Categorieën
Columns & Opinie

Wanneer kan een kind alleen naar school fietsen? – Anna van den Breemer

Geen Hollandser tafereel dan een groepje kinderen dat naar school fietst (de bammetjes pindakaas in de rugzak fantaseer ik er even bij). Maar wanneer laat je je kind ‘los’ in het verkeer? Die vraag kreeg ik van Loes uit Zwolle. Haar 7-jarige dochter mag in haar uppie vooruit fietsen, maar ze moet wél wachten aan het eind van de straat. Dat deed ze niet. Twee drukke rotonden verder waren haar ouders in lichte paniek, en dochter juist trots als een pauw omdat het haar was gelukt. Hoe moedig je zelfstandigheid in het verkeer aan, zonder dat de veiligheid in het geding komt?

Dit zeggen de deskundigen

Gemiddeld genomen is een kind vanaf 9 jaar in staat om zelfstandig naar school te fietsen. Tot die leeftijd hebben kinderen nog niet de concentratie, het inschattingsvermogen en de motoriek om zich solo in het verkeer te mengen. Voor een kind van 7 kan het nog lastig zijn om de balans te houden én een hand uit te steken. Ze kunnen ook niet goed inschatten wat de snelheid van een auto is.

Toch gaat maar zo’n 17 procent van de basisschoolkinderen zelfstandig naar school. Is dat niet weinig? ‘Het ligt natuurlijk aan de woonplek’, zegt Ineke Spapé van onderzoeksbureau SOAB, dat zich met mobiliteitsvraagstukken bezighoudt. ‘Het is logisch dat kinderen in een drukke stad als Amsterdam niet zelf gaan fietsen.’ Feit is dat de zelfstandigheid van kinderen in het verkeer gemiddeld iets afneemt, vertelt Spapé. Ouders hebben het beeld dat het op straat onveiliger is, terwijl het aantal verkeersongelukken met kinderen juist terugloopt: volgens cijfers van het de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid vielen er in 2000 58 verkeersdoden in de leeftijdscategorie 0-14 jaar, in 2018 waren dat er slechts 19.

Zo’n 12 procent van de kinderen wordt altijd met de auto gebracht. Is er sprake van slecht weer, dan stijgt dit aantal met 5 procent. ‘Het is vaak ook een logistieke kwestie: papa of mama wil direct door naar zijn werk, dus dan is brengen met de auto handig’, zegt Rob Stomphorst van Veilig Verkeer Nederland. ‘Scheelt je inderdaad tijd, maar op die manier ontwikkelt je kind geen verkeersinzicht.’

Hoe pak je het wél aan?

Verkeersgevoel rijpt met de jaren. ‘Dat begint al als je peuter nog bij jou in een stoeltje op de fiets zit’, zegt Spapé. ‘Vertel dat je je hand uitsteekt voordat je een afslag neemt en dat je bij rood licht moet stoppen.’ Je kunt ’s avonds ook voorlezen uit het prentenboek Fiep in het verkeer. Met behulp van de tekeningen van Fiep Westendorp leren ze dingen als: ‘De stoep is de veiligste plek in het verkeer’.

Bij kinderen van 7 fiets je de route samen. Sommige ouders willen het goede voorbeeld geven en fietsen voorop. ‘Niet doen’, zegt Stomphorst. ‘Laat je kind altijd voor je uit fietsen, maar blijf er vlak achter, zodat je kunt ingrijpen als het nodig is. Spreek daar ook dingen over af, zoals: wanneer ik je naam roep, stop je direct.’ Maak je aanwijzingen zo specifiek mogelijk. ‘Kinderen draaien hun hoofd wel naar links bij een kruising, maar zien ze ook echt of er een auto aankomt?’

Wellicht heb je zin om een potje te schelden wanneer je in de regen je kinderen al schreeuwend (‘rechts houden!’) veilig op hun bestemming probeert te krijgen. Denk dan aan wat de Amerikaanse Rina Mae Acosta schreef op de site van CNBC, over waarom Nederlandse kinderen tot de gelukkigste kinderen in de wereld behoren: ‘Ze worden aangemoedigd om overal en in alle weersomstandigheden te fietsen omdat het hen leert moedig te zijn. Ze leren dat het leven niet altijd zonnig en vol regenbogen is. Ze leren niet op te geven.’

Categorieën
Columns & Opinie

Ja, sfeer is belangrijk op school, maar die sfeer gaat niet achteruit als de juf foutloos schrijft – Sylvia Witteman

‘Wat zou u doen?’, is een van de leukste rubrieken in de Volkskrant. Lezers leggen daarin hun problemen voor aan andere lezers en die laatsten geven vervolgens hun welgemeende advies. Het zijn meestal boeiende vraagstukken, zoals ‘mijn man kijkt porno’ of ‘mijn vriendin is vegetariër, maar soms eet ze een bitterbal’. Daar komen dan allerlei doorwrochte replieken op, over dierenleed, het klimaat, de juridische afbakening van het begrip ‘vegetariër’ of een goed gesprek met aansluitend psychische hulp voor de pornokijker.

Míjn advies in dergelijke gevallen is meestal simpel: ‘Laat iedereen lekker op zijn gemak porno kijken/ bitterballen eten en bemoei je met je eigen zaken.’ Maar afgelopen zaterdag kreeg ik toch sterk de neiging om me níét met mijn eigen zaken te bemoeien. Een briefschrijver vertelde hoe haar kind in groep 4 van een ‘leuke school’ zat, met een ‘lieve juf’. Addertje onder het groene gras: de lieve juf maakte veel taal- en grammaticafouten.

Met stijgende verbazing las ik de antwoorden op dit vraagstuk. Ik parafraseer: ‘De sfeer in de klas is veel belangrijker dan grammatica’, zei er een. ‘De juf heeft het druk, wees dankbaar dat het kind met liefde en aandacht door de basisschool wordt geloodst’, zei een ander. ‘Kinderen in groep 4 hebben nog geen grammatica nodig, dat komt later wel’, vond een derde. ‘Ja, het onderwijs holt achteruit, maar die mensen krijgen dan ook slecht betaald’, vergoelijkte een vierde. En een vijfde constateerde monter: ‘Laat ze maar rommelen daar op school en verbeter de fouten van het kind thuis aan tafel.’

Schuimbekkend hing ik boven de zaterdagkrant. Ja, sfeer is belangrijk op school en ja, leerkrachten krijgen te weinig betaald. Maar die sfeer gaat niet achteruit als de juf foutloos schrijft en ook maakt een forse salarisverhoging niet als bij toverslag een eind aan dt-fouten. Maar vooral het laatste antwoord zette me aan het tobben: ouders die prijs stellen op goed taalgebruik moeten hun kinderen thuis de fouten maar afleren.

Wat bereik je daarmee? ‘Nee, Django/ Fender/ Robijn/ Dokus, het is niet ‘de broodje’ maar ‘het broodje’ en ‘de juf vertelt’ is niet met een d maar met een t. Veel plezier met de sfeer en aandacht en liefde op school vandaag, maar neem alles wat ze je leren maar met een korreltje zout.’

Zo leren de kindertjes van de elite, behalve behoorlijk praten en schrijven, ook neer te kijken op hun leerkracht. De rest begint al op jonge leeftijd met een achterstand die maar moeilijk in te lopen is. Zo werk je mee aan iets waarop niemand zit te wachten: een standenmaatschappij. 

Categorieën
Mensen

Ridicuul idee, een stiltecoupé in een Italiaanse trein – Jarl van der Ploeg

Iedere Nederlander die in het buitenland woont, denkt vroeg of laat dat hij veranderd is. Vaak is dat ook wel zo, alleen betreft het meestal geen blijvende verandering, zo merkte ik deze week. Het is meer zoals die steen die in een rivier terechtkomt, en tijdens zijn verblijf onder water weliswaar nat is, maar gewoon weer diezelfde, gortdroge steen blijkt zodra hij weer op het droge belandt, en de druppels van hem afdruppen.

Ik kwam tot dit filosofisch hoogstandje toen ik in de trein naar Milaan stapte en op het raam ‘Standard Silenzio’ zag staan – stiltecoupé. Dat is een fonkelnieuwe innovatie van het Italiaanse spoorwegbedrijf die met recht ridicuul te noemen is, want als er iets niet standaard is in Italië, is het wel de stilte. Dat komt door de aard van de taal – Italiaans kent een lage informatiedichtheid, waardoor veel woorden nodig zijn om relatief weinig te zeggen – maar vooral door de aard van het beestje, dat stilte verafschuwt.

Ik kan mij een Italiaanse huwelijksceremonie herinneren waar het geroezemoes zelfs tijdens het ja-woord doorging, ‘want zo’n gelukkig moment wil je toch juist met elkaar delen?’ Iedere zichzelf respecterende pizzeria heeft een televisie en ook in de meeste huiskamers mag de lokale Eva Jinek meebabbelen tijdens het diner. Niet omdat Italianen zo graag naar haar programma kijken, maar puur ter voorkoming dat het stilvalt.

Stilte is in Italië een zuiver intellectueel begrip. Geen concreet concept dat je dagelijks tegenkomt, laat staan iets dat je in stickervorm op een treindeur plakt. Erg groot was mijn verbazing dan ook niet dat zeven van de acht mensen in de stiltecoupé aan het praten waren, en ik nummer acht was.

Naast mij zat een jong gezin waarvan de moeder tussen Florence en Bologna aan een stuk door praatte, hoewel het eigenlijk meer op pruttelen leek dan op praten. Haar mond deed mij denken aan het blaasgat van een walvis, waar om de zoveel tijd nu eenmaal een pufje stoom uit moet ontsnappen, anders sterft het dier.

Uit principe weigerde ik mijn medepassagiers te wijzen op hun overtreding. De stiltecoupé bestond pas net, ze hadden bij binnenkomst allemaal vriendelijk naar mij gelachen en bovendien is de Italiaanse gave je geen snars van de regels aan te trekken juist de reden dat dit land mij zo trekt. In Nederlandse stiltecoupés walgde ik altijd van die klikgrage burgermannen die met een totaal misplaatste trots moeders tot stilte maanden omdat hun kind wat lag te murmelen. In zo’n land wil ik niet wonen, dacht ik altijd.

Maar hier, in deze trein tussen Rome en Milaan, in dit land der blinden, bleek ik opeens koning Eenoog. In dit gezelschap was ik opeens die rigide fatsoensrakker die continu de neiging voelde ‘ssst’ te roepen.

Ik zat in een stiltecoupé waar iedereen gelukkig leek, maar niemand zijn mond hield, behalve dan die ene chagrijnige Hollander die zichzelf zat te verbijten omdat alle anderen lachten en met hun kinderen speelden en hij, stijve sukkelaar, daarom niet efficiënt kon werken. Ik was precies zoals die natte steen onder water, die van binnen altijd droog blijft, hoe lang hij ook in de vijver ligt.

Ik kreeg zin om hardop te vloeken, maar hield uiteindelijk netjes mijn mond.

Categorieën
Columns & Opinie

Naturel wel – Marcel van Roosmalen

We kregen een televisieproducent op bezoek. Wij kenden hem niet, hij ons wel. Slechte timing, de vriendin moest ’s avonds op televisie, een grappig toeval, en ik had er al een dag met de kinderen op zitten. De vriendin vroeg zich hardop af welke gek met ambities dit allemaal zo gepland had, en of het nog af te zeggen viel, maar hij stond al in de file.

„Echt, zoals het leven zelf”, concludeerde de televisieman, terwijl hij op halfhoge laarzen over de troep in onze huiskamer stapte.

Dat was dan het leuke aan die beroepsgroep: televisieproducenten vinden niets vreemd. Als er overal stukken rauw vlees hadden gelegen was hij er ook overheen gestapt. Een ontmoeting is altijd oriënterend, ze doen maar wat en denken daarbij hardop.

Hij had zelf ook nog geen idee wat hij eigenlijk bij ons deed, behalve dan dat hij beroepshalve altijd geïnteresseerd was in ‘tegengestelde karakters’.

We moesten maar gewoon naturel doen.

Wij naturel. De kinderen ook naturel.

Hij telde er twee, twee meisjes.

Ik telde er ook twee, de een gooide de ander tegen een lamp.

Ze kroop huilend bij haar moeder op schoot.

„Sorry hoor”, riep de vriendin, „het is een soort van spitsuur. En ik moet zo weg.”

„Spitsuur, net als op de weg”, zei ik. „Jij stond toch juist ook in de file?”

Er was niemand die om dat grapje lachte, maar naturel was het wel. Een kort gesprek over ambities, waarbij heel naturel een koffiekopje werd omgestoten.

De vriendin ging een lapje halen.

Bij hem thuis was het ook een troep, zei hij ondertussen, we hoefden ons dus nergens voor te schamen.

De dochters van twee en vier sloten de gordijnen en deden de lampen uit. Toen zaten we in het donker.

Ik probeerde een gordijn open te doen, maar daar hing de oudste met haar hele lichaam aan. Ik trok haar eruit, ze brulde van zoveel onrecht.

De jongste dochter roofde zijn stroopwafel. De oudste tekende in zijn kladblok. Ik zette kindermuziek aan.

‘Handjes draaien’ van K3, niet mijn favoriete nummer.

De oudste zette het geluid op 51, de jongste draaide daadwerkelijk met haar handjes. Ze waren door het dolle nu.

„Heb jij ook kinderen?” schreeuwde ik.

Ja, iets ouder, maar niet minder druk.

Ik moest nog naar de supermarkt, de vriendin moest zich omkleden, we moesten kortom van alles, het was allemaal geen probleem. Misschien wilde hij nog eens afspreken, maar dan wellicht in een andere setting. „Minder naturel”, zei ik.

Toen hij weg was lag zijn kladblok er nog. Hij had Donald Duck getekend, niet onverdienstelijk.

De vriendin zei: „Alleen mensen met kinderen begrijpen mensen met kinderen.”

Categorieën
Columns & Opinie

Bestandsnamenlogica – Jasper van Kuijk

Grote kans dat de downloadfolder op je computer een flinke collectie bevat van pdf’jes met mysterieuze cijfercodes als bestandsnaam. Zo trof ik zelf onder andere aan: 8000668348_M.pdf, 1-s2.0-S0142694X97000033-main.pdf en declaratieoverzicht_02102019323565.pdf. Dat bleken achtereenvolgens de handleiding van onze vaatwasser, een wetenschappelijk artikel en een declaratieoverzicht van de ov-chipkaart. Vaak zit er wel een bepaalde logica in de bestandsnamen, met klantnummers en volgnummers, en soms blijkt er na lang staren zelfs een datum in verwerkt te zitten (‘O, hallo 20200411 alias 11 april 2020’).

Die mistige naamgeving maakt het niet bepaald makkelijk om na het downloaden het juiste bestand te openen, zeker als je de folder niet op ‘sorteren op datum’ hebt staan. Een paar weken later het juiste bestand terugvinden is al helemaal onbegonnen werk. De zoekfunctie kan dan uitkomst bieden, maar die werkt een stuk beter als de zoektermen in de bestandsnaam staan.

Dus wat je als gebruiker eigenlijk wilt zijn bestandsnamen met een informatieve, makkelijk te lezen opbouw. Met bij een handleiding bijvoorbeeld het merk, typenummer en wat het is (handleiding, installatie-instructies). En bij een factuur de naam van de afzender, type document (factuur, jaaroverzicht, etc.) en datumaanduiding. Die ov-chipkaartdeclaratie wordt dan bijvoorbeeld ‘OVchipkaart_declaratie_nov-2019.pdf’.

Discussiepuntje is wellicht de datum. Als je die in getallen doet, met het jaartal eerst en daarna maand en dag, dan kan de computer dat vrij makkelijk sorteren, maar aan de andere kant leest het voor mensen een stuk moeilijker. Dus dat is een afweging. Maar bij de getalsnotatie zouden voor de leesbaarheid in ieder geval streepjes tussen jaartal, maand en datum moeten staan. Zo zou de factuur van T-mobile, die qua naamgeving al best oké is, nog verder opknappen als het ‘T-mobile_Factuur_2019-10-25.pdf’ zou zijn, in plaats van 20191025 op het eind.

Wat er dus níét in de bestandsnaam moet: de naam van de klant. Dus geen Jasper-van-Kuijk_nov-2019. Prima dat jij je facturen uit elkaar wil houden, maar ik weet al dat ik Jasper van Kuijk heet en als iedereen mij bestandsnamen gaat sturen met mijn naam erin, zit ik straks met het schoolkrantprobleem. Iedereen die weleens in de redactie van welk krantje dan ook heeft gezeten zal het akelig bekend voorkomen: dat je 25 bestanden aangeleverd krijgt met namen die varianten zijn op ‘stukje_schoolkrant.doc’. Mooi stukje denken vanuit de afzender.

Dat is in feite wat er ook aan de hand is bij die bestandsnamen. Die werken goed voor de betrokken bedrijven en hun computers, maar mensen kunnen er weinig van maken. Eigenlijk best een gemiste kans, omdat het aanpassen van de bestandsnaam weinig kost. Je moet het programmeren, maar je hoeft geen duurdere componenten te kopen of een productielijn aan te passen. Het enige wat je nodig hebt is een programmeur met een beetje goeie wil en wat affiniteit met de gebruiker.