Categorieën
Columns & Opinie Mensen Wetenschap

‘Misschien zeggen we straks wel tegen elkaar: ik ga even in de coronastand’ – Interview Witte Hoogendijk

Natuurlijk brengt de coronacrisis onzekerheid en stress met zich mee. Maar psychiater Witte Hoogendijk ziet ook positieve effecten op de psyche. Want is het stiekem niet heerlijk, zo’n lege agenda?

Een tijdje geleden, het woord ‘corona’ werd nog vooral geassocieerd met bier, zat psychiater Witte Hoogendijk het archief van zijn twee jaar geleden overleden moeder uit te pluizen. ‘We lazen de brieven die ze schreef toen ze zat ondergedoken en waren verrast door de hoeveelheid heel normale dingen die daarin voorkwamen. Niemand weet hoe de komende weken en maanden eruit gaan zien, maar mensen zijn geneigd zo veel mogelijk het gewone leven te volgen, onder alle omstandigheden, ook als ze beperkte bewegingsvrijheid hebben.’

Witte Hoogendijk (1960) is hoofd van de afdeling psychiatrie bij het Erasmus MC in Rotterdam en gespecialiseerd in depressie. Op zijn kaartje staat prof. dr. W.J.G. Hoogendijk, maar ik mag Witte zeggen want we hebben samen twee boeken over de evolutionaire achtergrond van stress geschreven. We spreken elkaar telefonisch over de lessen die deze tijd ons mogelijk leert – en uiteraard over de stress die de coronacrisis teweegbrengt.

Om met dat laatste te beginnen: of je nu wel of geen last hebt van coronastress, het is in alle gevallen verstandig te stoppen met het lezen van de oeverloze stroom aan berichten die via sociale media over de wereld wordt uitgestort. Witte Hoogendijk: ‘Die vormen een stressor van jewelste, eentje waar we niet op gebouwd zijn. Problematisch is niet alleen de veelheid van de berichten, maar ook het feit dat ze ongecontroleerd zijn en je geen idee hebt wat ervan klopt. Intussen zetten ze je stressresponssysteem wel non-stop op scherp, je blijft continu alert en gespannen. Daar worden mensen op den duur horendol van.’

Maar soms lees je er toch ook wel iets zinnigs?

‘Natuurlijk. Alleen is het lastig dat in alle berichtgeving over corona geen goed onderscheid wordt gemaakt tussen epidemiologische data en casuïstiek. Als je naar de epidemiologische data kijkt, gebouwd op 100 duizend bevestigde coronapatiënten, kun je concluderen dat verreweg de meeste mensen die aan corona overlijden ouderen zijn of mensen met een lichamelijke kwetsbaarheid. Die specifieke groepen moeten dus in quarantaine blijven.

‘Voor de jongeren die aan de bedden staan zouden die epidemiologische data een geruststelling kunnen zijn. Alleen worden ze voortdurend geconfronteerd met gevalsbeschrijvingen die ‘viraal’ gaan en waarin uitgebreid beschreven wordt dat een Zuid-Koreaan de ziekte heeft overgedragen terwijl hij geen symptomen had, niet eens lichte keelpijn. En dat leidt tot paniek. Je kunt de hoeveelheid berichtgeving die je tot je neemt het best doseren – twee keer per dag – en je daarbij beperken tot de officiële bronnen, dan mis je heus niks. Ik kijk alleen naar de site van het RIVM en het NOS Journaal.’

Welke lessen leert deze tijd ons over onze psyche? Wat kunnen we ervan ‘meenemen’?

‘De eerste les lijkt me dat we minder rauwe gordeldieren dan wel besmette vleermuizen afkomstig van Chinese markten moeten eten. De tweede heeft te maken met hoe we onze dagen vullen. Wat ik veel om me heen hoor – en ook duidelijk bij mezelf bemerk – is dat mensen een enorm gevoel van opluchting ervaren bij alle dingen die nu worden afgezegd. Niet alleen op het werk, ook privé. Opeens besef je in wat voor tredmolen je normaal gesproken zit, als elke minuut van de dag wordt volgeplempt met van alles en nog wat.

‘Les drie is het gemak waarmee dingen afgezegd blijken te kunnen worden. Het gaat gewoon niet door! De belangrijkste interventie bij overspanning en burn-out is het leegmaken van de agenda, wat altijd moeilijk wordt gevonden, want alles is belangrijk. Maar de situatie van vandaag leert ons dat het gewoon kan door het te doen.’

Als straks alles weer normaal is, krijg je de rust van nu misschien als een boemerang terug, ook omdat er van alles moet worden ingehaald.

‘Ik weet niet of er zo’n enorm inhaaleffect zal zijn. Ik denk dat veel mensen de relatieve rust ook wel fijn vinden en daarom best een beetje bij zich kunnen houden – hoewel dat vermoedelijk net zo moeilijk is als het vasthouden van het vakantiegevoel. Maar je moet het wel proberen. Je ervaart nu dat het kan. Misschien zeggen we straks tegen elkaar: ik ga even in de coronastand.’

Zie je nog meer dingen die we moeten zien vast te houden?

‘De flexibiliteit. Bij allerlei oplossingen worden nu een heleboel stappen overgeslagen. Je weet elkaar snel te vinden, de lijntjes zijn kort; je ziet opeens hoe nodeloos procedureel en bureaucratisch we in het normale leven zijn. Verder de solidariteit die je om je heen ziet, een prettig soort wij-gevoel. Dat mag ook wel even voortduren.’

Heeft Rutger Bregman dan toch gelijk dat de meeste mensen deugen? Blijken we eigenlijk heel lief en goed en aardig…

‘Nee, dat denk ik niet, helaas. Je ziet nu veel altruïsme, maar zodra schaarste om de hoek komt kijken, wordt alles anders. Nu al zie je een milde vorm van egoïstisch gedrag in de vorm van hamsteren. Als die schaarste toeneemt, wordt de mens snel het beest dat hij onder zijn vernisje van sociaal gewenst gedrag is. Je hoeft alleen maar naar de mondkapjesschaarste te kijken. Onze mensen stuiten op boeven en oplichters die woekerprijzen vragen. Je kunt in deze crisis alles verwachten. Ik denk dat het een goeie testcase is voor onze samenleving hoelang we dit altruïstische gedrag overeind kunnen houden. We zullen ons heus niet allemaal als beesten gaan gedragen, maar sommigen van ons wel, dat weten we uit het verleden – en de mens is in de afgelopen decennia natuurlijk niet wezenlijk veranderd.’

Zie je dat bepaalde menstypen zich nu gemakkelijker staande houden dan andere?

‘Over het algemeen geldt dat hoe rationeler je bent, hoe beter het je afgaat. Want als je alle scenario’s goed bekijkt, kun je concluderen dat voor bijvoorbeeld een zorgverlener het risico om te overlijden aan een corona-infectie erg laag is. In het nieuws heet het dat de zorg een hoog-risicoberoep is, maar dan moet je wel bedenken dat er in de zorg veel meer wordt getest. Uit genetisch stamboomonderzoek naar het virus in het Erasmus MC blijkt dat onze besmette medewerkers het tot nu toe allemaal buiten het ziekenhuis hebben opgelopen. Rationeel blijven, dus.

‘Ook je emoties kun je op die manier te lijf gaan. Concrete angst, bijvoorbeeld voor een hoester, is prima: die maakt dat je opzijstapt. Abstractere angst, bijvoorbeeld voor wat er in de toekomst zou kunnen gaan gebeuren, kun je relativeren. De toekomst is per definitie abstract want de factor ‘tijd’ zit erin, en tijd is een abstractie. Bedenk dat het normaal is om dat soort angstgevoelens te hebben, maar besef ook dat je aan abstracte, niet tastbare zaken niets kunt doen.’

Veel mensen ervaren een gevoel van verlies van controle.

‘Ja, je stuit hier op de existentiële angst, de achtergrondangst die we elke dag allemaal onbewust hebben en waarbij we niet steeds stilstaan: dat we kunnen sterven. Onder normale omstandigheden popt die af en toe op, bijvoorbeeld bij begrafenissen; mensen moeten vaak huilen omdat ze zich inbeelden hoe het is als zíj daar liggen, of een dierbare. Maar nu slaat die existentiële angst keihard toe en hij gaat ook niet weg, hij blijft om ons heen spoken.

‘Het is om te beginnen belangrijk te erkennen dat dergelijke emoties normaal zijn. Vervolgens kun je de ratio erbij halen om te bedenken dat de kans dat je doodziek wordt hoe dan ook klein is – en áls je doodziek wordt, is er altijd nog de intensive care. Blijf je toch tobben, doe dan een gedachtenstop. Je moet daarvoor een alternatieve gedachte paraat hebben. Eerst ga je hardop piekeren, dan zeg je ‘stop’ en breng je die andere gedachte erin. Let ook op de psychologische hygiëne tegenover huisgenoten en collega’s: praat elkaar niet de put in. Zoek afleiding, ga naar buiten, verzin leuke dingen.’

We passen ons tot dusver gemakkelijk aan.

‘Mensen zijn heel adaptief. Mijn opa zat in de Tweede Wereldoorlog gevangen en ging schaakstukken maken van papier-maché. Daar heeft hij maanden in zijn eentje mee geschaakt. Overigens zijn de veranderingen die we nu om ons heen zien niet fundamenteel. We blijven communiceren, om maar wat te noemen. Voedsel is geen issue en dat wordt het vermoedelijk ook niet. Op het vlak van de primaire levensbehoeften gaat alles gewoon door.’

Belanden mensen tijdens crises als deze sneller in een depressie of psychose dan normaal?

‘Nee, eerder het tegenovergestelde. Ik heb het idee dat bij veel patiënten nu vooral een gezond deel van hun psyche wordt aangesproken, doordat er opeens concreet iets aan de hand is. Maar als de ambulante zorgverlening komt stil te vallen, zouden patiënten kunnen terugvallen of ontregelen.’

En lichtere klachten als burn-out en overspannenheid? Lopen die ook terug als er echt iets aan de hand is?

‘Te lang alert zijn kan tot gevoelens van overspannenheid leiden, dat weet iedereen die een bepaalde periode heel lange dagen maakt; je krijgt een kort lontje. Maar als het gaat om burn-outklachten die op een milde depressie lijken, met daarnaast gevoelens van uitputting en een sluimerende onvrede, waarvan vooral veel jongeren last hebben, zou het best kunnen dat we een afname gaan zien.’

Omdat mensen opeens veel minder moeten: niet meer elke ochtend vroeg uit bed, niet de hele dag hoeven presteren, geen slopende feesten meer.

‘Precies, het aantal stressoren neemt af. Als je ziet wat er allemaal wordt afgezegd, echt ongelooflijk. En dan hebben we nog niet eens een lockdown.’

Zieke mensen zeggen dat er iets troostends uitgaat van de wetenschap dat iederéén nu thuiszit.

‘Het fenomeen van fear of missing out, dat normaal enorm wordt aangewakkerd door sociale media met alle opgeklopte verwachtingen en beelden die daar geschetst worden, valt weg. De situatie is nu voor iedereen gelijk. Je mag alleen hopen dat mensen niet op sociale media gaan opscheppen over hoe fantástisch ze het thuis hebben, want dan ben je terug bij af.’

Hoe vind je dat we in Nederland over het algemeen met de coronacrisis omgaan?

‘Goed. Met veel gevoel voor humor, ik krijg het ene lollige appje na het andere. Dat is niet alleen grappig, maar breekt ook de spanning. Heel lang doodserieus zijn houd je ten eerste niet vol, en is ten tweede niet gezond. Rutte doet het ook goed, deze situatie leent zicht voor directief leiderschap: vasthouden aan genomen besluiten, totdat je ze door veranderende omstandigheden moet bijstellen.’

Een arts gooit doorgaans meteen het slechte nieuws erin. Maar onze regering bouwt het langzaam op. Is dat verstandig?

‘Toch wel, omdat dit een ongekende situatie is; men wéét ook niet hoe de ontwikkelingen zijn. Dus ik vind het wel verstandig dat ze steeds zeggen dat er verschillende scenario’s openliggen, dat het best kan zijn dat we volgende stappen moeten zetten, maar nu nog even niet.’

Deze tijd heeft wel een back-to-basicskarakter.

‘Je raakt meer doordrongen van waar het in het leven eigenlijk om gaat. Ook dat is iets om vast te houden. Net als de effecten van deze periode op het klimaat: de lucht klaart op, in Venetië zwemmen weer vissen in het kanaal. In die zin is deze coronacrisis een wake-upcall. Dat is hét experiment of nature dat nu is gedaan. Kunnen we dingen veranderen? Ja dus.’

Categorieën
Mensen

Ridicuul idee, een stiltecoupé in een Italiaanse trein – Jarl van der Ploeg

Iedere Nederlander die in het buitenland woont, denkt vroeg of laat dat hij veranderd is. Vaak is dat ook wel zo, alleen betreft het meestal geen blijvende verandering, zo merkte ik deze week. Het is meer zoals die steen die in een rivier terechtkomt, en tijdens zijn verblijf onder water weliswaar nat is, maar gewoon weer diezelfde, gortdroge steen blijkt zodra hij weer op het droge belandt, en de druppels van hem afdruppen.

Ik kwam tot dit filosofisch hoogstandje toen ik in de trein naar Milaan stapte en op het raam ‘Standard Silenzio’ zag staan – stiltecoupé. Dat is een fonkelnieuwe innovatie van het Italiaanse spoorwegbedrijf die met recht ridicuul te noemen is, want als er iets niet standaard is in Italië, is het wel de stilte. Dat komt door de aard van de taal – Italiaans kent een lage informatiedichtheid, waardoor veel woorden nodig zijn om relatief weinig te zeggen – maar vooral door de aard van het beestje, dat stilte verafschuwt.

Ik kan mij een Italiaanse huwelijksceremonie herinneren waar het geroezemoes zelfs tijdens het ja-woord doorging, ‘want zo’n gelukkig moment wil je toch juist met elkaar delen?’ Iedere zichzelf respecterende pizzeria heeft een televisie en ook in de meeste huiskamers mag de lokale Eva Jinek meebabbelen tijdens het diner. Niet omdat Italianen zo graag naar haar programma kijken, maar puur ter voorkoming dat het stilvalt.

Stilte is in Italië een zuiver intellectueel begrip. Geen concreet concept dat je dagelijks tegenkomt, laat staan iets dat je in stickervorm op een treindeur plakt. Erg groot was mijn verbazing dan ook niet dat zeven van de acht mensen in de stiltecoupé aan het praten waren, en ik nummer acht was.

Naast mij zat een jong gezin waarvan de moeder tussen Florence en Bologna aan een stuk door praatte, hoewel het eigenlijk meer op pruttelen leek dan op praten. Haar mond deed mij denken aan het blaasgat van een walvis, waar om de zoveel tijd nu eenmaal een pufje stoom uit moet ontsnappen, anders sterft het dier.

Uit principe weigerde ik mijn medepassagiers te wijzen op hun overtreding. De stiltecoupé bestond pas net, ze hadden bij binnenkomst allemaal vriendelijk naar mij gelachen en bovendien is de Italiaanse gave je geen snars van de regels aan te trekken juist de reden dat dit land mij zo trekt. In Nederlandse stiltecoupés walgde ik altijd van die klikgrage burgermannen die met een totaal misplaatste trots moeders tot stilte maanden omdat hun kind wat lag te murmelen. In zo’n land wil ik niet wonen, dacht ik altijd.

Maar hier, in deze trein tussen Rome en Milaan, in dit land der blinden, bleek ik opeens koning Eenoog. In dit gezelschap was ik opeens die rigide fatsoensrakker die continu de neiging voelde ‘ssst’ te roepen.

Ik zat in een stiltecoupé waar iedereen gelukkig leek, maar niemand zijn mond hield, behalve dan die ene chagrijnige Hollander die zichzelf zat te verbijten omdat alle anderen lachten en met hun kinderen speelden en hij, stijve sukkelaar, daarom niet efficiënt kon werken. Ik was precies zoals die natte steen onder water, die van binnen altijd droog blijft, hoe lang hij ook in de vijver ligt.

Ik kreeg zin om hardop te vloeken, maar hield uiteindelijk netjes mijn mond.

Categorieën
Mensen

Reis met de trein en je ziet premium- en budgetmensen – Arjen van Veelen

Sinds kort behoor ik tot een Geheim Genootschap van Nederlanders die weten waarom er aan de buitenkant van sommige treinstellen een dunne blauwe streep loopt. Het is geen mysterie of staatsgeheim, maar dat streepje geeft aan waar je de eersteklascoupés kunt vinden. Het lijntje is zo subtiel, dat ik het pas zie sinds ik zelf eersteklas reis.

Begin dit jaar trakteerde ik mijzelf op een eersteklas Dal Vrij Abonnement.

Ik had een upgrade verdiend, vond ik, want mijn boek had goed verkocht. Bovendien viel de prijs echt mee: voor 134 euro per maand had ik al een zetel te midden van notabelen. Alleen buiten de spits, maar dat leek me juist een voordeel (over de spits hoor ik enkel horrorverhalen). In de eersteklas kon ik bovendien heerlijk lezen en schrijven, redeneerde ik: voor een prikkie huurde ik in feite een flexibele werkplek.

Allemaal calvinistische zelfrechtvaardiging voor wat gewoon een statussprongetje was, hoor. Aanvankelijk zat ik in mijn eersteklasfauteuil vooral voldaan na te hijgen van mijn klimpartij op de sociale ladder. Laat mijn premiumleven maar beginnen, jongens.

Nou ja, premium…. Het meest spectaculaire privilege van de eerste klas, leerde ik, is het hendeltje waarmee je je stoel kunt laten zakken alsof je op een trans-Atlantische vlucht zit. Dat is eigenlijk alles. Oké, iets meer ruimte, meer kans op een zitplek. Maar verder gewoon dezelfde wifi en dezelfde wc als de tweede klas (en exact dezelfde vertraging). Zelfs geen gordijntje tussen jou en het plebs.

Vroeger zat je in de eersteklas op pluche; arbeiders zaten op hout. Nu verschilt alleen de kleur van de stoel en het cijfer 1 of 2. De NS gumt de verschillen trouwens nog verder uit. Bijvoorbeeld met de klassenwisselservice: een app waarmee je last minute, zelfs in de trein nog, kunt beslissen dat je sociaal wilt stijgen, als een soort flex-elite.

Wat zijn we toch een heerlijk egalitair landje, zou je zeggen, waar je sociaal kunt stijgen via een appje.

Nederland kent geen bergen, geen hiërarchie en dus ook in de trein geen grote verschillen tussen plebs en happy few. Slechts een blauwe streep.

Maar dat zou helemaal de verkeerde conclusie zijn, weet ik nu. Ten eerste is onze samenleving niet echt egalitair. En ten tweede is dat subtiele blauwe lijntje veel scherper, veel vileiner dan ik dacht.

In mijn vorige leven als miserabele tweedeklasser, nog geen jaar geleden dus, liep ik meestal zo vlug mogelijk door het gangpad van die eersteklascoupés heen. Ik voelde me er ongemakkelijk. Het zat ’m niet in de kleur van de stoelen. Waarin wel?

In de eerste klas, daar zaten andere mensen, met gewichtige lichamen, die ze louter omwille van het landsbelang verplaatsten. Bestuurders, consultants, professoren. Pakken. Ze leken immer declarabel, staarden nooit zomaar uit het raam; ze zochten nieuwe horizonten. In de tweedeklas, daar zaten de mensen die maar wat aanklooiden in het leven, miserabelen zonder plan – onder wie ik.

En dan waren er de blikken. De manier waarop andere mensen vanuit hun zetels even opkeken, licht verstoord dat ze werden gestoord bij het redden van het land – hoe ze je dan peilden: hoor jij hier wel? Kaartjescontrole met hun ogen.

En nee ik hoorde er niet, toen niet. Maar het rare is dat dit gevoel van ongemak nog een poosje aanhield, zelfs nadat ik een eersteklasabonnement had gekocht.

Hieruit concludeer ik dat het verschil tussen de klassen niet zozeer de luxe is of de beschikbaarheid van zitplaatsen; het is een psychologische barrière.

Je voelt je er thuis of juist niet.

Je kijkt of je wordt bekeken.

Zo werkt het denk ik met standsverschil in ons land. We zijn geen India en zelfs geen Engeland, nee, maar verschil is er zeker.

Klasse is hier geen kwestie van geld, maar van weggekeken worden. Zo had het altijd gevoeld, ook buiten de trein, op alle plekken waar je niet hoorde: niet als een muur, maar als de blik van de verkopers wanneer je op oude sneakers een Louis Vuitton-zaak zou binnenlopen, of een deftig restaurant. Niemand houdt je tegen, niemand stuurt je weg; nee, veel erger: na een paar van die monsterende blikken trek je zélf de conclusie. Ik hoor hier niet.

Sociale zelfcensuur kan venijnig zijn. Toen ik 17 was overwoog ik om naar het University College te gaan, een opleiding die – denk ik nu – mij op het lijf geschreven was geweest en precies even duur als eender welke studie. Maar ik dacht: te elitair, ander slag mensen, ik hoor hier niet.

Klassenverschil is in ons land minder een kwestie van centen; de voornaamste indicator is deze: hebben je ouders een universiteitsdiploma of niet?

Zijn ze wereldwijs? Dat is een subtiele kwestie van kennis, omgangsvormen, weten wanneer je welke vork moet pakken. En van ongrijpbare, onmeetbare zaken zoals je ergens al dan niet senang voelen of het al dan niet vanzelfsprekend vinden dat de hele wereld voor jou is weggelegd.

Onze oudste gaat binnenkort naar de basisschool. Nu bestaan er in Rotterdam goede en slechte scholen, officieel allemaal even duur, voor iedereen toegankelijk, een notaris verricht de lotingen – toch stroomt de ene school vol met eersteklaskindjes en de tweede school met tweedeklaskindjes. Rara, hoe kan dat? Door een blik, een knikje, een verstandhouding tijdens de open dagen. Door mensen zich juist wel of juist niet senang te laten voelen. Wegkijken. Sociale zelfcensuur.

Inmiddels zit ik zelf trouwens ook te loeren of mensen die mijn coupé binnen komen er wel eersteklasse-achtig uitzien. Want ja, zo gaat het, merk ik. In het begin vond ik het nog leuk om onderuitgezakt een verfomfaaid boek te lezen, mensen op het verkeerde been zetten. Nu kijk ik zelf naar mensen met hoodies, mensen zonder werktas zijn verdacht.

Loop ik nu de trein uit, de echte wereld in, dan is het even wennen. Ik eis alle egards, ik wil valet parking voor mijn fiets, hallo, zien jullie niet dat ik een A-mens ben?

De eersteklas heeft me nu al veranderd. Niet per se ten goede. Ook hieruit maak ik op dat het verschil tussen de klassen veel meer is dan de kleur van de stoelen.

Als de conducteur omroept dat B-mensen vanwege drukte bij ons A-mensen mogen zitten, voelt het alsof hij mijn zuurverdiende Mercedes E-klasse met een vingerknip terugtovert in een Opel Astra. Want zoals de meeste eersteklassers meen ik récht te hebben op mijn plek, want ik werk er keihard voor.

Dat geloof is een rechtstreeks gevolg van de mythe dat Nederland een plat land vol tulpen en gelijke kansen is. Ga maar na: als iedereen dezelfde startpositie heeft, dan is succes inderdaad jouw eigen verdienste. Maar voor zover dat land al bestond, is het onmiskenbaar aan het veranderen.

Dat merk je vooral als je de trein verlaat, de poortjes door. Daar zie je over de hele linie een tweedeling tussen A-mensen en B-mensen. Rotterdam, bijvoorbeeld, was drie jaar geleden nog een open stad; nu een vesting waar paupers worden weggejaagd en intussen volop luxe appartementen verrijzen. Het gaat heel rap. Het aantal daklozen is de laatste tien jaar verdubbeld. De middenklasse krimpt, de extremen nemen toe.

Het scherpst zie je het in het onderwijs. De kansenongelijkheid is er de afgelopen tien jaar verdubbeld, schreef NRC vorig jaar. Het diploma van papa en mama bepaalt steeds vaker het succes van het kind; niet diens hersens of inzet.

Hoogopgeleide powerkoppels baren premiumkinderen die klaargestoomd worden voor premiumlevens. Als ze te dom zijn, is er wel een dure examencoach om dat schandelijke vmbo-advies weg te masseren. Laatst zag ik een basisschool in Rotterdam die liefst 1.758,48 euro schoolgeld per jaar rekent.

Dus hoezo egalitair land? Toch hebben we het hier zelden over klasse.

Zelden hoor je iemand pleiten voor de invoering van een quotum voor werknemers wier ouders niet gestudeerd hebben. Zelden hoor je zeggen: misschien moeten we ook een bepaald percentage mensen van eenvoudige komaf hebben.

We lijken er blind voor. Klassenblind.

Klasse ís ook moeilijker te zien, natuurlijk. Letterlijk. Aan een groepsfoto zie je relatief makkelijk wie er een kleur heeft en wie er vrouw is. Niet wier papa of mama gestudeerd heeft. Arme mensen hebben nu gouden tanden, elitekindjes dragen hoodies: het staat niet op je hoofd geschreven of je al dan niet een kruiwagen had.

Maar dat is geen excuus. Vaak wíllen we het verschil niet zien, terwijl het wel helder is. Zoals in de trein, waar duidelijk staat aangegeven: deze coupé is voor de eentjes en deze is voor de tweetjes. Stel je voor dat we treincoupés zouden hebben met een W voor witte mensen of een M voor alleen mannen…. Maar de coupés voor premiummensen en budgetmensen vinden we heel logisch.

We hebben het terecht over manspreading in de trein; maar laten we het ook eens over de klassenmaatschappij hebben. Maar de eersteklascoupé is een Zwarte Piet-kwestie waar we over zwijgen.

‘Ja hallo, het gaat hier niet om een verschil in klasse, hooguit kun je kiezen voor wat extra comfort’, hoor ik al tegensputteren. Of ‘Zeg, ik koop vooral een eersteklaskaartje omdat ik dan kan zítten in de trein, ik moet gewoon werken.’ Of: ‘De vergelijking gaat echt niet op hoor, want met je huidskleur en met je geslacht word je nu eenmaal geboren, een eersteklaskaartje kan iedereen kopen.’

Comfort is ons eufemisme voor klasse. Want het is natuurlijk flauwekul dat iedereen eersteklas kan reizen. Eén op de drie huishoudens is niet eens in staat om de twee duurste spullen in huis te vervangen als ze stukgaan, aldus het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting.

De echte miserabelen vind je überhaupt niet in de trein. De prijzen van treinkaartjes zijn de afgelopen tien jaar namelijk twee keer zo hard gestegen als de inflatie. Dat komt door het blinde geloof in de Heilige Markt, en door dat vermaledijde neoliberalisme. In elk geval komt de stijging bij ons níét door een beter product. Integendeel. De treinen zijn veel voller.

Die prijsstijgingen moet je dus niet bagatelliseren. Denk aan Chili, een welvarend land waar mensen de straat opgingen nadat een metrokaartje in prijs steeg. Met 4 eurocent.

Sinds ik eersteklas reis, denk ik vaak aan de cultfilm Snowpiercer uit 2013, over een trein die eeuwig rondjes rijdt in een apocalyptisch sneeuwlandschap. Aan boord is een extreem verschil tussen eerste en laatste klassen. Revolutie volgt.

In mijn premiumcoupé zie ik steeds vaker tweedeklassers noodgedwongen staan naast lege eersteklasstoelen. Af en toe gaat zo’n budgetmens brutaalweg zitten.

Dreigt er ook bij ons een opstand? Wel als we blijven doen alsof er geen verschil is.

De laatste jaren gaan er regelmatig stemmen op om de eersteklas af te schaffen. Want ‘er is toch nauwelijks meer verschil’ en zo schep je extra zitplekken. Of de klassen zijn, zoals een NRC-lezer een paar jaar geleden schreef, een „relict uit onze negentiende-eeuwse klassenmaatschappij”, toen de trein nog een een soort rollende afspiegeling was van de maatschappij.

Maar zoals ik heb gemerkt zijn er dus wel degelijk grote verschillen tussen de klassen.

En je zou het evengoed kunnen omdraaien: die groeiende standsverschillen typeert onze tijd juist perfect.

Interessant weetje: de eersteklas werd al eens afgeschaft. Tot het jaar 1956 had je namelijk drie klassen. Toen de eerste werd afgeschaft – die van het pluche – schoven de andere twee door. De huidige eersteklas is dus eigenlijk de tweede.

Mijn voorstel zou zijn om die derde klasse weer in te voeren. Maak van de eerste klasse weer een echte luxecoupé. Zoals in de tijden van de Rheingold en de Oriënt-Express. Ik zie pluchen stoelen voor me en barrijtuigen met gouden kranen en pianisten. Met aan de zijkant van elk rijtuig een dikke, koninklijk blauwe streep.

In de eerste plaats schept dat duidelijkheid. Verder geeft het de onderklasse echte luxe om naar te streven. Maar vooral: zo wordt de trein weer echt een afspiegeling van de maatschappij, waar de standsverschillen weer toegroeien naar die uit de tijd van de stoomtrein.

Categorieën
Mensen

Alcohol free – Jan Heemskerk

Ruim een jaar geleden besloot Jan Heemskerk te stoppen met drinken. Er kwamen inzichten. Leuke, en minder leuke.

Stoppen met drinken was eigenlijk een spontaan idee, ingegeven door een stevige kater, de ochtend van 3 september 2016. De avond ervoor waren we op dubbele verjaarsvisite mét lichtgevende discodansvloer bij vrienden in Vlijmen. We kenden er, behalve onze vrienden, niemand, reden voor – zoals we dat gekscherend plachten te noemen – een stukje ‘probleemdrinken’: wat liquid courage tanken om een praatje aan te durven knopen met een onbekende of een dansje te wagen op voornoemde dansvloer.
We hadden een kamer in een B&B om de hoek, het kon dus geen kwaad, het viel ook best nog mee met de ‘intake’ en we vonden het nèt welletjes, toen de helft van de feestgangers collectief besloot te vertrekken, duidelijk tot ontzetting van de gastheer en -vrouw, die nog niet eens de dure hapjes hadden uitgeserveerd.

Nou. Ze kunnen veel van ons zeggen, maar niet dat we geen goede vrienden zijn in een feestcrisis! We zetten ons dus schrap, namen er nog een, dansten the night away en namen er nog een. En nog een. De volgende ochtend, die van 3 september dus, stonden we al vroeg op de golfbaan van Vlijmen, want dat had ons leuk geleken, nu we toch in de buurt waren. Al bij hole 3 waren we kapót. En niet voor het eerst sprak ik de dramatische woorden: ‘Ach moeder, ik drink nóóit weer’. Wel voor het eerst dacht ik er stilletjes bij: ‘Misschien méén ik dit wel.’ De rest is geschiedenis en tot de dag van vandaag, pak ‘m beet een jaar later, heb ik geen alcohol meer aangeraakt. Kwam dat nou alleen door de kater van die 24 bier in Vlijmen? Natuurlijk niet. Dat was de beroemde druppel die de emmer deed overlopen. Het laatste bewijs dat je op mijn leeftijd niet meer ongestraft te veel kunt drinken. Dat je twee dagen van de leg bent als je een keertje stevig doorpakt. En dat zulks best zonde is van je kostbare tijd. Tel daarbij op dat ik een onmatige persoonlijkheidsstructuur bezit en dus niet zo goed ben in een verstandig regime van één glaasje per dag, en je snapt dat er weinig anders op zat dan radicaal stoppen. Voor onbepaalde tijd. Met alle mitsen, maren en uitvluchten. Want het is geen aangenomen werk. En als ik weer wil beginnen, doe ik dat gewoon. Hoor. Enfin: zo zijn we inmiddels een jaar verder en dat jaar is niet onopgemerkt voorbijgegaan. Mijn omgeving, die me kent als een trouwe klant aan de bar of bij een proeverij, moest ernstig wennen. En ik ook wel. Er kwamen inzichten. Leuke en minder leuke. Die inzichten wil ik met jullie delen. Ter inspiratie. Of juist niet.

1. Van mij hoef je niet.

Een bekend fenomeen: zodra je ergens aan ‘meedoet’, zie je overal berichten die jouw keuzes en gedrag bevestigen. Had ik vroeger een scherp oog voor nieuwtjes als ‘Rode Wijn Probaat Middel Tegen Hartkwaal’, nu lees ik overal de verschrikkelijkste verhalen over de verwoestende werking van alcohol op het menselijk lichaam. Zo veel zelfs, dat het bijna geen toeval meer kan wezen. En inderdaad: zoals ook deze editie van Volkskrant Magazine bewijst, is alcohol hard op weg het nieuwe roken te worden en is er een fanatieke lobby in opkomst die het liefst zou zien dat ons biertje net zo verboden wordt als coke en heroïne.
Ik wil graag opmerken dat ik deze ontwikkeling betreur. Ik rook al jaren niet meer, maar mag nog altijd graag bij de dappere verschoppelingen in de achtertuin staan; ik drink – ‘momenteel’, zeg ik er telkens bij – niet meer, maar ik kom emotioneel in opstand tegen de gedachte dat ons alweer een genotmiddel wordt ‘ontnomen’. Ik gun niemand een dubbele levercirrose of een set teerlongen, maar voor je het weet eten we allemaal sla, moeten we verplicht elke ochtend veertig baantjes trekken in een kil sportfondsenbad, enkel seks hebben ten bate van de voortplanting en stipt om 10 uur ’s avonds naar bed. Ik kan het niet bewijzen, maar volgens mij is het goed voor je om af en toe iets te doen wat slecht voor je is. Dus zolang de baten nog opwegen tegen de kosten, zou ik zeggen: lekker doorzuipen.

2. Zonder alcohol heb je meer remmingen.

Meestal zeggen ze het andersom – mét alcohol heb je minder remmingen. Ik kan dan ook terugkijken op een indrukwekkende lijst aan ongeremde dingen die ik onder invloed van alcohol heb ondernomen. Verreweg de meeste in de categorie ‘eindelijk tegen vrouwen durven zeggen hoe ik me voel en hopen dat zij er – al dan niet eveneens ongeremd vanwege de alcohol – hetzelfde over denken, zodat we op enig moment de liefde kunnen gaan bedrijven’.
Ik durf wel zo ver te gaan dat 80 procent van mijn liefdesleven nooit zou hebben plaatsgegrepen als er geen alcohol zou hebben bestaan. Is dat sneu? Dat zal best. Maar we zijn niet allemaal gezegend met het talent of het uiterlijk om bij aantrekkelijke vrouwen vanzelf en onbevreesd de juiste snaar te raken. Verder wil ik opmerken dat ik nooit of te nimmer een agressieve, opdringerige of onbeleefde dronk heb gehad – dat soort ongeremdheid is te allen tijde ongewenst. Ik word juist lief en extreem knuffelig. En net iets te eerlijk. Drink je niet, is het heel wat moeilijker de sprong te wagen en een mooie vrouw de waarheid te vertellen. Alles wat je wilt zeggen, stokt al in je keel vanwege corny of te direct. In het kille licht van de nuchterheid lijkt het bovendien kraakhelder dat niemand zit te wachten op een oude man met een bril en eigenlijk is de situatie dus al uitzichtloos voor je goed en wel bent begonnen. Gelukkig ben ik al gelukkig getrouwd en hebben we Netflix en kruidenthee. Hoe dan ook: het is wel even zoeken hoe je een gesprek optuigt zonder de alcohol die alles meteen zoveel leuker en interessanter maakt. Een laatste opmerking over dit onderwerp, speciaal voor vrouwen: over het algemeen is een nuchtere man – ook al was-ie de hele avond wat stilletjes – aan het eind van de avond heel wat beter in staat behoorlijke seks met je te hebben dan eentje die zes flessen Spätburgunder door zijn bloedbaan heeft suizen. Ik geef het maar ter overweging mee.

3. Dronken mensen lullen behoorlijk slap.

In retrospect kan ik me diep schamen voor de onzin die ik in aangeschoten staat moet hebben uitgebraakt op feestjes, als de hele-late-avondconversatie van mijn lieve vrienden maatgevend mag zijn voor mijn niveau van toen ik nog alcohol dronk. Kennelijk vertellen we – als we in de lorum zijn – zonder enig spoor van gène drie keer per avond hetzelfde verhaal aan dezelfde persoon, alleen steeds luider en onverstaanbaarder. En kennelijk hindert ons dat als eveneens bezopen toehoorder op geen enkele manier, wat dan wel weer lief en praktisch is. De nuchtere feestganger, echter, is aanvankelijk verbaasd (wat staat die gast daar vreemd te zwaaien op zijn poten), dan geamuseerd (tering, die gast komt écht niet meer uit zijn woorden) en ten slotte eenzaam. Want terwijl de rest van het gezelschap gelijk opgaand wegzweeft naar hogere sferen, blijf jij achter met beide benen op de grond en niemand om mee te praten, behalve dat ene malle kruidenvrouwtje dat ook niet drinkt. Want de mensen hebben nog net wel in de gaten dat jij in de gaten hebt dat ze dronken zijn en mijden je dus als de builenpest.
Gevolg is dat je bij de meeste feestjes een paar uur eerder afzwaait dan de rest. En wel op het moment dat je normaal gesproken besluit dat het een tópfeest is, je nog veel meer moet drinken en het vreselijk laat moet maken en onopvallend moet loensen naar de buurvrouw met de prominente tepels. Je mist zo wel het deel van het feest waarover nog jaren wordt gesproken, namelijk de poging-tot-stiekeme-pijppartij in het steegje, featuring voetbalvriend en ‘vrouw met prominente tepels’, maar daar staat dan weer tegenover dat je niet zelf het onderwerp van deze legende bent geworden.

4. Je vrienden krijgen een hekel aan je (en willen dat je weer gaat drinken).

Aanvankelijk oogst je lof. Man, wat oogst je een lof. Al je vrienden scheppen over je op: ‘Ik heb een vriend en die is gestopt met drinken!’ Op verjaardagen komen mensen aan je glas ruiken of er echt geen vieuxtje in de cola drijft. Iedereen vindt het reuzeknap en ook dat je er goed uitziet.
Maar na een paar weken is het nieuwtje er wel af. Mensen beginnen voorzichtig te vragen wanneer je weer eens gezellig een wijntje neemt. Ja, nee, ze bedoelen: het is nu toch wel mooi geweest? Je lever is vast weer babyroze en tot menselijke proporties geslonken? We moeten het niet gaan overdrijven en ons zeker niet aanstellen en uitsloven. Het wordt steeds ietsje grimmiger. Als je in een restaurant zit, wordt vanaf tafel drie in de hoek door wat lolbroeken om de tien minuten muntthee bezorgd. Er wordt nu stevig aangedrongen en hier en daar wordt een ultimatum gesteld: met Kerst moet je écht weer gewoon gaan drinken, anders is het raar! Er wordt inmiddels ook voorzichtig geïnformeerd of je soms van plan bent nooit meer te drinken, op een toon van ‘dan moet ik nog eens goed nadenken of we vrienden kunnen blijven’. En antwoord je dan naar waarheid dat je dat ècht nog niet weet, het rustig een tijdje aankijkt, wel lekker gaat zo, misschien ooit, alleen in het weekend, wie zal het zeggen, elke dag is er toch weer eentje, enzovoort, wordt dat opgelucht opgevat als een teken dat nog niet alles verloren is. Dus durf je niet hardop te zeggen dat je eigenlijk misschien wel inderdaad nooit meer wilt drinken, ook niet een beetje. Niet alleen omdat je dan bang bent dat je anders geen vrienden meer overhoudt, ook omdat je vreest dat je dan in no time weer op je oude ‘niveau’ zit, slappeling die je bent. En dat, zoveel is wel duidelijk, wil je echt niet meer. Uiteindelijk dringt het tot je door dat al die boze mensen die je weer aan het drinken willen hebben en je nuchter maar een saaie piet vinden, en een afvallige gelovige, door jou telkens worden geconfronteerd met hoe het anders, en misschien zelfs beter kan. En dat hebben ze liever niet. En dat snap je ook. En dat wil je ook niet, die nare spiegel zijn. Maar het gaat je toch net iets te ver om weer te gaan drinken om je vrienden een goed gevoel over zichzelf te geven: ‘Zie je, hij drinkt ook gewoon weer’. Nou ja. Uiteindelijk zal iedereen er wel aan wennen.

5. Je hebt geen katers.

Nummer één supervoordeel van niet drinken: je hebt geen katers. En: je hoeft dus ook niet op te zien tegen feesten en partijen. Want dat deed je, blijkt nu: opzien tegen elke gelegenheid waar alcohol werd geschonken. Omdat na de pret altijd de kater komt. En je de day after dus wel kunt afschrijven, want die kater is dusdanig verschrikkelijk, dat je niet veel verder komt dan paracetamolletjes poppen en op de bank hangen, met een lodderoog op de televisie gemikt. Nu je niet meer drinkt, blijkt: je was laatste tijd als de dood voor de kater. En dat bedierf eigenlijk alle plezier in je sociale leven.
Moet je nu eens kijken. Met gemak werk je drie soirees per weekend af, je bent zonder morren de Bob én je staat ’s ochtends bij het krieken van de dag klaar om je kroost naar voetbal te brengen. Het ergste wat je overkomt is dat je ‘een beetje moe’ bent als het erg laat is geworden, en dat is maar zelden, zie boven. Paradoxaal genoeg heb je er als onthouder dus juist veel meer zin in dan vroeger, feestjes. Gezellig! En de volgende ochtend is er dat pure en onversneden geluksmoment: geen kater, geen hoofdpijn, geen droge bek, niet misselijk, geen grote delen van de avond kwijt, niets, maar dan ook niets aan het handje.

6. Je valt er wel lekker van af (en je bent fitter).

Ik was 10 kilo afgevallen met een strak regime van schijf van vijf en sportief gedoe. Maar ik woog nog altijd meer dan 100 kilo. Op mijn vraag ‘wat kan ik nog meer doen om door die grens van 100 kilo te breken?’, antwoordde mijn diëtist: ‘Minder drinken. Maximaal één glas rode wijn per dag.’ Ik stopte (ik zei al: ik ben niet de man voor één glaasje per dag) en viel prompt nog eens 10 kilo af. Alleen maar door van alcohol af te blijven.
Dus ik zie er inderdaad een stuk jonger en beter uit, voor een oude man met een bril. En ik ben vermoedelijk gezonder dan ik in decennia ben geweest, hoewel je dat natuurlijk nooit zeker weet en we allemaal een oma hebben die 106 is geworden op zware shag en elke dag een halve liter citroenjenever. Ten slotte ben ik dankzij het cumulatief effect van gezond eten, meer sporten en niets meer drinken natuurlijk veel fitter. Al is het effect minder spectaculair dan ik had gehoopt. Ik had gehoopt van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat als een afgetraind Duracellkonijn door het leven te stuiteren. Oneindig energiek en onvermoeibaar. Maar dat zit er – vanwege de leeftijd, waarschijnlijk – niet meer in. Het komt neer op: omdat je gezonder leeft, weet je je energielevels op het peil van tien jaar geleden te houden. Het remmen van het verval is denkelijk het hoogst haalbare. Bovendien, je went aan het feit dat je fitter bent en vergeet wat voor dweil je eerder was.

7. Er is geen alternatief voor drank.

Als je niet drinkt, wat drink je dan? Ik vroeg het vele keren aan de professionals in het restaurant en het meest gehoorde antwoord is: water. Dat had ik zelf kunnen verzinnen. Ook werd mij een aantal keren een virgin cocktail aangeboden, soms een Heineken 0.0, één keer een geheimzinnige potentieversterkende thee uit Malawi, hippe tonic en veel gemberhoudende frisdranken, hippe Scandinavische vlierbessenlimonade en het gruwelijke Radler, waartegen je vreemd genoeg toch telkens willoos ‘ja’ zegt. De nieuwste trend: Japanse azijn, u hoorde het hier voor het eerst. Gewone, chemische fris, tenslotte, daar deed en doe je me geen lol mee. Ook niet in de zero-variant.
Keuze genoeg, maar zit er nou een winnaar bij? Niet echt. Geen drankje waar je, zoals met bier, chardonnay of G&T, de hele avond lekker op gaat. Ik heb me vaak afgevraagd waarom je niet met hetzelfde gemak drie liter gingerale drinkt als negen pijpjes Jupiler. Waarom je met geen mogelijkheid negen pijpjes Jever Fun krijgt weggewerkt, terwijl dat toch een echt heerlijk fijnhoppig ‘Duits’ alcoholvrij biertje is. Het antwoord is: alcohol. Het magische ingrediënt is alcohol. Probeer maar eens gedealcoholiseerde wijn. Bestaat. Niet te zuipen. En ik ben echt niet moeilijk, hoor. Het blijkt gewoon dat je ergens alleen enorme hoeveelheden van kunt drinken als er alcohol in zit. Omdát er alcohol in zit. Die maakt het ‘lekker’. En als niet-drinker ben je dus veroordeeld tot een misselijkmakende cocktail van een-paar-glaasjes-van-vanalles. Of water. Hebben de professionals toch weer gelijk.

8. Stoppen was best makkelijk Ik ben niet op een missie om iedereen van het drinken af te brengen.

Toen ik stopte met roken, ging ik cold turkey. Daar keken veel mensen van op. Want ik rookte anderhalf pakje per dag. Ik keek er zelf ook wel een beetje van op. Maar door mijn slechte voorbeeld waren mijn twee oudste kinderen ook gaan roken en bovendien hoestte ik elke dag mijn longen uit mijn lijf. Schuldgevoel en acute doodsangst waren blijkbaar voldoende motivatie om van de peuken af te blijven. Sterke motivatie is het halve werk. En je moet er dus aan toe zijn – weer die kosten-batenanalyse.
Wat ik wel merkte, en nu weer: veel hangt samen met gewoonte. Het is onvoorstelbaar hoeveel momenten op de dag je onbewust koppelt aan een sigaret of, ietsje minder vaak, aan een glas wijn. Dat zijn de momenten dat het erom spant; maar zet je een paar weken door, begint die koppeling al wat te vervagen in je systeem en na een jaartje denk je er soms dagenlang niet meer over na dat je geen alcohol hebt gedronken. Ik kan natuurlijk niet voor anderen spreken, en – zie punt 1 – ik ben ook niet op een missie om iedereen van het drinken af te brengen, maar het is misschien een geruststellende gedachte dat alcoholgebruik voor driekwart een kwestie van gewoonte is. En dat je nee kunt zeggen, in plaats van ja. Het is – extreme gevallen daargelaten – niet dat je kokhalzend en stuiptrekkend over de grond gaat rollen als je een avond frisdrank neemt. Sterker, van fysieke afkickverschijnselen geen spoor, eerder omgekeerd: ik sliep meteen beter en was beduidend minder vaak nerveus – terwijl ik toch menigmaal een drankje had gepakt om de zenuwen in bedwang te houden.

9. Het is wel eng spul, alcohol.

Dat ik het hele jaar geen alcohol heb aangeraakt, is trouwens technisch gesproken niet waar. We hadden de boot verkocht en namen champagne mee voor de nieuwe eigenaars. Die erop stonden dat we met z’n allen op de plechtige gelegenheid zouden proosten. Ik kreeg een glas, had geen zin het uit te leggen en maakte mijn lippen nat. En ik zweer je: meteen sloeg het systeem aan. Een gloeiend gevoel van welbehagen, drie solide smoesjes waarom ik dat glas nou net zo goed kon leegdrinken, een schuin oog naar de fles, of er misschien nóg een glaasje inzat en een jubelende fanfare met discolampen. Ik schrok me dood en schonk het glaasje leeg in dat van mevrouw Heemskerk. Alcohol verliest niet snel zijn greep.