankelijk, een notaris verricht de lotingen – toch stroomt de ene school vol met eersteklaskindjes en de tweede school met tweedeklaskindjes. Rara, hoe kan dat? Door een blik, een knikje, een verstandhouding tijdens de open dagen. Door mensen zich juist wel of juist niet senang te laten voelen. Wegkijken. Sociale zelfcensuur.

Inmiddels zit ik zelf trouwens ook te loeren of mensen die mijn coupé binnen komen er wel eersteklasse-achtig uitzien. Want ja, zo gaat het, merk ik. In het begin vond ik het nog leuk om onderuitgezakt een verfomfaaid boek te lezen, mensen op het verkeerde been zetten. Nu kijk ik zelf naar mensen met hoodies, mensen zonder werktas zijn verdacht.

Loop ik nu de trein uit, de echte wereld in, dan is het even wennen. Ik eis alle egards, ik wil valet parking voor mijn fiets, hallo, zien jullie niet dat ik een A-mens ben?

De eersteklas heeft me nu al veranderd. Niet per se ten goede. Ook hieruit maak ik op dat het verschil tussen de klassen veel meer is dan de kleur van de stoelen.

Als de conducteur omroept dat B-mensen vanwege drukte bij ons A-mensen mogen zitten, voelt het alsof hij mijn zuurverdiende Mercedes E-klasse met een vingerknip terugtovert in een Opel Astra. Want zoals de meeste eersteklassers meen ik récht te hebben op mijn plek, want ik werk er keihard voor.

Dat geloof is een rechtstreeks gevolg van de mythe dat Nederland een plat land vol tulpen en gelijke kansen is. Ga maar na: als iedereen dezelfde startpositie heeft, dan is succes inderdaad jouw eigen verdienste. Maar voor zover dat land al bestond, is het onmiskenbaar aan het veranderen.

Dat merk je vooral als je de trein verlaat, de poortjes door. Daar zie je over de hele linie een tweedeling tussen A-mensen en B-mensen. Rotterdam, bijvoorbeeld, was drie jaar geleden nog een open stad; nu een vesting waar paupers worden weggejaagd en intussen volop luxe appartementen verrijzen. Het gaat heel rap. Het aantal daklozen is de laatste tien jaar verdubbeld. De middenklasse krimpt, de extremen nemen toe.

Het scherpst zie je het in het onderwijs. De kansenongelijkheid is er de afgelopen tien jaar verdubbeld, schreef NRC vorig jaar. Het diploma van papa en mama bepaalt steeds vaker het succes van het kind; niet diens hersens of inzet.

Hoogopgeleide powerkoppels baren premiumkinderen die klaargestoomd worden voor premiumlevens. Als ze te dom zijn, is er wel een dure examencoach om dat schandelijke vmbo-advies weg te masseren. Laatst zag ik een basisschool in Rotterdam die liefst 1.758,48 euro schoolgeld per jaar rekent.

Dus hoezo egalitair land? Toch hebben we het hier zelden over klasse.

Zelden hoor je iemand pleiten voor de invoering van een quotum voor werknemers wier ouders niet gestudeerd hebben. Zelden hoor je zeggen: misschien moeten we ook een bepaald percentage mensen van eenvoudige komaf hebben.

We lijken er blind voor. Klassenblind.

Klasse ís ook moeilijker te zien, natuurlijk. Letterlijk. Aan een groepsfoto zie je relatief makkelijk wie er een kleur heeft en wie er vrouw is. Niet wier papa of mama gestudeerd heeft. Arme mensen hebben nu gouden tanden, elitekindjes dragen hoodies: het staat niet op je hoofd geschreven of je al dan niet een kruiwagen had.

Maar dat is geen excuus. Vaak wíllen we het verschil niet zien, terwijl het wel helder is. Zoals in de trein, waar duidelijk staat aangegeven: deze coupé is voor de eentjes en deze is voor de tweetjes. Stel je voor dat we treincoupés zouden hebben met een W voor witte mensen of een M voor alleen mannen…. Maar de coupés voor premiummensen en budgetmensen vinden we heel logisch.

We hebben het terecht over manspreading in de trein; maar laten we het ook eens over de klassenmaatschappij hebben. Maar de eersteklascoupé is een Zwarte Piet-kwestie waar we over zwijgen.

‘Ja hallo, het gaat hier niet om een verschil in klasse, hooguit kun je kiezen voor wat extra comfort’, hoor ik al tegensputteren. Of ‘Zeg, ik koop vooral een eersteklaskaartje omdat ik dan kan zítten in de trein, ik moet gewoon werken.’ Of: ‘De vergelijking gaat echt niet op hoor, want met je huidskleur en met je geslacht word je nu eenmaal geboren, een eersteklaskaartje kan iedereen kopen.’

Comfort is ons eufemisme voor klasse. Want het is natuurlijk flauwekul dat iedereen eersteklas kan reizen. Eén op de drie huishoudens is niet eens in staat om de twee duurste spullen in huis te vervangen als ze stukgaan, aldus het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting.

De echte miserabelen vind je überhaupt niet in de trein. De prijzen van treinkaartjes zijn de afgelopen tien jaar namelijk twee keer zo hard gestegen als de inflatie. Dat komt door het blinde geloof in de Heilige Markt, en door dat vermaledijde neoliberalisme. In elk geval komt de stijging bij ons níét door een beter product. Integendeel. De treinen zijn veel voller.

Die prijsstijgingen moet je dus niet bagatelliseren. Denk aan Chili, een welvarend land waar mensen de straat opgingen nadat een metrokaartje in prijs steeg. Met 4 eurocent.

Sinds ik eersteklas reis, denk ik vaak aan de cultfilm Snowpiercer uit 2013, over een trein die eeuwig rondjes rijdt in een apocalyptisch sneeuwlandschap. Aan boord is een extreem verschil tussen eerste en laatste klassen. Revolutie volgt.

In mijn premiumcoupé zie ik steeds vaker tweedeklassers noodgedwongen staan naast lege eersteklasstoelen. Af en toe gaat zo’n budgetmens brutaalweg zitten.

Dreigt er ook bij ons een opstand? Wel als we blijven doen alsof er geen verschil is.

De laatste jaren gaan er regelmatig stemmen op om de eersteklas af te schaffen. Want ‘er is toch nauwelijks meer verschil’ en zo schep je extra zitplekken. Of de klassen zijn, zoals een NRC-lezer een paar jaar geleden schreef, een „relict uit onze negentiende-eeuwse klassenmaatschappij”, toen de trein nog een een soort rollende afspiegeling was van de maatschappij.

Maar zoals ik heb gemerkt zijn er dus wel degelijk grote verschillen tussen de klassen.

En je zou het evengoed kunnen omdraaien: die groeiende standsverschillen typeert onze tijd juist perfect.

Interessant weetje: de eersteklas werd al eens afgeschaft. Tot het jaar 1956 had je namelijk drie klassen. Toen de eerste werd afgeschaft – die van het pluche – schoven de andere twee door. De huidige eersteklas is dus eigenlijk de tweede.

Mijn voorstel zou zijn om die derde klasse weer in te voeren. Maak van de eerste klasse weer een echte luxecoupé. Zoals in de tijden van de Rheingold en de Oriënt-Express. Ik zie pluchen stoelen voor me en barrijtuigen met gouden kranen en pianisten. Met aan de zijkant van elk rijtuig een dikke, koninklijk blauwe streep.

In de eerste plaats schept dat duidelijkheid. Verder geeft het de onderklasse echte luxe om naar te streven. Maar vooral: zo wordt de trein weer echt een afspiegeling van de maatschappij, waar de standsverschillen weer toegroeien naar die uit de tijd van de stoomtrein.