Categorieën
Mensen

Ridicuul idee, een stiltecoupé in een Italiaanse trein – Jarl van der Ploeg

Iedere Nederlander die in het buitenland woont, denkt vroeg of laat dat hij veranderd is. Vaak is dat ook wel zo, alleen betreft het meestal geen blijvende verandering, zo merkte ik deze week. Het is meer zoals die steen die in een rivier terechtkomt, en tijdens zijn verblijf onder water weliswaar nat is, maar gewoon weer diezelfde, gortdroge steen blijkt zodra hij weer op het droge belandt, en de druppels van hem afdruppen.

Ik kwam tot dit filosofisch hoogstandje toen ik in de trein naar Milaan stapte en op het raam ‘Standard Silenzio’ zag staan – stiltecoupé. Dat is een fonkelnieuwe innovatie van het Italiaanse spoorwegbedrijf die met recht ridicuul te noemen is, want als er iets niet standaard is in Italië, is het wel de stilte. Dat komt door de aard van de taal – Italiaans kent een lage informatiedichtheid, waardoor veel woorden nodig zijn om relatief weinig te zeggen – maar vooral door de aard van het beestje, dat stilte verafschuwt.

Ik kan mij een Italiaanse huwelijksceremonie herinneren waar het geroezemoes zelfs tijdens het ja-woord doorging, ‘want zo’n gelukkig moment wil je toch juist met elkaar delen?’ Iedere zichzelf respecterende pizzeria heeft een televisie en ook in de meeste huiskamers mag de lokale Eva Jinek meebabbelen tijdens het diner. Niet omdat Italianen zo graag naar haar programma kijken, maar puur ter voorkoming dat het stilvalt.

Stilte is in Italië een zuiver intellectueel begrip. Geen concreet concept dat je dagelijks tegenkomt, laat staan iets dat je in stickervorm op een treindeur plakt. Erg groot was mijn verbazing dan ook niet dat zeven van de acht mensen in de stiltecoupé aan het praten waren, en ik nummer acht was.

Naast mij zat een jong gezin waarvan de moeder tussen Florence en Bologna aan een stuk door praatte, hoewel het eigenlijk meer op pruttelen leek dan op praten. Haar mond deed mij denken aan het blaasgat van een walvis, waar om de zoveel tijd nu eenmaal een pufje stoom uit moet ontsnappen, anders sterft het dier.

Uit principe weigerde ik mijn medepassagiers te wijzen op hun overtreding. De stiltecoupé bestond pas net, ze hadden bij binnenkomst allemaal vriendelijk naar mij gelachen en bovendien is de Italiaanse gave je geen snars van de regels aan te trekken juist de reden dat dit land mij zo trekt. In Nederlandse stiltecoupés walgde ik altijd van die klikgrage burgermannen die met een totaal misplaatste trots moeders tot stilte maanden omdat hun kind wat lag te murmelen. In zo’n land wil ik niet wonen, dacht ik altijd.

Maar hier, in deze trein tussen Rome en Milaan, in dit land der blinden, bleek ik opeens koning Eenoog. In dit gezelschap was ik opeens die rigide fatsoensrakker die continu de neiging voelde ‘ssst’ te roepen.

Ik zat in een stiltecoupé waar iedereen gelukkig leek, maar niemand zijn mond hield, behalve dan die ene chagrijnige Hollander die zichzelf zat te verbijten omdat alle anderen lachten en met hun kinderen speelden en hij, stijve sukkelaar, daarom niet efficiënt kon werken. Ik was precies zoals die natte steen onder water, die van binnen altijd droog blijft, hoe lang hij ook in de vijver ligt.

Ik kreeg zin om hardop te vloeken, maar hield uiteindelijk netjes mijn mond.