Categorieën
Columns & Opinie Mensen

Waarom jongeren minder lezen – Charlotte Remarque

Ik ben 22. Ik ben omringd door jonge, slimme mensen, die academisch zijn of worden geschoold. Geen natuurkundigen of ingenieurs, maar mensen die een culturele studie doen, ambities hebben in de ‘creatieve sector’, die historisch en filosofisch zijn aangelegd. Boekenwurmen, zou je denken. Maar lezen lijken ze nauwelijks te doen, en nagenoeg geen van hen leest romans. Hoe komt dat?

Een vaak geopperde reden is de digitalisering van vermaak. De trek van het blauwe licht. Mensen van mijn leeftijd zouden een beperkte aandachtsspanne hebben en zich niet kunnen concentreren op iets langers dan een filmpje op TikTok (30 seconden), of een aflevering van bingeable series als Modern Family (20 minuten). Daar is ongetwijfeld iets van waar. Onze breinen zijn door het smartphonescherm geconditioneerd geraakt om snelle prikkels op te schrokken als waren het snoepjes. Boeken zijn in die visie het entertainmentequivalent van een vezelrijke maaltijdsalade. De wilskracht die nodig is om niet voor de snoepjes te kiezen is immens. Dit is het cynische, technofobe argument. Ik ben het er niet mee oneens, maar vind het niet toereikend.

Dan is er het argument dat ik vooral hoor van de generatie onder mij, mijn broertje van 16 (generatie Z): dat veel Netflixseries inmiddels beter zijn dan boeken. Die series vertellen óók een verhaal, maar dan met alle toeters en bellen van een visueel medium. Hier valt ook niet over te twisten. Televisieseries zijn geen dom entertainment. Zeker sinds streamingdiensten hele seizoenen tegelijk online zetten, bootsen ze steeds meer de vertelvorm van de roman na. Het is salonfähig geworden te zeggen dat Breaking Bad de nieuwe Misdaad en straf is. Series hoeven niet, zoals vroeger, iedere week de kijker te herinneren aan het plot. Ze zijn makkelijk terug te kijken. Ze kunnen daardoor grootse verhalen vertellen, net als romans dat kunnen.

Maar waar de tieners van nu veel vaker het boek zonder schaamte links laten liggen, zit dat anders met millennials (grofweg: de twintigers en dertigers). Die willen nog wel lezen. Of ze vinden dat ze het eigenlijk wel zouden moeten. In ieder geval willen ze lezend worden gezien.

De esthetiek van het lezen is in onze cultuur alomtegenwoordig. Dagelijks zie ik op mijn Instagramfeed taferelen ter viering van de literatuur: een Penguin-pocket van Pride and Prejudice naast een latte macchiato, een overvolle tweedehandsboekenwinkel in Parijs waar een meisje met een nonchalante paardenstaart de flaptekst van Ulysses bestudeert. Op straat zie ik ostentatieve ruilboekenkastjes, linnen tassen met I like big books and I cannot lie. Lezen is uit, maar boeken zijn in. Het scherm trekt, maar we verafgoden het boek nog steeds, misschien wel meer dan ooit. We hebben het gevoel dat lezen belangrijk is, dat er van alles is dat we gelezen moeten hebben.

Bildung

Ik vroeg een vrouw die al dertig jaar in het boekenvak werkt wat ik nou moest hebben gelezen. Verontwaardigd keek ze me aan. ‘Wat je moet hebben gelezen? Niks, als je maar niet stopt met lezen.’

Ze vertelde dat je pas écht een intellectuele ontwikkeling doormaakt als je jarenlang romannetjes ligt te lezen in je studentenkamer. Maakt niet uit wat, gewoon, wat je leuk vindt. ‘Als je maar gestaag doorleest, kom je alles wel een beetje tegen. Onopgemerkt telt het bij elkaar op en word je steeds meer mens. Dat noemen we dan bildung. Bedank me maar over dertig jaar.’

Leuk en aardig, dacht ik. Maar wat kan ik lezen om nu resultaat te zien? Waar kan ik jarenlange gestage menswording op mijn cv zetten? Ik heb helemaal geen tijd voor bildung.

Misschien is dit de crux, hét verschil met vroeger, met haar generatie: dat wij het boek niet meer beschouwen als bron van vermaak, maar bovenal als middel tot een doel. Informatie. Eruditie. Reputatie.

Een studiegenoot van mij houdt al jaren vol dat fictie tijdverspilling is. Met non-fictie ligt het anders, volgens hem. Daar léér je tenminste iets van. Jarenlang legde hij zichzelf een houterig geschreven wereldgeschiedenis op. Die zeulde hij mee van café naar college naar studentenkamer. Erin lezen deed hij niet, dat ding was onleesbaar. Zijn kennis nam niet toe; het enige wat toenam was zijn schuldgevoel.

Snel en optimaal

Daar zit het euvel. Mijn generatie is gefixeerd op het optimaliseren van tijd. Productiviteit, of op zijn minst het streven naar productiviteit, is deze cv-oppoetsende, stagelopende burn-outgeneratie eigen. Waar die mentaliteit vandaan komt, daarover kun je boeken vol speculeren. Bindend studieadvies, de wedloop die de freelancewereld met zich meebrengt, een onverbiddelijke arbeids- en woningmarkt, of toch gewoon weer smartphoneschermpjes. De druk is hoog om iedere minuut nuttig in te vullen.

De gamification die we kennen van stappentellers en productiviteitsapps is ook richting het lezen gewoekerd. Op een e-reader staat onderin hoelang het nog duurt tot je het boek uit hebt, als een routebeschrijving. ‘Tijd tot einde hoofdstuk: 12 minuten. Tijd tot einde boek: 4 uur en 28 minuten.’ Het instinct om te winnen neemt je over en je gaat jakkeren – van die 4 uur en 28 minuten kunnen we wel wat afschaven! Advertenties voor luisterboek-apps spelen in op de schaarste van tijd: luister een hoofdstuk terwijl je strijkt, forenst of hardloopt. Vergeet niet de reclames voor speed reading-cursussen die je overal tegenkomt. 70 woorden per minuut? Daar kunnen we 120 van maken.

Het lezen moet niet alleen snel, het boek zelf moet ook optimaal zijn. Aan de bestsellerlijsten kun je aflezen wat de jonge, slimme lezer nog trekt: Yuval Harari, Rutger Bregman. Aan de ene kant sterft boekensnobisme uit en aan de andere kant vinden we het belangrijk om geïnformeerd over te komen. De zucht naar het informatiefste boek dempt logischerwijs de interesse in fictie, waarvan de toegevoegde waarde niet onmiddellijk helder is. We willen niet stukje bij beetje mens worden, we willen de geschiedenis van de mensheid in één keer kunnen kopen.

Angsten

De boeken spelen in op de angsten van deze generatie. Ze bieden een one-stop shop voor al onze behoeften, voor de jonge intellectueel die geen tijd heeft voor bildung: het wereldbeeldverschuivende, allesbevattende non-fictieboek dat je gelezen móét hebben. Ik heb niets tegen dit soort boeken, maar de taal (Everything you need to know about… This will change your entire view on…) en de marketing spelen bewust of onbewust in op de behoefte om van lezen een productieve activiteit te maken. Dat geldt ook voor de vliegveldbestseller over not giving a fuck, de optimalisatiegoeroes achter Flow, The Power of Habit en zelfs Jordan Peterson – het zijn boeken voor deze tijd, omdat ze beloven om in één klap je leven te veranderen. Populaire wetenschap is zelfhulp met andere middelen. Als we bij de voedselmetafoor blijven, zijn dit de proteïneshakes van de boekenwereld. Koken of kauwen hoeft niet, voedingswaarde is gegarandeerd.

Deze houding tegenover leven en lezen – dat er een optimale, efficiënte manier is om het te doen – roeit veel meer uit dan alleen fictie. Het maakt van ieder boek een moetje, een kans om jezelf te verbeteren en om het meeste uit je tijd te halen. Kunst om de kunst delft het onderspit wanneer optimalisatie het hoogste doel is. Terwijl er uit lezen zo veel plezier te halen is. Ergens denk ik dat we ons dat nog kunnen herinneren. Maar dan moeten we wel eerst berusten in het idee dat niet iedere seconde telt.

Categorieën
Columns & Opinie Mensen

Ruisloos leven, zoals nu, is bij vlagen heerlijk – Wouter van Noort

Hoe langer een geluid duurt, hoe minder je het hoort. Het maakt niet uit hoe irritant het is. Een luidruchtige vliegtuigmotor, een stofzuigende huisgenoot, een buurman met een klopboor: al snel wordt het ruis waar je mee leert leven.

Maar als het rumoer stopt, merk je pas dat je er toch last van had. Als de buurman na een uur ophoudt met boren hoor je ineens de stilte, merk je dat je eigenlijk al de hele tijd met opgetrokken schouders zat, zucht je soms zelfs even van opluchting.

Zo voel ik me de laatste weken. De ruis is door de lockdown in één klap uit het leven verdwenen. Af en toe betrap ik mezelf op een rare gedachte: ik vind het bij vlagen heerlijk.

Geen misverstand: corona is een ramp. Ik heb zelf ook kokhalzend van de zorgen mijn Twitter-nieuwsfeed gelezen , en ik realiseer me heel goed dat ik geen kapper, kroegbaas of IC-patiënt ben. Natuurlijk is het een privilege om even lekker over deze situatie te filosoferen, terwijl duizenden anderen hun baan verliezen of zelfs vechten voor hun leven.

Maar des te belangrijker om juist nu de lichtpuntjes te blijven zien. Want wat als quarantaine ons óók kan leren dat geluk anders werkt dan we massaal dachten? Dat er andere wegen naar een fijn leven bestaan dan de uitgesleten olifantenpaadjes waar we met zijn allen tegelijk overheen probeerden te lopen.

Geluksonderzoekers maken onderscheid tussen twee soorten levensgeluk. De eerste is geluk in het leven: dat is het geluk dat je krijgt van zoveel mogelijk leuke activiteiten, fijne emoties, mooie gebeurtenissen, en van zo min mogelijk negatieve emoties en gebeurtenissen. Geluk in het leven is een optelsom waarbij je de slechte dingen aftrekt van de leuke dingen.

De tweede soort geluk is het geluk met je leven. Dat is hoe tevreden en vervuld je bent met het leven dat je leidt. Dat geluk komt van een dieper besef dat je leven zinvol en goed is. Dat geluk is veel moeilijker te kwantificeren.

Die twee soorten geluk hoeven niet per se samen te gaan: ouders van jonge kinderen kunnen bijvoorbeeld tegelijkertijd ongelukkig zijn ín hun leven vol slaapgebrek, maar zo zielsgelukkig mét hun leven dat ze nooit meer willen ruilen.

Geluk in je leven is een stuk moeilijker geworden in quarantaine. Geen bewegingsvrijheid, familiebezoeken, vrienden, terrassen, festivals, voetbalwedstrijden: dat is allemaal niet bepaald gunstig voor de optelsom. Maar voor de tevredenheid met je leven kan de quarantaine juist goed uitpakken.

Eén belangrijke reden: de quarantaine leert je te willen wat je hebt in plaats van te hebben wat je wilt. De maatregelen maken zo een einde aan een effect waarvan filosofen en geluksonderzoekers al eeuwen weten dat het mensen minder gelukkig maakt met hun leven: het Diderot-effect.

De Franse filosoof Denis Diderot had in de 18de eeuw een behoorlijke naam opgebouwd als schrijver, maar leefde een bescheiden leventje. Hij beschrijft in het essay ‘Treurdicht op mijn oude kamerjas’ hoe dat drastisch veranderde toen hij een cadeau kreeg waar hij in eerste instantie blij mee was: een scharlaken kamerjas. Een sjiek ding dat eigenlijk niet paste bij zijn simpele garderobe en inrichting. Zodra hij de jas aantrok werd hij ontevreden over de spullen die hij al had. Hij verving zijn oude rieten stoel voor een exemplaar van Marokkaans leer, zijn gammele bureau werd vervangen door een dure schrijftafel, gipsen beeldjes die hij van een vriend had gekregen moesten wijken voor een marmeren beeld van Venus, enzovoort. In het essay beklaagt hij zich over dat effect: „Over mijn oude kamerjas was ik de absolute heerser, maar de nieuwe heeft mij tot slaaf gemaakt.”

We moeten het door de quarantaine weer even doen met onze oude kamerjas. In die zin is het ook de ultieme test of het minimalisme dat de laatste jaren zo populair is, meer is dan een passerend lifestyle-trendje. Heeft het echt geleid tot een betekenisvolle, andere houding ten opzichte van de zucht naar gaver, groter, geiler?
Lees ook: Zes tips om veerkrachtig te blijven in tijdens van onrust.

Hoe dat ook uitpakt, zeker is dat de Japanse opruimgoeroe Marie Kondo de geesten onbedoeld rijp heeft gemaakt voor deze quarantaine. We moeten nu massaal winkelen in onze eigen kast, shoppen in ons bestaande leven, terwijl we bewuster dan ooit de vraag stellen: Does it spark joy?

En het antwoord is misschien wel verrassend vaak ja over wat nu overblijft en nee over wat nu wegvalt. Meer tijd doorbrengen met gezin? Ja. Kopjes koffie met vage nieuwe LinkedIn-contacten? Mwa. Dagelijks heen en weer naar kantoor? Hell no. Misschien is het dan ook tijd om die activiteiten op z’n Marie Kondo’s plechtig te bedanken voor hun diensten en ze vervolgens rücksichtslos weg te gooien.

Natuurlijk voelt het de laatste tijd af en toe alsof er een heel jaar is geannuleerd. 2020 gaat hoe dan ook de geschiedenisboeken in als het jaar zonder feest en vakantie. Maar ook zonder feest en vakantie blijft er veel moois over. Kunstenaar David Hockney deelde op zijn Instagram onlangs prachtige platen van bloeiende narcissen en andere bloemen in zijn Normandische tuin. „Vergeet niet dat ze de lente niet kunnen annuleren”, schreef hij erbij. „De enige echte dingen in het leven zijn eten en liefde, in die volgorde.”

Of dat voor iedereen genoeg is, is zeer de vraag – en Hockney heeft als duurste levende kunstenaar makkelijk praten. Maar hoe dan ook: de hedonistische tredmolen waarin we steeds harder moesten rennen om dezelfde kick te krijgen is piepend tot stilstand gekomen.

Niemand zou vrijwillig in quarantaine gaan. En vrijwel iedereen hoopt dat hij snel is afgelopen. We hebben even geen keuze en dat is bij vlagen onverteerbaar. Maar het fijne van keuzes moet ook weer niet worden overdreven.

Een overdaad aan keuzes leidt juist tot minder geluk, dat is de keuzeparadox waar de laatste jaren boeken over zijn volgeschreven. Een overdaad aan opties demotiveert en verlamt. Er is een beroemd experiment van de Amerikaanse universiteiten Columbia en Stanford waarbij de onderzoekers jam gingen verkopen op een markt. De ene dag kregen de bezoekers van de kraam de keuze uit zes jams, de andere uit maar liefst 24.

De tafel met 24 jams trok meer bekijks, maar daar besloot de meerderheid aan die tafel om uiteindelijk toch niks te kopen. Bij de tafel met zes jams bleef het veel rustiger, maar daar kochten veel meer mensen daadwerkelijk wat. Meer opties zijn aantrekkelijk, maar werken ook verlammend – en zorgen ervoor dat je uiteindelijk zonder jam blijft zitten.

Keuzestress was voor de coronacrisis millennial-aandoening nummer één. Veel mensen snakken er al een tijd naar dat keuzes voor hen gemaakt worden. Dat blijkt zelfs nog in quarantaine. We hebben alle tijd van de wereld en de complete bibliotheek aan menselijke creativiteit in onze handpalm, maar we kijken massaal naar The Tiger King op Netflix omdat het algoritme ons dat aanraadt. Er is geen betere remedie tegen keuzestress en fear of missing out dan quarantaine. Je mag niks, maar je mist dus ook niks.

Het KNMI bracht onlangs in een vrolijk persbericht naar buiten dat de seismische meetapparatuur van het instituut veel minder ruis opvangt dan normaal. Het stilvallen van het gebrom van de menselijke samenleving zorgde voor een ongekende rust in de data. Onderzoekers waren enthousiast: ineens konden ze allerlei kleine aardbevinkjes en aardgeluiden oppikken die normaal gesproken zouden wegvallen in het rumoer. Er opende zich een totaal nieuw onderzoeksveld.

Als ik weer eens gefrustreerd ben over de quarantaine probeer ik zo ook maar te kijken naar de lockdown. In plaats van naar de ruis kun je nu luisteren en kijken naar dingen die normaal gesproken werden overstemd. Vogels. Mooie gevels. Bloeiende narcissen voor mijn part. Ik heb nog nooit zoveel rustige stadswandelingen gemaakt als nu – en ontdek elke dag wel weer een ander pareltje in de omgeving.

Laatst kwam ik achter het bestaan van een compleet park op tien minuten van het huis waar ik al vijf jaar woon. Toen ik erover begon tegen de buren keken ze me meewarig aan dat ik het niet allang kende. Ik had geen idee.

Veel van de ruis die nu stilvalt is de ruis die afkomstig is uit ingesleten patronen en gewoontes. Sommige van mijn gewoontes waren zo dominant geworden dat mijn halve leven op de automatische piloot draaide. We zijn de laatste jaren volstrekt geconditioneerd geraakt om de hele tijd hetzelfde gedrag te vertonen: om elke vijf minuten op je smartphone te kijken, steeds weer nieuwe spullen te kopen, elke dag te forenzen naar een ver kantoor, dagelijks weer onweerstaanbare trek te krijgen in een frikadel als je op je vaste tijdstip langs het open buffet van de stationswinkels loopt. Het moderne leven hangt aan elkaar van de gewoontes, compulsies, verslavingen. Er zijn nu in elk geval minder stationsfrikadellen in mijn leven.

Het is zo: nieuwe compulsies steken net zo goed weer de kop op (hallo doordeweekse wijnfles, hallo Bol.com). Maar de grip van mijn oude patronen wordt merkbaar kleiner. Misschien keek ik wel te compulsief naar buiten. Meer, meer, meer, verder, verder, verder. Quarantaine dwingt de blik naar binnen, dichterbij, simpeler, rustiger, beperkter.

Gedragsonderzoekers hebben ooit uitgezocht dat het vormen van een nieuwe gewoonte zo’n 66 dagen duurt. Deze lockdown duurt waarschijnlijk minstens zo lang. Filosoof Charles Eisenstein noemt Covid-19 dan ook „een rehab die de verslavende greep van de normaliteit doorbreekt”.

Het onderbreken van een hardnekkige gewoonte maakt de compulsie zichtbaar. Als de quarantaine straks weer opgeheven wordt, komt vanzelf de vraag op welke routines we terug willen – en welke we liever kwijt zijn. De quarantaine maakt mensen paradoxaal genoeg vrijer. Vrijer om straks bewuster het nieuwe leven in te richten met minder ruis.

Categorieën
Columns & Opinie Mensen Wetenschap

‘Misschien zeggen we straks wel tegen elkaar: ik ga even in de coronastand’ – Interview Witte Hoogendijk

Natuurlijk brengt de coronacrisis onzekerheid en stress met zich mee. Maar psychiater Witte Hoogendijk ziet ook positieve effecten op de psyche. Want is het stiekem niet heerlijk, zo’n lege agenda?

Een tijdje geleden, het woord ‘corona’ werd nog vooral geassocieerd met bier, zat psychiater Witte Hoogendijk het archief van zijn twee jaar geleden overleden moeder uit te pluizen. ‘We lazen de brieven die ze schreef toen ze zat ondergedoken en waren verrast door de hoeveelheid heel normale dingen die daarin voorkwamen. Niemand weet hoe de komende weken en maanden eruit gaan zien, maar mensen zijn geneigd zo veel mogelijk het gewone leven te volgen, onder alle omstandigheden, ook als ze beperkte bewegingsvrijheid hebben.’

Witte Hoogendijk (1960) is hoofd van de afdeling psychiatrie bij het Erasmus MC in Rotterdam en gespecialiseerd in depressie. Op zijn kaartje staat prof. dr. W.J.G. Hoogendijk, maar ik mag Witte zeggen want we hebben samen twee boeken over de evolutionaire achtergrond van stress geschreven. We spreken elkaar telefonisch over de lessen die deze tijd ons mogelijk leert – en uiteraard over de stress die de coronacrisis teweegbrengt.

Om met dat laatste te beginnen: of je nu wel of geen last hebt van coronastress, het is in alle gevallen verstandig te stoppen met het lezen van de oeverloze stroom aan berichten die via sociale media over de wereld wordt uitgestort. Witte Hoogendijk: ‘Die vormen een stressor van jewelste, eentje waar we niet op gebouwd zijn. Problematisch is niet alleen de veelheid van de berichten, maar ook het feit dat ze ongecontroleerd zijn en je geen idee hebt wat ervan klopt. Intussen zetten ze je stressresponssysteem wel non-stop op scherp, je blijft continu alert en gespannen. Daar worden mensen op den duur horendol van.’

Maar soms lees je er toch ook wel iets zinnigs?

‘Natuurlijk. Alleen is het lastig dat in alle berichtgeving over corona geen goed onderscheid wordt gemaakt tussen epidemiologische data en casuïstiek. Als je naar de epidemiologische data kijkt, gebouwd op 100 duizend bevestigde coronapatiënten, kun je concluderen dat verreweg de meeste mensen die aan corona overlijden ouderen zijn of mensen met een lichamelijke kwetsbaarheid. Die specifieke groepen moeten dus in quarantaine blijven.

‘Voor de jongeren die aan de bedden staan zouden die epidemiologische data een geruststelling kunnen zijn. Alleen worden ze voortdurend geconfronteerd met gevalsbeschrijvingen die ‘viraal’ gaan en waarin uitgebreid beschreven wordt dat een Zuid-Koreaan de ziekte heeft overgedragen terwijl hij geen symptomen had, niet eens lichte keelpijn. En dat leidt tot paniek. Je kunt de hoeveelheid berichtgeving die je tot je neemt het best doseren – twee keer per dag – en je daarbij beperken tot de officiële bronnen, dan mis je heus niks. Ik kijk alleen naar de site van het RIVM en het NOS Journaal.’

Welke lessen leert deze tijd ons over onze psyche? Wat kunnen we ervan ‘meenemen’?

‘De eerste les lijkt me dat we minder rauwe gordeldieren dan wel besmette vleermuizen afkomstig van Chinese markten moeten eten. De tweede heeft te maken met hoe we onze dagen vullen. Wat ik veel om me heen hoor – en ook duidelijk bij mezelf bemerk – is dat mensen een enorm gevoel van opluchting ervaren bij alle dingen die nu worden afgezegd. Niet alleen op het werk, ook privé. Opeens besef je in wat voor tredmolen je normaal gesproken zit, als elke minuut van de dag wordt volgeplempt met van alles en nog wat.

‘Les drie is het gemak waarmee dingen afgezegd blijken te kunnen worden. Het gaat gewoon niet door! De belangrijkste interventie bij overspanning en burn-out is het leegmaken van de agenda, wat altijd moeilijk wordt gevonden, want alles is belangrijk. Maar de situatie van vandaag leert ons dat het gewoon kan door het te doen.’

Als straks alles weer normaal is, krijg je de rust van nu misschien als een boemerang terug, ook omdat er van alles moet worden ingehaald.

‘Ik weet niet of er zo’n enorm inhaaleffect zal zijn. Ik denk dat veel mensen de relatieve rust ook wel fijn vinden en daarom best een beetje bij zich kunnen houden – hoewel dat vermoedelijk net zo moeilijk is als het vasthouden van het vakantiegevoel. Maar je moet het wel proberen. Je ervaart nu dat het kan. Misschien zeggen we straks tegen elkaar: ik ga even in de coronastand.’

Zie je nog meer dingen die we moeten zien vast te houden?

‘De flexibiliteit. Bij allerlei oplossingen worden nu een heleboel stappen overgeslagen. Je weet elkaar snel te vinden, de lijntjes zijn kort; je ziet opeens hoe nodeloos procedureel en bureaucratisch we in het normale leven zijn. Verder de solidariteit die je om je heen ziet, een prettig soort wij-gevoel. Dat mag ook wel even voortduren.’

Heeft Rutger Bregman dan toch gelijk dat de meeste mensen deugen? Blijken we eigenlijk heel lief en goed en aardig…

‘Nee, dat denk ik niet, helaas. Je ziet nu veel altruïsme, maar zodra schaarste om de hoek komt kijken, wordt alles anders. Nu al zie je een milde vorm van egoïstisch gedrag in de vorm van hamsteren. Als die schaarste toeneemt, wordt de mens snel het beest dat hij onder zijn vernisje van sociaal gewenst gedrag is. Je hoeft alleen maar naar de mondkapjesschaarste te kijken. Onze mensen stuiten op boeven en oplichters die woekerprijzen vragen. Je kunt in deze crisis alles verwachten. Ik denk dat het een goeie testcase is voor onze samenleving hoelang we dit altruïstische gedrag overeind kunnen houden. We zullen ons heus niet allemaal als beesten gaan gedragen, maar sommigen van ons wel, dat weten we uit het verleden – en de mens is in de afgelopen decennia natuurlijk niet wezenlijk veranderd.’

Zie je dat bepaalde menstypen zich nu gemakkelijker staande houden dan andere?

‘Over het algemeen geldt dat hoe rationeler je bent, hoe beter het je afgaat. Want als je alle scenario’s goed bekijkt, kun je concluderen dat voor bijvoorbeeld een zorgverlener het risico om te overlijden aan een corona-infectie erg laag is. In het nieuws heet het dat de zorg een hoog-risicoberoep is, maar dan moet je wel bedenken dat er in de zorg veel meer wordt getest. Uit genetisch stamboomonderzoek naar het virus in het Erasmus MC blijkt dat onze besmette medewerkers het tot nu toe allemaal buiten het ziekenhuis hebben opgelopen. Rationeel blijven, dus.

‘Ook je emoties kun je op die manier te lijf gaan. Concrete angst, bijvoorbeeld voor een hoester, is prima: die maakt dat je opzijstapt. Abstractere angst, bijvoorbeeld voor wat er in de toekomst zou kunnen gaan gebeuren, kun je relativeren. De toekomst is per definitie abstract want de factor ‘tijd’ zit erin, en tijd is een abstractie. Bedenk dat het normaal is om dat soort angstgevoelens te hebben, maar besef ook dat je aan abstracte, niet tastbare zaken niets kunt doen.’

Veel mensen ervaren een gevoel van verlies van controle.

‘Ja, je stuit hier op de existentiële angst, de achtergrondangst die we elke dag allemaal onbewust hebben en waarbij we niet steeds stilstaan: dat we kunnen sterven. Onder normale omstandigheden popt die af en toe op, bijvoorbeeld bij begrafenissen; mensen moeten vaak huilen omdat ze zich inbeelden hoe het is als zíj daar liggen, of een dierbare. Maar nu slaat die existentiële angst keihard toe en hij gaat ook niet weg, hij blijft om ons heen spoken.

‘Het is om te beginnen belangrijk te erkennen dat dergelijke emoties normaal zijn. Vervolgens kun je de ratio erbij halen om te bedenken dat de kans dat je doodziek wordt hoe dan ook klein is – en áls je doodziek wordt, is er altijd nog de intensive care. Blijf je toch tobben, doe dan een gedachtenstop. Je moet daarvoor een alternatieve gedachte paraat hebben. Eerst ga je hardop piekeren, dan zeg je ‘stop’ en breng je die andere gedachte erin. Let ook op de psychologische hygiëne tegenover huisgenoten en collega’s: praat elkaar niet de put in. Zoek afleiding, ga naar buiten, verzin leuke dingen.’

We passen ons tot dusver gemakkelijk aan.

‘Mensen zijn heel adaptief. Mijn opa zat in de Tweede Wereldoorlog gevangen en ging schaakstukken maken van papier-maché. Daar heeft hij maanden in zijn eentje mee geschaakt. Overigens zijn de veranderingen die we nu om ons heen zien niet fundamenteel. We blijven communiceren, om maar wat te noemen. Voedsel is geen issue en dat wordt het vermoedelijk ook niet. Op het vlak van de primaire levensbehoeften gaat alles gewoon door.’

Belanden mensen tijdens crises als deze sneller in een depressie of psychose dan normaal?

‘Nee, eerder het tegenovergestelde. Ik heb het idee dat bij veel patiënten nu vooral een gezond deel van hun psyche wordt aangesproken, doordat er opeens concreet iets aan de hand is. Maar als de ambulante zorgverlening komt stil te vallen, zouden patiënten kunnen terugvallen of ontregelen.’

En lichtere klachten als burn-out en overspannenheid? Lopen die ook terug als er echt iets aan de hand is?

‘Te lang alert zijn kan tot gevoelens van overspannenheid leiden, dat weet iedereen die een bepaalde periode heel lange dagen maakt; je krijgt een kort lontje. Maar als het gaat om burn-outklachten die op een milde depressie lijken, met daarnaast gevoelens van uitputting en een sluimerende onvrede, waarvan vooral veel jongeren last hebben, zou het best kunnen dat we een afname gaan zien.’

Omdat mensen opeens veel minder moeten: niet meer elke ochtend vroeg uit bed, niet de hele dag hoeven presteren, geen slopende feesten meer.

‘Precies, het aantal stressoren neemt af. Als je ziet wat er allemaal wordt afgezegd, echt ongelooflijk. En dan hebben we nog niet eens een lockdown.’

Zieke mensen zeggen dat er iets troostends uitgaat van de wetenschap dat iederéén nu thuiszit.

‘Het fenomeen van fear of missing out, dat normaal enorm wordt aangewakkerd door sociale media met alle opgeklopte verwachtingen en beelden die daar geschetst worden, valt weg. De situatie is nu voor iedereen gelijk. Je mag alleen hopen dat mensen niet op sociale media gaan opscheppen over hoe fantástisch ze het thuis hebben, want dan ben je terug bij af.’

Hoe vind je dat we in Nederland over het algemeen met de coronacrisis omgaan?

‘Goed. Met veel gevoel voor humor, ik krijg het ene lollige appje na het andere. Dat is niet alleen grappig, maar breekt ook de spanning. Heel lang doodserieus zijn houd je ten eerste niet vol, en is ten tweede niet gezond. Rutte doet het ook goed, deze situatie leent zicht voor directief leiderschap: vasthouden aan genomen besluiten, totdat je ze door veranderende omstandigheden moet bijstellen.’

Een arts gooit doorgaans meteen het slechte nieuws erin. Maar onze regering bouwt het langzaam op. Is dat verstandig?

‘Toch wel, omdat dit een ongekende situatie is; men wéét ook niet hoe de ontwikkelingen zijn. Dus ik vind het wel verstandig dat ze steeds zeggen dat er verschillende scenario’s openliggen, dat het best kan zijn dat we volgende stappen moeten zetten, maar nu nog even niet.’

Deze tijd heeft wel een back-to-basicskarakter.

‘Je raakt meer doordrongen van waar het in het leven eigenlijk om gaat. Ook dat is iets om vast te houden. Net als de effecten van deze periode op het klimaat: de lucht klaart op, in Venetië zwemmen weer vissen in het kanaal. In die zin is deze coronacrisis een wake-upcall. Dat is hét experiment of nature dat nu is gedaan. Kunnen we dingen veranderen? Ja dus.’

Categorieën
Columns & Opinie Mensen Werk

Thuis werken met je familie – dat is de hel – Japke-d. Bouma

O jongens ik had er zo’n zin in – thuiswerken. De aanleiding was natuurlijk afschuwelijk, en ik ben de laatste die lichtzinnig zou doen over de coronacrisis, maar stiekem voelde ik dat ik het land weleens wat zou laten zien als we massaal gedwongen werden om thuis te werken. Dan zou binnen een week al duidelijk worden hoe heerlijk dat is en zou deze nachtmerrie uiteindelijk louter goeds opleveren – waardering voor het thuiskantoor, productieve, gelukkige, blakende, vrolijke werknemers en weg met de kantoortuin!

Daar wezen de eerste antwoorden ook op, toen ik informeerde op Twitter hoe het thuiswerken beviel. Gelukzalige foto’s van katten op toetsenborden, sokken op de bank, voeten op de kachel, honden met de kop op schoot.

Mensen die in een dag thuiswerken afkregen waar ze in de kantoortuin minstens drie weken voor nodig hadden. Mensen die voorzichtig opperden of ze, ook na de crisis, een paar vaste dagen mochten thuiswerken.

Uitgeruste kantoortijgers die niet meer elke dag anderhalf uur in de file heen en terug hoefden en zich afvroegen hoe ze dat ooit hadden volgehouden. Überhaupt minder files. Schonere lucht.

Vergaderingen die ineens in een kwartier bleken te kunnen waar vroeger minstens een uur voor stond of nog beter: een mail in plaats van een ‘mieting’. De geweldige koffie thuis, de stilte, zelfs zonder koptelefoon. „Agilefree tot april, heerlijk!” vond een lezer.

Vertedering over een teckel die blaffend door het huis rent op zoek naar de bron van de stemmen van collega’s die hij op de speaker hoort. De wasjes die je tussendoor kunt draaien. De eitjes die je kunt bakken. De badjassen. Dat je een wijntje open kunt trekken tijdens werktijd (naam bij redactie bekend). „Opvallend hoeveel mogelijk is”, schreef iemand, „als niet iedereen er eerst een plasje over hoeft te doen”.

Natuurlijk, er waren wel wat mensen die pruttelden over het overbelaste netwerk. Dat ze zich ontheemd voelden zonder kantoor. Dat ze in een ‘stand-up’ via Skype niet konden controleren of iedereen ook écht stond. Dat ze te veel snoepten en dat de iPad steeds in de boter viel. Maar die waren in de minderheid. De rest begon langzaam het licht te zien. Er waren er zelfs al die opperden om kantoortuinen om te bouwen tot woningen, ik genóót.

Maar toen begon het. Echtparen die zich aan elkaar begonnen te ergeren. Ruzie over de muismat. „Mijn man blijkt alleen maar thuis te kunnen werken met de televisie aan!” „Mijn man zegt ineens ‘we gaan het probleem platslaan’!” „Mijn man zit al vanaf 7.00 uur vanochtend onafgebroken te bellen!” Irritaties over niet-afgewassen kopjes.

„Samen thuiswerken”, schreef iemand, „hoort in het rijtje ‘samen een Ikea-kast in elkaar zetten’, ‘samen met de boot door de sluis’ en ‘samen naar een vakantieadres navigeren’.” Er waren al mensen die een belcel begonnen te timmeren in de tuin en de eerste echtscheidingen werden stiekem aangevraagd.

Maar de genadeklap kwam zondag, amper één werkdag na de afkondiging van het verplichte thuiswerken. Toen gingen de scholen dicht en veranderde de thuiswerk-utopie in een nachtmerrie.

Want met je levenspartner thuiswerken is al een ‘uitdaging’, met je héle familie is het de hel, zo bleek al heel rap. Lezers begonnen in snel tempo noodberichten te sturen.

De Duplo waar je nu nog vaker je tenen aan openscheurt. De lamlendige pubers die voor je voeten liggen. Kinderen die met stift op de muren kalken terwijl jij in je joggingbroek een scrumsessie probeert te leiden. Dat je geen porno meer kunt kijken omdat iedereen om je heen hangt.

Iemand die spullen op kantoor mocht ophalen, schreef: „Nooit gedacht dat ik zo verlangend naar mijn bureautje zou kijken. En dat na één dag thuiswerken!” „We moeten afspraken gaan maken”, schreef een ander, „want anders hangt het bloed binnen een paar dagen aan de muur”.

En zo wordt al na twee dagen verplicht met kinderen thuiswerken de tweedeling zichtbaar: mensen zonder kinderen krijgen tijdens hun thuisretraite allemaal briljante ideeën voor boeken, trainingen, kunnen uitslapen en tikken rapporten af die al maanden lagen te wachten – de ouders zijn het kind van de rekening.

Toen ik maandagavond de premier het volk zag toespreken, dacht ik dan ook: lieve Mark. Vraag álles van ons in deze sombere tijden. Vraag ons hospitalen te bouwen, dijken te verhogen, toiletpapier aan te voeren, wat dan ook. Maar vraag ons niet om thuis te werken met onze dierbaren.

Ik heb op dit moment maar één oplossing: óf alle kinderen afstaan voor adoptie, of alle ouders met speciaal verlof.

Leve het onderwijs sowieso.

Categorieën
Mensen

Ridicuul idee, een stiltecoupé in een Italiaanse trein – Jarl van der Ploeg

Iedere Nederlander die in het buitenland woont, denkt vroeg of laat dat hij veranderd is. Vaak is dat ook wel zo, alleen betreft het meestal geen blijvende verandering, zo merkte ik deze week. Het is meer zoals die steen die in een rivier terechtkomt, en tijdens zijn verblijf onder water weliswaar nat is, maar gewoon weer diezelfde, gortdroge steen blijkt zodra hij weer op het droge belandt, en de druppels van hem afdruppen.

Ik kwam tot dit filosofisch hoogstandje toen ik in de trein naar Milaan stapte en op het raam ‘Standard Silenzio’ zag staan – stiltecoupé. Dat is een fonkelnieuwe innovatie van het Italiaanse spoorwegbedrijf die met recht ridicuul te noemen is, want als er iets niet standaard is in Italië, is het wel de stilte. Dat komt door de aard van de taal – Italiaans kent een lage informatiedichtheid, waardoor veel woorden nodig zijn om relatief weinig te zeggen – maar vooral door de aard van het beestje, dat stilte verafschuwt.

Ik kan mij een Italiaanse huwelijksceremonie herinneren waar het geroezemoes zelfs tijdens het ja-woord doorging, ‘want zo’n gelukkig moment wil je toch juist met elkaar delen?’ Iedere zichzelf respecterende pizzeria heeft een televisie en ook in de meeste huiskamers mag de lokale Eva Jinek meebabbelen tijdens het diner. Niet omdat Italianen zo graag naar haar programma kijken, maar puur ter voorkoming dat het stilvalt.

Stilte is in Italië een zuiver intellectueel begrip. Geen concreet concept dat je dagelijks tegenkomt, laat staan iets dat je in stickervorm op een treindeur plakt. Erg groot was mijn verbazing dan ook niet dat zeven van de acht mensen in de stiltecoupé aan het praten waren, en ik nummer acht was.

Naast mij zat een jong gezin waarvan de moeder tussen Florence en Bologna aan een stuk door praatte, hoewel het eigenlijk meer op pruttelen leek dan op praten. Haar mond deed mij denken aan het blaasgat van een walvis, waar om de zoveel tijd nu eenmaal een pufje stoom uit moet ontsnappen, anders sterft het dier.

Uit principe weigerde ik mijn medepassagiers te wijzen op hun overtreding. De stiltecoupé bestond pas net, ze hadden bij binnenkomst allemaal vriendelijk naar mij gelachen en bovendien is de Italiaanse gave je geen snars van de regels aan te trekken juist de reden dat dit land mij zo trekt. In Nederlandse stiltecoupés walgde ik altijd van die klikgrage burgermannen die met een totaal misplaatste trots moeders tot stilte maanden omdat hun kind wat lag te murmelen. In zo’n land wil ik niet wonen, dacht ik altijd.

Maar hier, in deze trein tussen Rome en Milaan, in dit land der blinden, bleek ik opeens koning Eenoog. In dit gezelschap was ik opeens die rigide fatsoensrakker die continu de neiging voelde ‘ssst’ te roepen.

Ik zat in een stiltecoupé waar iedereen gelukkig leek, maar niemand zijn mond hield, behalve dan die ene chagrijnige Hollander die zichzelf zat te verbijten omdat alle anderen lachten en met hun kinderen speelden en hij, stijve sukkelaar, daarom niet efficiënt kon werken. Ik was precies zoals die natte steen onder water, die van binnen altijd droog blijft, hoe lang hij ook in de vijver ligt.

Ik kreeg zin om hardop te vloeken, maar hield uiteindelijk netjes mijn mond.