Categorieën
Columns & Opinie

Bestandsnamenlogica – Jasper van Kuijk

Grote kans dat de downloadfolder op je computer een flinke collectie bevat van pdf’jes met mysterieuze cijfercodes als bestandsnaam. Zo trof ik zelf onder andere aan: 8000668348_M.pdf, 1-s2.0-S0142694X97000033-main.pdf en declaratieoverzicht_02102019323565.pdf. Dat bleken achtereenvolgens de handleiding van onze vaatwasser, een wetenschappelijk artikel en een declaratieoverzicht van de ov-chipkaart. Vaak zit er wel een bepaalde logica in de bestandsnamen, met klantnummers en volgnummers, en soms blijkt er na lang staren zelfs een datum in verwerkt te zitten (‘O, hallo 20200411 alias 11 april 2020’).

Die mistige naamgeving maakt het niet bepaald makkelijk om na het downloaden het juiste bestand te openen, zeker als je de folder niet op ‘sorteren op datum’ hebt staan. Een paar weken later het juiste bestand terugvinden is al helemaal onbegonnen werk. De zoekfunctie kan dan uitkomst bieden, maar die werkt een stuk beter als de zoektermen in de bestandsnaam staan.

Dus wat je als gebruiker eigenlijk wilt zijn bestandsnamen met een informatieve, makkelijk te lezen opbouw. Met bij een handleiding bijvoorbeeld het merk, typenummer en wat het is (handleiding, installatie-instructies). En bij een factuur de naam van de afzender, type document (factuur, jaaroverzicht, etc.) en datumaanduiding. Die ov-chipkaartdeclaratie wordt dan bijvoorbeeld ‘OVchipkaart_declaratie_nov-2019.pdf’.

Discussiepuntje is wellicht de datum. Als je die in getallen doet, met het jaartal eerst en daarna maand en dag, dan kan de computer dat vrij makkelijk sorteren, maar aan de andere kant leest het voor mensen een stuk moeilijker. Dus dat is een afweging. Maar bij de getalsnotatie zouden voor de leesbaarheid in ieder geval streepjes tussen jaartal, maand en datum moeten staan. Zo zou de factuur van T-mobile, die qua naamgeving al best oké is, nog verder opknappen als het ‘T-mobile_Factuur_2019-10-25.pdf’ zou zijn, in plaats van 20191025 op het eind.

Wat er dus níét in de bestandsnaam moet: de naam van de klant. Dus geen Jasper-van-Kuijk_nov-2019. Prima dat jij je facturen uit elkaar wil houden, maar ik weet al dat ik Jasper van Kuijk heet en als iedereen mij bestandsnamen gaat sturen met mijn naam erin, zit ik straks met het schoolkrantprobleem. Iedereen die weleens in de redactie van welk krantje dan ook heeft gezeten zal het akelig bekend voorkomen: dat je 25 bestanden aangeleverd krijgt met namen die varianten zijn op ‘stukje_schoolkrant.doc’. Mooi stukje denken vanuit de afzender.

Dat is in feite wat er ook aan de hand is bij die bestandsnamen. Die werken goed voor de betrokken bedrijven en hun computers, maar mensen kunnen er weinig van maken. Eigenlijk best een gemiste kans, omdat het aanpassen van de bestandsnaam weinig kost. Je moet het programmeren, maar je hoeft geen duurdere componenten te kopen of een productielijn aan te passen. Het enige wat je nodig hebt is een programmeur met een beetje goeie wil en wat affiniteit met de gebruiker.

Categorieën
Mensen

Reis met de trein en je ziet premium- en budgetmensen – Arjen van Veelen

Sinds kort behoor ik tot een Geheim Genootschap van Nederlanders die weten waarom er aan de buitenkant van sommige treinstellen een dunne blauwe streep loopt. Het is geen mysterie of staatsgeheim, maar dat streepje geeft aan waar je de eersteklascoupés kunt vinden. Het lijntje is zo subtiel, dat ik het pas zie sinds ik zelf eersteklas reis.

Begin dit jaar trakteerde ik mijzelf op een eersteklas Dal Vrij Abonnement.

Ik had een upgrade verdiend, vond ik, want mijn boek had goed verkocht. Bovendien viel de prijs echt mee: voor 134 euro per maand had ik al een zetel te midden van notabelen. Alleen buiten de spits, maar dat leek me juist een voordeel (over de spits hoor ik enkel horrorverhalen). In de eersteklas kon ik bovendien heerlijk lezen en schrijven, redeneerde ik: voor een prikkie huurde ik in feite een flexibele werkplek.

Allemaal calvinistische zelfrechtvaardiging voor wat gewoon een statussprongetje was, hoor. Aanvankelijk zat ik in mijn eersteklasfauteuil vooral voldaan na te hijgen van mijn klimpartij op de sociale ladder. Laat mijn premiumleven maar beginnen, jongens.

Nou ja, premium…. Het meest spectaculaire privilege van de eerste klas, leerde ik, is het hendeltje waarmee je je stoel kunt laten zakken alsof je op een trans-Atlantische vlucht zit. Dat is eigenlijk alles. Oké, iets meer ruimte, meer kans op een zitplek. Maar verder gewoon dezelfde wifi en dezelfde wc als de tweede klas (en exact dezelfde vertraging). Zelfs geen gordijntje tussen jou en het plebs.

Vroeger zat je in de eersteklas op pluche; arbeiders zaten op hout. Nu verschilt alleen de kleur van de stoel en het cijfer 1 of 2. De NS gumt de verschillen trouwens nog verder uit. Bijvoorbeeld met de klassenwisselservice: een app waarmee je last minute, zelfs in de trein nog, kunt beslissen dat je sociaal wilt stijgen, als een soort flex-elite.

Wat zijn we toch een heerlijk egalitair landje, zou je zeggen, waar je sociaal kunt stijgen via een appje.

Nederland kent geen bergen, geen hiërarchie en dus ook in de trein geen grote verschillen tussen plebs en happy few. Slechts een blauwe streep.

Maar dat zou helemaal de verkeerde conclusie zijn, weet ik nu. Ten eerste is onze samenleving niet echt egalitair. En ten tweede is dat subtiele blauwe lijntje veel scherper, veel vileiner dan ik dacht.

In mijn vorige leven als miserabele tweedeklasser, nog geen jaar geleden dus, liep ik meestal zo vlug mogelijk door het gangpad van die eersteklascoupés heen. Ik voelde me er ongemakkelijk. Het zat ’m niet in de kleur van de stoelen. Waarin wel?

In de eerste klas, daar zaten andere mensen, met gewichtige lichamen, die ze louter omwille van het landsbelang verplaatsten. Bestuurders, consultants, professoren. Pakken. Ze leken immer declarabel, staarden nooit zomaar uit het raam; ze zochten nieuwe horizonten. In de tweedeklas, daar zaten de mensen die maar wat aanklooiden in het leven, miserabelen zonder plan – onder wie ik.

En dan waren er de blikken. De manier waarop andere mensen vanuit hun zetels even opkeken, licht verstoord dat ze werden gestoord bij het redden van het land – hoe ze je dan peilden: hoor jij hier wel? Kaartjescontrole met hun ogen.

En nee ik hoorde er niet, toen niet. Maar het rare is dat dit gevoel van ongemak nog een poosje aanhield, zelfs nadat ik een eersteklasabonnement had gekocht.

Hieruit concludeer ik dat het verschil tussen de klassen niet zozeer de luxe is of de beschikbaarheid van zitplaatsen; het is een psychologische barrière.

Je voelt je er thuis of juist niet.

Je kijkt of je wordt bekeken.

Zo werkt het denk ik met standsverschil in ons land. We zijn geen India en zelfs geen Engeland, nee, maar verschil is er zeker.

Klasse is hier geen kwestie van geld, maar van weggekeken worden. Zo had het altijd gevoeld, ook buiten de trein, op alle plekken waar je niet hoorde: niet als een muur, maar als de blik van de verkopers wanneer je op oude sneakers een Louis Vuitton-zaak zou binnenlopen, of een deftig restaurant. Niemand houdt je tegen, niemand stuurt je weg; nee, veel erger: na een paar van die monsterende blikken trek je zélf de conclusie. Ik hoor hier niet.

Sociale zelfcensuur kan venijnig zijn. Toen ik 17 was overwoog ik om naar het University College te gaan, een opleiding die – denk ik nu – mij op het lijf geschreven was geweest en precies even duur als eender welke studie. Maar ik dacht: te elitair, ander slag mensen, ik hoor hier niet.

Klassenverschil is in ons land minder een kwestie van centen; de voornaamste indicator is deze: hebben je ouders een universiteitsdiploma of niet?

Zijn ze wereldwijs? Dat is een subtiele kwestie van kennis, omgangsvormen, weten wanneer je welke vork moet pakken. En van ongrijpbare, onmeetbare zaken zoals je ergens al dan niet senang voelen of het al dan niet vanzelfsprekend vinden dat de hele wereld voor jou is weggelegd.

Onze oudste gaat binnenkort naar de basisschool. Nu bestaan er in Rotterdam goede en slechte scholen, officieel allemaal even duur, voor iedereen toegankelijk, een notaris verricht de lotingen – toch stroomt de ene school vol met eersteklaskindjes en de tweede school met tweedeklaskindjes. Rara, hoe kan dat? Door een blik, een knikje, een verstandhouding tijdens de open dagen. Door mensen zich juist wel of juist niet senang te laten voelen. Wegkijken. Sociale zelfcensuur.

Inmiddels zit ik zelf trouwens ook te loeren of mensen die mijn coupé binnen komen er wel eersteklasse-achtig uitzien. Want ja, zo gaat het, merk ik. In het begin vond ik het nog leuk om onderuitgezakt een verfomfaaid boek te lezen, mensen op het verkeerde been zetten. Nu kijk ik zelf naar mensen met hoodies, mensen zonder werktas zijn verdacht.

Loop ik nu de trein uit, de echte wereld in, dan is het even wennen. Ik eis alle egards, ik wil valet parking voor mijn fiets, hallo, zien jullie niet dat ik een A-mens ben?

De eersteklas heeft me nu al veranderd. Niet per se ten goede. Ook hieruit maak ik op dat het verschil tussen de klassen veel meer is dan de kleur van de stoelen.

Als de conducteur omroept dat B-mensen vanwege drukte bij ons A-mensen mogen zitten, voelt het alsof hij mijn zuurverdiende Mercedes E-klasse met een vingerknip terugtovert in een Opel Astra. Want zoals de meeste eersteklassers meen ik récht te hebben op mijn plek, want ik werk er keihard voor.

Dat geloof is een rechtstreeks gevolg van de mythe dat Nederland een plat land vol tulpen en gelijke kansen is. Ga maar na: als iedereen dezelfde startpositie heeft, dan is succes inderdaad jouw eigen verdienste. Maar voor zover dat land al bestond, is het onmiskenbaar aan het veranderen.

Dat merk je vooral als je de trein verlaat, de poortjes door. Daar zie je over de hele linie een tweedeling tussen A-mensen en B-mensen. Rotterdam, bijvoorbeeld, was drie jaar geleden nog een open stad; nu een vesting waar paupers worden weggejaagd en intussen volop luxe appartementen verrijzen. Het gaat heel rap. Het aantal daklozen is de laatste tien jaar verdubbeld. De middenklasse krimpt, de extremen nemen toe.

Het scherpst zie je het in het onderwijs. De kansenongelijkheid is er de afgelopen tien jaar verdubbeld, schreef NRC vorig jaar. Het diploma van papa en mama bepaalt steeds vaker het succes van het kind; niet diens hersens of inzet.

Hoogopgeleide powerkoppels baren premiumkinderen die klaargestoomd worden voor premiumlevens. Als ze te dom zijn, is er wel een dure examencoach om dat schandelijke vmbo-advies weg te masseren. Laatst zag ik een basisschool in Rotterdam die liefst 1.758,48 euro schoolgeld per jaar rekent.

Dus hoezo egalitair land? Toch hebben we het hier zelden over klasse.

Zelden hoor je iemand pleiten voor de invoering van een quotum voor werknemers wier ouders niet gestudeerd hebben. Zelden hoor je zeggen: misschien moeten we ook een bepaald percentage mensen van eenvoudige komaf hebben.

We lijken er blind voor. Klassenblind.

Klasse ís ook moeilijker te zien, natuurlijk. Letterlijk. Aan een groepsfoto zie je relatief makkelijk wie er een kleur heeft en wie er vrouw is. Niet wier papa of mama gestudeerd heeft. Arme mensen hebben nu gouden tanden, elitekindjes dragen hoodies: het staat niet op je hoofd geschreven of je al dan niet een kruiwagen had.

Maar dat is geen excuus. Vaak wíllen we het verschil niet zien, terwijl het wel helder is. Zoals in de trein, waar duidelijk staat aangegeven: deze coupé is voor de eentjes en deze is voor de tweetjes. Stel je voor dat we treincoupés zouden hebben met een W voor witte mensen of een M voor alleen mannen…. Maar de coupés voor premiummensen en budgetmensen vinden we heel logisch.

We hebben het terecht over manspreading in de trein; maar laten we het ook eens over de klassenmaatschappij hebben. Maar de eersteklascoupé is een Zwarte Piet-kwestie waar we over zwijgen.

‘Ja hallo, het gaat hier niet om een verschil in klasse, hooguit kun je kiezen voor wat extra comfort’, hoor ik al tegensputteren. Of ‘Zeg, ik koop vooral een eersteklaskaartje omdat ik dan kan zítten in de trein, ik moet gewoon werken.’ Of: ‘De vergelijking gaat echt niet op hoor, want met je huidskleur en met je geslacht word je nu eenmaal geboren, een eersteklaskaartje kan iedereen kopen.’

Comfort is ons eufemisme voor klasse. Want het is natuurlijk flauwekul dat iedereen eersteklas kan reizen. Eén op de drie huishoudens is niet eens in staat om de twee duurste spullen in huis te vervangen als ze stukgaan, aldus het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting.

De echte miserabelen vind je überhaupt niet in de trein. De prijzen van treinkaartjes zijn de afgelopen tien jaar namelijk twee keer zo hard gestegen als de inflatie. Dat komt door het blinde geloof in de Heilige Markt, en door dat vermaledijde neoliberalisme. In elk geval komt de stijging bij ons níét door een beter product. Integendeel. De treinen zijn veel voller.

Die prijsstijgingen moet je dus niet bagatelliseren. Denk aan Chili, een welvarend land waar mensen de straat opgingen nadat een metrokaartje in prijs steeg. Met 4 eurocent.

Sinds ik eersteklas reis, denk ik vaak aan de cultfilm Snowpiercer uit 2013, over een trein die eeuwig rondjes rijdt in een apocalyptisch sneeuwlandschap. Aan boord is een extreem verschil tussen eerste en laatste klassen. Revolutie volgt.

In mijn premiumcoupé zie ik steeds vaker tweedeklassers noodgedwongen staan naast lege eersteklasstoelen. Af en toe gaat zo’n budgetmens brutaalweg zitten.

Dreigt er ook bij ons een opstand? Wel als we blijven doen alsof er geen verschil is.

De laatste jaren gaan er regelmatig stemmen op om de eersteklas af te schaffen. Want ‘er is toch nauwelijks meer verschil’ en zo schep je extra zitplekken. Of de klassen zijn, zoals een NRC-lezer een paar jaar geleden schreef, een „relict uit onze negentiende-eeuwse klassenmaatschappij”, toen de trein nog een een soort rollende afspiegeling was van de maatschappij.

Maar zoals ik heb gemerkt zijn er dus wel degelijk grote verschillen tussen de klassen.

En je zou het evengoed kunnen omdraaien: die groeiende standsverschillen typeert onze tijd juist perfect.

Interessant weetje: de eersteklas werd al eens afgeschaft. Tot het jaar 1956 had je namelijk drie klassen. Toen de eerste werd afgeschaft – die van het pluche – schoven de andere twee door. De huidige eersteklas is dus eigenlijk de tweede.

Mijn voorstel zou zijn om die derde klasse weer in te voeren. Maak van de eerste klasse weer een echte luxecoupé. Zoals in de tijden van de Rheingold en de Oriënt-Express. Ik zie pluchen stoelen voor me en barrijtuigen met gouden kranen en pianisten. Met aan de zijkant van elk rijtuig een dikke, koninklijk blauwe streep.

In de eerste plaats schept dat duidelijkheid. Verder geeft het de onderklasse echte luxe om naar te streven. Maar vooral: zo wordt de trein weer echt een afspiegeling van de maatschappij, waar de standsverschillen weer toegroeien naar die uit de tijd van de stoomtrein.

Categorieën
Nieuws & Achtergrond Wetenschap

Het gaat slecht met de Nederlandse natuurgebieden – Arjen Schreuder

Slechts 6 van de 52 beschermde ecosystemen in Nederland zijn er gunstig aan toe. Te veel stikstof is een van de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang van natuur.

Het gaat aanhoudend slecht met de natuur in Nederland. Slechts 6 van de 52 beschermde ecosystemen zijn er gunstig aan toe, zo blijkt uit recente cijfers over de periode 2013-2018. De voorlopige cijfers staan in een rapportage van Nederland aan de Europese Commissie, over de implementatie van de Habitatrichtlijn in Nederland.

Naast de 6 ‘habitattypen’ met een goede kwaliteit zijn er 6 ecosystemen die er „zeer ongunstig” aan toe zijn. Van die 6 zijn er 3 met ook nog eens een dalende trend in kwaliteit: ‘estuaria’ (riviermonding met zoet en zout water), ‘zeer zwak gebufferde vennen’ en ‘stroomdalgraslanden’. Een ander habitattype dat er zeer slecht aan toe is, ‘actieve hoogvenen’, vertoont eveneens geen vooruitgang.

„Elke Europese lidstaat is verplicht te zorgen dat er geen verslechtering optreedt van de kwaliteit van een habitattype in een Natura 2000-gebied, hoe slecht de kwaliteit ook al is”, zegt Anne Schmidt, ecoloog bij Wageningen University en rapporteur van de cijfers aan minister Carola Schouten (Natuur, ChristenUnie).

Het beste gaat het in Nederland met de habitats ‘embryonale duinen’, ‘witte duinen’ en ‘duindoornstruwelen’. Die zijn niet alleen in een goede staat, maar gaan ook in kwaliteit vooruit. Dat geldt eveneens voor ‘slikkige rivoeroevers’.

Van alle 271 beschermde vogelsoorten is de situatie van 32 soorten aan het verbeteren. Denk aan de zeearend en de kraanvogel, verschillende ganzensoorten, de grote zilverreiger, de kerkuil, de ijsvogel en drie spechtensoorten. Maar met 16 soorten gaat het juist slechter: de blauwe kiekendief, strandplevier, zomertortel, ransuil, kuifleeuwerik, grote karekiet, paapje, Europese kanarie, grauwe gors, matkop, grutto, patrijs en korhoen. Geheel verdwenen zelfs zijn duinpieper, klapekster en ortolaan.

De toestand van de natuur is cruciaal voor het stikstofdebat in Nederland. Te veel stikstof is een van de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang van de natuurgebieden. Het leidt tot een verarming van de soortenrijkdom en hindert het herstel. Er komt in Nederland jaarlijks gemiddeld ongeveer 1.600 mol stikstof per hectare in de grond terecht.

„Regionaal komen grote verschillen voor in de stikstofdepositie. In de Gelderse Vallei en de Peel komen deposities voor van circa 4.000 mol stikstof per hectare per jaar. Dat komt door de hoge lokale ammoniakuitstoot van de intensieve veehouderij”, aldus een onderzoek van Wageningen Universiteit vorige maand.

Voor de meeste habitattypen ligt de grens voor de natuur, de zogenoemde kritische depositiewaarde, volgens de onderzoekers tussen de 700 en 1.500 mol. Vooral de natuur in Gelderland, Noord-Brabant, Drenthe, Overijssel, Utrecht en Limburg moet het ontgelden. Om de natuur niet langer overmatig te belasten is volgens dit onderzoek een halvering van de emissies in alle sectoren vereist. Daarbij lijken maatregelen in de landbouw onvermijdelijk: volgens het RIVM was vorig jaar 46 procent van alle stikstof in natuurgebieden afkomstig van de landbouw. De varkens van de monniken trekken insecten aan.
Foto’s Chris Keulen

Overigens is de achteruitgang van de natuur niet alleen te wijten aan stikstof. „Ook verdroging is een belangrijke oorzaak”, stelt ecoloog Anne Schmidt. De bodem verdroogt in natuurgebieden al decennia lang, vooral als gevolg van ontwatering door landbouw. Andere oorzaken: invasieve plant- en diersoorten en het ontbreken van „natuurlijke, dynamische processen”.

Een vergelijking met Europese lidstaten is met de nieuwe cijfers nog niet mogelijk. In de vorige periode 2007-2012, scoorde Nederland het slechtst bij de kwaliteit van de habitattypen. Vermoedelijk is die positie niet veel verbeterd. „Nederland is er slecht aan toe”, zegt onderzoeker Anne Schmidt. Wel betwijfelt zij of andere landen even grondig de cijfers over de natuurkwaliteit verzamelen en rapporteren. „Enige scepsis is op haar plaats. Wij rapporteren heel gedegen. Ik weet niet of iedereen het zo netjes doet als wij.”

Categorieën
Boeken

Airbnb – Ilja Leonard Pfeijffer

Dit brengt ons op de situatie omtrent de kamerverhuur. Waar je in het geval van Nutella nog zou kunnen besluiten dat het uiteindelijk een kwestie van smaak is, omdat de overlast voor degenen die dat spul niet hun mond stoppen relatief beperkt is, is de particuliere verhuur van privéaccommodaties via Airbnb zowel voor de inwoners als voor het stadsbestuur een serieus probleem. Het geeft onacceptabel veel overlast voor de omwonenden, daar hoeven we niet over te redetwisten. Als het huis van je buren bij voortduring, het hele jaar door, bij nacht en ontij, onderdak biedt aan uitgelaten vakantiegangers die hun rolkoffers de trappen opslepen en die met niets anders rekening houden dan met hun eigen vertier, dan heb je een probleem.

Bovendien geeft het overlast in de vorm van exorbitant stijgende vastgoedprijzen. Als er met een pandje in de binnenstad goud geld kan worden verdiend, springen de handige jongens daar bovenop en het gevolg is dat een woning in het centrum voor iemand die er alleen maar wil wonen onbetaalbaar is geworden. Het gevolg daarvan is dat Amsterdammers die hier nog wonen, eieren voor hun geld kiezen, de overwaarde van hun woning gretig in hun zak steken en de overlast en de stad de rug toekeren, waarna de betreffende woning voorgoed in handen van de toeristenbusiness valt en voor bewoning onbereikbaar is geworden. Het gevolg is ontvolking. Maar u woont in Venetië. U weet daar alles van.

Ook vormt de particuliere verhuur valse concurrentie voor de hotels. Dan kunt u zeggen dat dat een probleem is van de hotels, maar dan moet ik u hardhandig corrigeren. Voor die hotels hebben we een hele santenkraam van vergunningen en regels opgetuigd voor brandveiligheid, hygiëne en noem maar op, en dat hebben we niet uit sadisme gedaan, omdat we het die hotels zo graag zo lastig mogelijk wilden maken. Al die regels hebben gegronde redenen, die uiteindelijk dienen ter bescherming van de consument en de omwonenden. De particuliere verhuur onttrekt zich aan deze regels en kan daardoor lagere prijzen rekenen dan de hotels. Het is net zoiets als wanneer u zou zeggen dat u met ziekenhuizen gaat concurreren door voor de helft van de prijs medische ingrepen aan te bieden in uw achterkamer, waar u geen last heeft van al dat toezicht en al die regels die ziekenhuizen zo duur maken. Dat is verboden, en u vindt dat ook terecht.

Wat ze dan zeggen, is dat wij niet flexibel genoeg zijn om ons aan te passen aan de nieuwe economie, peer-to-peer, deeleconomie, vraag en aanbod direct op elkaar afgestemd zonder tussenkomst van een regulerende instantie, de nieuwe wereld, de toekomst. Dat is wat wij met een technische term pure bullshit noemen. De oude economie is al problematisch en daar komt de nieuwe economie nog eens bij. De oude economie zou je kunnen samenvatten door te zeggen dat het een spel is met het doel om een zo goedkoop mogelijk product zo duur mogelijk te verkopen. De kunst is om zo min mogelijk kosten te maken voor kwaliteit en veiligheid, en de prijs zo hoog mogelijk te houden. De overheid kan daar als controlerende instantie de scherpe randjes van afhalen door minimumeisen te stellen aan kwaliteit en veiligheid. In de nieuwe economie is het spel hetzelfde, maar is de scheidsrechter afgeschaft. Dan ben je dus overgeleverd aan de cowboys. En dat is wat we nu zien gebeuren in de stad.

Want het is een leuk idee, die Airbnb, waarbij de gedachte zogenaamd is dat je als hardwerkende burger een paar zakcentjes kunt bijverdienen door een geïnteresseerde wereldburger te vinden die je vrijstaande zolderkamertje wel voor een paar dagen wil huren, maar zo werkt het natuurlijk niet. Die kleinschaligheid van de deeleconomie zoals die door Airbnb wordt verheerlijkt, is pure fictie. Het geld wordt niet verdiend door eerlijke burgers die een kamertje over hebben. Naar schatting bijna twee derde van de woningen die via Airbnb te huur worden aangeboden, is in handen van eigenaars die meerdere panden bezitten. Het geld wordt verdiend door de grote vastgoedboeven en door Airbnb zelf.

Op niet eens zo heel lange termijn leidt dit onvermijdelijk tot het scenario waarin de inwoners van de stad zich transformeren tot een dienende klasse, gevestigd in de buitenwijken, die ter beschikking staat van de toeristen in het centrum. In veel Europese steden is dat al zo. Florence en Venetië Zijn extreme voorbeelden. Ik zou ook Athene of Lissabon kunnen noemen. En in deze arme steden, die nauwelijks inkomsten genereren buiten de toeristensector, is de verleiding groot om dit scenario als een oplossing te zien in plaats van een probleem. In Amsterdam hebben we misschien nog net genoeg nevenactiviteiten naast onze toeristische roeping om ons de luxe te kunnenpermitteren om na te denken over een alternatief.

‘Zodoende is ons beleid er thans op gericht,’ vervolgde Van Tiggelen, om de particuliere kamerverhuur via Airbnb in te dammen. Het is echter nog niet zo eenvoudig om dit beleid in de praktijk vorm te geven. Om te beginnen hebben we het probleem dat het hoofdkwartier van Airbnb in San Francisco zacht gezegd niet bijzonder happig is om zijn medewerking te verlenen aan onze pogingen het probleem onder controle te krijgen. Nogal wiedes. Die zelfbenoemde filantropen van de deeleconomie hoeven alleen maar met hun vingers in hun neus achterovergeleund naar hun computerschermen te kijken om schathemeltergend rijk te worden. Zij zien geen enkele urgentie om daaraan ook maar iets te veranderen. Maar het gevolg van hun oncoöperatieve attitude is dat wij niet eens over concrete cijfers beschikken. We moeten werken met onze eigen schattingen. Laat staan dat San Francisco ons een overzichtelijk Excel-bestandje zou sturen met de adressen, huurprijzen en aantallen overnachtingen, gegevens die zij uiteraard wel degelijk hebben. Toen wij een meldplicht wilden invoeren voor particulier te huur aangeboden vastgoed, heeft Airbnb gebruikers opgeroepen om tegen ons te protesteren omdat de door ons voorgestelde maatregel buitensporig zou zijn, en een inbreuk op de privacy van de verhuurders. Het moge tekenend zijn voor hun arrogantie.

We hebben nu voor de particuliere verhuur een maximum ingesteld van zestig overnachtingen per jaar. Er wordt gestudeerd op een volledig verbod, althans in bepaalde wijken, maar dat ligt juridisch complex. In Berlijn hebben ze dat geprobeerd maar ze zijn ervan teruggekomen omdat zo’n verbod juridisch niet houdbaar bleek. En elke limitering die je aanbrengt, verzandt in het probleem van de handhaving. De bewijslast voor illegale verhuur ligt bij de gemeente. Er moet woonfraude door verhuur worden gemeld, waarna een controleur moet aantonen dat het pand niet wordt gebruikt als een echte woning. We moeten toezichthouders langs de deuren sturen. Dat kost tijd en geld en is eerlijk gezegd eigenlijk niet te doen.

Ik zou een voorstander zijn van een bewustwordingscampagne, zoals we die hebben gehad voor activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu. Airbnb moet van dat vrolijke, onschuldige imago af. We moeten mensen ervan doordringen dat ze, zowel wanneer ze via de site een woning aanbieden als wanneer ze via de site een adresje boeken in het buitenland, meewerken aan een systeem dat door Amerikaanse kapitalisten is bedacht met zelfverrijking als enig doel en dat de sociale structuur van onze Europese binnensteden ontwricht. Ze dragen bij aan de ondergang van de goed gereguleerde en goed controleerbare hotelsector en zijn medeplichtig aan de wildgroei van een grijs, semilegaal circuit, waarin veiligheidsnormen worden genegeerd en belasting wordt ontdoken, en aan de ontvolking en uiteindelijke vernietiging van de historische stadscentra. Het lijkt lekker authentiek, logeren in een echt huis, maar uiteindelijk verandert een stad daardoor in Disneyland.

Categorieën
Boeken

Lezen – Ilja Leonard Pfeijffer

“Lezen is pauze nemen van je eigen hoofd en uitrusten in dat van de schrijver.”